• Pagina

    1553


  • Datum

    16 september 2026


  • Datum

    J. Flo


Rechtskundig Weekblad

Kanttekening

Het zittingsblad en proces-verbaal van terechtzitting als procesrechtelijke instrumenten

Inleiding - In de loop van een gerechtelijke procedure worden veel meer beslissingen genomen dan enkel de eindbeslissing die is vervat in een eindvonnis. In deze bijdrage wordt onderzocht in hoeverre het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting als procesrechtelijke instrumenten een deugdelijk alternatief kunnen vormen voor het klassieke tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht. De analyse vertrekt vanuit de maatschappelijke context, en poogt aan de hand van het wettelijk kader en de recente rechtspraak op een genuanceerde manier de praktische en juridische grenzen in beeld te brengen van het gebruik van het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting. De bespreking beperkt zich tot het burgerlijk recht, met bijzondere aandacht voor het familierecht, waar vaak tussenbeslissingen moeten worden genomen. De bijdrage beoogt geen exhaustieve inventaris te bieden, maar een praktische reflectie te zijn, die bedoeld is om behulpzaam te zijn bij de dagelijkse keuze van het meest geschikte instrument. Het perspectief is dat rechterlijke beslissingen deugdelijk en doordacht moeten zijn, niet enkel naar inhoud en vorm, maar ook naar keuze van het meest geschikte instrument om de beslissing te dragen.

1. Het begrip «vonnis» - Een beslissing van een rechter, vooral wanneer die een geschilpunt beslecht, wordt meestal een vonnis genoemd. (Overeenkomstig artikel 22 Gerechtelijk Wetboek worden de beslissingen van de gerechtshoven arresten genoemd. Dit onderscheid tussen de begrippen «vonnis» en «arrest» heeft geen rechtsgevolgen, en schept slechts verwarring voor leken in een materie waar ook voor professionelen aan verwarring geen tekort is. In de Grondwet bepaalt artikel 40 dat vonnissen en arresten in naam van de Koning worden uitgevoerd, en wordt het begrip «arrest» verder nog gebruikt in de artikelen 103 en 125 (over de aansprakelijkheid van ministers), artikel 142 (over de beslissingen van het Grondwettelijk Hof) en artikel 160 (over de beslissingen van de Raad van State). De voor de rechterlijke orde veel belangrijkere artikelen 148 en 149 Grondwet en artikel 152 Grondwet hebben het enkel over vonnissen. Verder in deze bijdrage wordt met «vonnis» ook telkens «arrest» van de gerechtshoven bedoeld. Zie ook: D. Scheers, P. Thiriar en B. Vanlerberghe, Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, nr. 154: «De benaming die aan een rechtsprekende handeling wordt gegeven is in de regel volstrekt irrelevant», en de definitie eerder in nr. 153: «De rechtsprekende handeling is de handeling waarmee een door een partij geadieerde rechter een geschil met inachtneming van de processuele grondrechten (op definitieve en voor de betrokken partijen bindende wijze) beslecht.») Hiermee wordt dan zowel de beslissing zelf bedoeld, als het document waarin deze beslissing is neergeschreven. Een dergelijk document kan ook meerdere beslissingen bevatten, of één beslissing, en die beslissingen kunnen voorlopige beslissingen zijn of eindbeslissingen. (Ingeval een beroepen vonnis meerdere beslissingen bevat, kan de appellabiliteit van elke beslissing afzonderlijk worden onderzocht: Cass. 20 januari 2023, AR nr. C.22.0194.N, RW 2022-23, afl. 31, 1234; Gent (11se) 10 december 2024, RW 2024-25, afl. 39, 1603, noot; Gent (11se) 19 november 2024, RW 2024-25, afl. 29, 1152).

Het begrip «vonnis» impliceert echter veel meer dan louter dat een rechter een of meerdere beslissingen heeft genomen. Het impliceert vooral ook meer (tijdrovende) arbeid door meerdere actoren dan alleen de rechter.

Een vonnis moet worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die allen de zittingen moeten hebben bijgewoond, één en ander, zo wil artikel 779 Gerechtelijk Wetboek in een werkwoordloze zin, op straffe van nietigheid. Eveneens op straffe van nietigheid moet het vonnis «de gronden» bevatten, en een beschikkend gedeelte, en verder ook nog de vermelding van de rechter of de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, de namen, voornaam, woonplaats en andere precieze gegevens van partijen, het onderwerp van de vordering, en het antwoord op de middelen van partijen, die overeenkomstig artikel 774, eerste lid Gerechtelijk Wetboek moeten zijn uiteengezet, de vermelding van het advies van het openbaar ministerie, en de datum van uitspraak in openbare zitting. Tot slot worden overeenkomstig artikel 780 Gerechtelijk Wetboek ook de namen van de advocaten vermeld.

Het opstellen van een dergelijk document vraagt voorbereiding, input van verschillende actoren, teamwerk, en is arbeidsintensief, zowel voor de rechter als voor de griffier, aan wie de wet enigszins detaillistisch en specifiek opdraagt om toch ook de identiteitsgegevens van partijen nogmaals te controleren. (Zie ook: D. Scheers, P. Thiriar en B. Vanlerberghe, Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, nr. 164: «De rechterlijke uitspraak wordt op schrift gesteld door de griffier die de rechter als openbaar ambtenaar in de regel in alle verrichtingen van diens ambt bijstaat (art. 170, eerste lid Ger.W.).») Daarnaast bepaalt ook artikel 149 Grondwet dat elk vonnis «met redenen omkleed» moet zijn; een vonnis moet inderdaad gemotiveerd zijn, zowel met betrekking tot het toepasselijke recht, als in verhouding tot de middelen van partijen, die beantwoord moeten worden. (Twee voorbeelden uit het familiecontentieux: sinds de Wet Potpourri VIII van 21 december 2018, die een aantal wijzigingen doorvoerde aan de wettelijke bepalingen inzake kinderalimentatie, moet elke familierechtelijke beslissing inzake kinderalimentatie én elke kinderalimentatieovereenkomst getuigen van de in artikel 1321, §§ 1-2 Gerechtelijk Wetboek bedoelde oefening (S. Mosselmans, «Kroniek kinderalimentatie», RW 2023-24, 882). De verplichting om passend belang te hechten aan de mening van een minderjarige die wordt gehoord overeenkomstig de artikelen 1004/1 e.v. Gerechtelijk Wetboek, impliceert dat ook moet blijken uit de familierechtelijke beslissing die volgt op dat horen, op welke wijze dan rekening is gehouden met die mening (zie: Gent (11se) 14 januari 2025, T. Fam 2025, afl. 4, 120, noot M. de Hemptinne; TGR-TWVR 2024, afl. 5, 285; TGR-TWVR 2025, afl. 1, 9). Wat betreft de verplichting om de middelen van partijen te beantwoorden, heeft de wetgever gepoogd die taak te vergemakkelijken en structureren door middel van de artikelen 744, 748bis en 780 Gerechtelijk Wetboek, maar ook dan blijven Europeesrechtelijke verplichtingen gelden (zie, louter illustratief: Vred. Sprimont 9 oktober 2018, T. Vred. 2019, afl. 3-4, 169, noot M. Baetens-Spetschinsky en zie ook T. De Jaeger, «Conclusie en antwoordplicht van de rechter na Potpourri I: blijf billijk!», noot bij Kh. Gent (afd. Gent) 27 mei 2016, NJW 2017, afl. 355, 82-83.))

Overeenkomstig artikel 780 / 1 Gerechtelijk Wetboek moet in burgerlijke zaken nu bij elk vonnis ook een informatieblad worden gevoegd, dat voor elke partij vermeldt welke rechtsmiddelen bij welk rechtscollege op welke wijze en binnen welke termijn kunnen worden ingediend.

Eveneens belangrijk - om praktische redenen - is dat de rechters de vonnissen in alle zaken die zij op een gegeven zitting in beraad nemen, gebruikelijk op een maand (moeten) uitspreken, en dat daarop ook de werkprocessen van magistraten, eventuele referendarissen, griffiers en griffiepersoneel zijn afgestemd. (Artikel 770 Gerechtelijk Wetboek). Goede onderlinge communicatie en afspraken zijn daarbij belangrijk. Zo geldt in veel korpsen de werkafspraak dat de rechter zijn ontwerp ten laatste een week voor de zitting waarop hij het vonnis uitspreekt, moet overmaken.

2. Evolutie in de rechtspraktijk - Sedert de oorspronkelijke redactie van het Gerechtelijk Wetboek in 1967 hebben zich nogal wat evoluties voorgedaan in de samenleving, en om die reden ook in de rechtspraktijk.

Tussen 1967 en heden is de Belgische bevolking toegenomen van 9,5 miljoen tot 11,5 miljoen inwoners. Zij hebben sindsdien verruimde mogelijkheden om een beroep te doen op juridische eerstelijns- en tweedelijnsbijstand, en sluiten collectief meer rechtsbijstandsverzekeringen, zodat zij vaker een beroep kunnen doen op meer advocaten, die daarenboven ook nog eens elektronische tekstverwerkers hebben ontdekt. (Zie het verslag van het Rekenhof aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers van januari 2024, «Betaalbare toegang tot justitie Tweedelijnsbijstand en rechtsbijstandsverzekeringen» te vinden op: https://www.ccrek.be/sites/default/files/Docs/2024_06_BetaalbareJus​titie.pdf).

Nog sneller dan de toename van de bevolking steeg ook het aantal relatiebreuken, verkeersovertredingen en auto-ongevallen. Van de huwelijken die werden gesloten in 1950, was na vijf jaar slechts 0,85% ontbonden door echtscheiding. Tegen 1965 was dat cijfer bijna verdubbeld tot 1,54%, en in 2010 vertienvoudigd tot meer dan 10%. (Zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/partnerschap/echtscheidingen#figures) Er zijn ook meer auto-ongevallen en verkeersovertredingen, al is het maar omdat het aantal auto’s veel sneller is gestegen dan de bevolking. Het nationale voertuigenpark telde 750.000 personenwagens in 1960, 2 miljoen in 1970, en 6 miljoen in 2024. (Zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/mobiliteit/verkeer/voertuigenpark#panel-12).

Het is op zich niet goed of slecht dat er meer procedures zijn - in de mate dat daarmee conflicten worden uitgeklaard, is dat goed - en dat de middelen die worden aangewend om de vorderingen in die procedures te schragen, omstandiger worden ontwikkeld en meer op schrift worden gesteld.

Het is evenwel zo dat er niet proportioneel meer magistraten en griffiers zijn bijgekomen om de grotere dorst naar justitie van de bevolking te lessen. (Uit een recente werklastmeting blijkt dat er 43% meer rechters nodig zouden zijn om de rechtscolleges normaal en zonder (onbezoldigd) overwerk te laten functioneren https://www.tribunaux-rechtbanken.be/nl/nieuws/persbericht-onze-hoven-en-rechtbanken-hebben-43-procent-meer-rechters-nodig). Voor bepaalde materies zijn er zelfs veel minder. Oorspronkelijk werden overeenkomstig artikel 40 van de wet van het jaar VIII uit 1810 civiele zaken voor het hof van beroep in een kamer van 7 raadsheren behandeld. Thans worden de meeste civiele zaken ook in hoger beroep door een alleenzetelend rechter behandeld. (Zie, voor een studie: https://hofvancassatie.be/2023/Jaarverslag/pdf/Studie2.pdf).

Tot slot moet ook rekening worden gehouden met het gegeven dat het takenpakket van de rechter ook inhoudelijk is verruimd - met ook om die reden meer motiveringswerk. Daarbij heeft de wetgever, behalve specifieke en verfijnde motiveringsverplichtingen, aan de rechter ook een rol toebedeeld als «vertolker van de waardenconsensus in de samenleving». Ongeacht of het wenselijk is voor de rechterlijke macht om die bijkomende arbeid te verrichten, in de mate dat de legitimiteit om dat werk dan met enig maatschappelijk gezag te doen, niet voortvloeit uit een democratisch mandaat en de keuze van de kiezer, is het des te belangrijker om begrijpelijk en correct te motiveren. (Zie, in het algemeen: A. Henkes, «RECHTERS, PROCUREURS, RECHTERLIJKE ORDE, QUO VADIMUS?», 2023 (overeenkomstig art. 345 Gerechtelijk Wetboek), https://hofvancassatie.be/pdf/Mercuriales/NL/2023.pdf; zie ook: J. Lemaire, «Het gezag van de rechter en rechtsvinding 2.0: rechterlijke motivering binnen de trias juridica» in M.E. Storme, V. Sagaert en A. Van Hoe (eds.), Vijftig jaar het beleid van de rechter, 483-515).

3. Is een vonnis steeds nodig? - Er bestaan redenen waarom de totstandkoming van een deugdelijk vonnis zo moeilijk is gemaakt. Een vonnis is niet zomaar een opstel of een lezersbrief, of een tekst waarin een toevallige burger die een eed heeft afgelegd, zijn willekeurige mening geeft over een bepaald onderwerp.

In de eerste plaats is een vonnis bindend tussen partijen. Wanneer geen rechtsmiddelen worden ingesteld, treedt het in kracht van gewijsde (een vonnis wordt gewezen, en vandaar, gewijsde) en kan het vervolgens ook worden uitgevoerd, met bijstand van de sterke arm. Ook ten aanzien van derden heeft een vonnis (behalve dat er gebeurlijk een maatschappelijke waardenconsensus wordt vertolkt) een zekere bewijsrechtelijke werking. (P. Taelman, «Is de ene wolk de andere niet? Hoe verhoudt de bewijsrechtelijke werking van een gerechtelijke uitspraak met het aan die uitspraak verbonden gezag van gewijsde?» in Privaatrecht plenibus coloribus, Liber Amicorum Matthias Storme, TPR 2024, afl. 1-2, 789-821; zie ook P. Taelman, Het gezag van het rechterlijk gewijsde, Kluwer, 2001; en ook: B. Vanlerberghe, «Heeft een vonnis ten aanzien van derden maar bewijswaarde als feitelijk vermoeden?» in W. Vandenbussche, K. Broeckx, S. Lust, B. Krans en S. Voet (eds.), Liber Amicorum Piet Taelman. Puur Procesrecht, Wolters Kluwer Belgium, 2025, 289-310).

Dat vereist een afdoende en omstandige motivering - zodat niet enkel partijen, maar ook derden en commentatoren rechterlijke beslissingen kunnen begrijpen en aanvaarden.

De vraag is echter wel of dat alles altijd nodig is voor werkelijk elke beslissing die een rechter neemt. Het antwoord op die vraag is neen.

In deze bijdrage wordt gepoogd te onderzoeken en te nuanceren welke beslissingen eventueel op welke manier sneller en eenvoudiger tot stand kunnen komen, waarop daarbij moet worden gelet, en wat de gevolgen en risico’s zijn. De klemtoon ligt daarbij in deze bijdrage op het burgerlijk recht in het algemeen en het familierecht in het bijzonder.

4. Vonnis of beschikking - Zoals uiteengezet: veel beslissingen van rechters worden «vonnissen» genoemd. Een aantal andere rechterlijke beslissingen worden dan weer omschreven als «proceshandelingen», «maatregelen» of nog als «beschikkingen» of «beslissingen». (Zie ook: D. Scheers, P. Thiriar en B. Vanlerberghe, Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, nr. 923-925).

Een uitspraak zoals in kortgeding wordt in de praktijk nu eens «vonnis» en dan weer «beschikking» genoemd. Ook louter procedurele beslissingen - zoals bijvoorbeeld het bepalen van conclusietermijnen en een rechtsdag - worden soms aangeduid als «beschikking», maar worden soms ook beslist bij (tussen)vonnis. Een snelle opzoeking, zonder uitputtend te willen zijn en louter illustratief, leert dat het Gerechtelijk Wetboek het woord «beschikking» onder andere in de volgende betekenissen gebruikt:

- er bestaat de beschikking van toelaatbaarheid in het kader van de collectieve schuldenregeling (artikel 1657 e.v. Gerechtelijk Wetboek);

- de vrederechter kan bij met redenen omklede beschikking weigeren de vertrouwenspersoon (de vertrouwenspersonen worden door de wetgevers even polysemantisch gesmurft als de beschikkingen: behalve vertrouwenspersonen voor beschermde personen is er nog een vertrouwenspersoon die een minderjarige bijstaat tijdens het horen door de familierechter, en daarnaast kent de wet ook vertrouwenspersonen voor ouders in de integrale jeugdhulp, om patiënten bij te staan die rechten willen uitoefenen zoals die zijn vervat in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, om te doen verwittigen bij een bestuurlijke arrestatie door de politie, of nog, om een beroep op te doen in geval van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk) van een te beschermen persoon te horen in raadkamer vooraleer de andere in het geding betrokken partijen worden gehoord (artikel 1245, § 1 Gerechtelijk Wetboek);

- de beslissing van een rechter omtrent conclusietermijnen en instaatstelling is een «beschikking», waar geen rechtsmiddel tegen bestaat artikel 747 Gerechtelijk Wetboek). In de meeste rechtscolleges worden voorgedrukte invulformulieren gebruikt om beschikkingen overeenkomstig artikel 747 Gerechtelijk Wetboek op te maken. In verband met de wettelijke bepaling dat er geen rechtsmiddel bestaat, moet terzijde worden opgemerkt dat de wrakingsprocedure bepaald in artikel 828 en volgende Gerechtelijk Wetboek, in het algemeen niet dienstig is als oneigenlijk rechtsmiddel tegen een beslissing om een bepaalde zaak op een bepaald tijdstip te behandelen, zie louter illustratief: Cass. 9 oktober 2012, AR nr. P.12.1583.N, Juristenkrant 2012 (weergave E. Brewaeys), afl. 260, 7; zie ook: Cass. 28 januari 2004, AR nr. P.04.0119.F, en S. Vandromme, «Weigering uitstel te verlenen is nog geen reden tot wraking», Juristenkrant 2004, afl. 85, 16; zie recenter en opiniërender: B. Luyten en D. Van Overloop, «Wraking is een recht maar een recht kan ook misbruikt worden», op https://www.jubel.be/wraking-is-een-recht-maar-een-recht-kan-ook-misbruikt-worden, 30 september 2025);

- de beslissingen van de voorzitter in spoedeisende zaken (artikel 584 Gerechtelijk Wetboek);

- de bepalingen in een EOT-overeenkomst omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag en de onderhoudsbijdragen worden (en dit is ongelukkig - want het gaat hier niet om een rechterlijke beslissing) ook omschreven als «beschikkingen» (artikel 1288 Gerechtelijk Wetboek);

- de beslissing van de voorzitter om het bijzonder reglement van zijn rechtbank vast te stellen, is een beschikking; (artikel 88 Gerechtelijk Wetboek);

- wanneer de voorzitter beslist om beschrijvende maatregelen toe te staan bij een beslag inzake namaak, gebeurt dat bij beschikking (artikel 1369bis, 1 Gerechtelijk Wetboek).

Algemener lijkt uit de bepalingen van artikel 833, en ook van bijvoorbeeld artikel 1238 en volgende Gerechtelijk Wetboek, te volgen dat een beschikking de beslissing is die volgt op een vraag die bij verzoekschrift werd gesteld, maar dat is geen algemene regel. Zo worden betwistingen omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag overeenkomstig artikel 1253ter/4, § 2 Gerechtelijk Wetboek bij verzoekschrift voor de familierechter gebracht, die dan oordeelt zoals in kortgeding, maar is de beslissing die dan recht doet op die betwisting, wel een vonnis en niet een beschikking.

Nergens in het Gerechtelijk Wetboek wordt het begrip «beschikking» precies gedefinieerd - uit wat voorafgaat, volgt dat het begrip van tijd tot tijd wordt gebruikt om rechterlijke beslissingen aan te duiden, die wel of niet vatbaar zijn voor een rechtsmiddel, en die wel of niet gemotiveerd («met redenen omkleed») moeten worden.

Wel duidelijk is dat voor een aantal beslissingen uitdrukkelijk géén «vonnis» is vereist, of toch niet als instrumentum, waarmee hier wordt bedoeld: een afzonderlijk document dat wordt ondertekend door de rechter en de griffier en dat moet beantwoorden aan alle voorwaarden van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek.

Het Hof van Cassatie verduidelijkte bijvoorbeeld in zijn arrest van 3 mei 2017 dat een beschikking van de raadkamer, waarin wordt geoordeeld dat er bij gebrek aan voldoende bezwaren geen grond is tot vervolging, geen gezag van gewijsde heeft. Daarnaast stelde het Hof dat, wanneer een rechtscollege besluit het onderzoek (dit zou in burgerlijke zaken zijn: de behandeling) van een zaak uit te stellen - dus zonder de zaak ten gronde te behandelen - het niet nodig is dat de rechters die hierover beslissen, alle eerdere zittingen waarop de zaak is behandeld, hebben bijgewoond. (Cass. 3 mei 2017, AR nr. P.16.0532.F; zie ook Cass. 1 oktober 2024, AR nr. P.24.0719.N/5).

Voor een aantal beslissingen is dus niet vereist dat rechters een afzonderlijk document opstellen dat voldoet aan alle voorwaarden van de artikelen 779 en 780 Gerechtelijk Wetboek.

Wel moet steeds aan die bepalingen zijn voldaan, ook wanneer geen afzonderlijk document wordt opgemaakt, wanneer de rechter een beslissing neemt die inhoudelijk als een vonnis kan worden gekwalificeerd - waarbij een betwisting wordt beslecht op een voor partijen bindende wijze, of nog, waarbij wordt bedoeld een uitvoerbare titel te verschaffen.

Ook wanneer dat niet het geval is, blijft het steeds nodig, al is het maar om praktische redenen, om op een manier die voldoende zekerheid en duidelijkheid en kenbaarheid verschaft, te documenteren welke beslissing de rechter op welk ogenblik heeft genomen.

5. Het proces-verbaal van de zitting en het zittingsblad - Alzo komen, behalve de beslissingen die overeenkomstig een specifieke wet of de gebruiken in een afzonderlijke akte, meestal een «beschikking», worden opgetekend, nu ook het proces-verbaal van de zitting en het zittingsblad in beeld. (Zie voor een overzichtelijke bespreking: B. Van den Bergh, «Over het proces-verbaal van de zitting en het zittingsblad: two of a kind?», P&B / RDJP 2011, 90-93).

Ook hier is het belangrijk om begripsverwarring te vermijden. (De gedachte om beide documenten te vervangen door één document, zoals het proces-verbaal van de zitting in strafzaken bedoeld in artikel 190ter Wetboek van Strafvordering, heeft op tafel gelegen: https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/51/1701/51K1701004.pdf, p. 64).

Het proces-verbaal van de zitting is in burgerlijke zaken het document dat wordt bedoeld in artikel 721,3° Gerechtelijk Wetboek. (In deze bijdrage wordt met proces-verbaal van de zitting het informatieve document uit artikel 721, 3° Gerechtelijk Wetboek bedoeld, en niet de akte waarvan sprake in artikel 190ter Wetboek van Strafvordering). Dit artikel bepaalt dat het proces-verbaal (met andere woorden: het verslag) van de zitting of van de onderzoeksmaatregelen die in de zaak bevolen zijn, samen met alle andere akten die door de rechter zijn opgesteld, in het dossier van rechtspleging wordt gebundeld.

Het zittingsblad is het document dat wordt bedoeld in artikel 783 Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat het zittingsblad vermeldt: (1) de dag en het uur waarop de zitting geopend en gesloten is, (2) de verrichte proceshandelingen, en (3) elke behandelde zaak, met opgave van het nummer van inschrijving op de rol en van de namen van de partijen en van hun advocaten. De rechter die de zitting heeft voorgezeten, ziet het zittingsblad na en ondertekent het samen met de griffier.

Het proces-verbaal van de zitting, dat niet wordt ondertekend, en louter de waarde van een inlichting heeft, wordt soms verward met het zittingsblad. Dit moet worden benadrukt: het proces-verbaal van de zitting heeft louter een informatieve waarde, terwijl het zittingsblad net zoals een vonnis wel een authentieke akte is, en net zoals een vonnis wordt ondertekend door de griffier en door de rechter. (Zie ook: Cass. 14 november 1979, Arr.Cass. 1979-80, 347; overeenkomstig artikel 8.17 van het Burgerlijk Wetboek levert een authentieke akte tot betichting van valsheid een bewijs op van wat de openbare ambtenaar persoonlijk heeft verricht of vastgesteld. Een authentieke akte levert een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin zou zijn vervat, tussen partijen, en ten aanzien van hun rechtsopvolgers). Het is niet ongebruikelijk dat wanneer dat nuttig is, een kopie van het proces-verbaal van de zitting wordt overgemaakt aan advocaten en partijen, of aan betrokken derden, om zo, in lijn met artikel 792 Gerechtelijk Wetboek, kosteloos kennis te kunnen geven van een bepaalde beslissing die slechts op het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting werd gedocumenteerd. Om een uitgifte van het zittingsblad te verkrijgen, moet in principe het expeditierecht bepaald in artikel 271 van het Wetboek van Registratierechten worden betaald. Overeenkomstig artikel 1386 Gerechtelijk Wetboek kunnen vonnissen en akten alleen ten uitvoer worden gelegd op overlegging van de uitgifte of van de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging dat de Koning bepaalt.

Let wel dat ook een proces-verbaal van de zitting een «geheel van alfabetische tekens of van enige andere verstaanbare tekens aangebracht op een drager die de mogelijkheid biedt toegang ertoe te hebben gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen en waarbij de integriteit ervan wordt beschermd, welke ook de drager en de transmissiemogelijkheden zijn» is of zou moeten zijn, en dus een geschrift in de zin van artikel 8.1, 1° Burgerlijk Wetboek, en dus een zekere bewijswaarde heeft - zie in dit verband ook de bepalingen inzake de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen voorzien in de artikelen 8.8 tot 8.14 Burgerlijk Wetboek. Het proces-verbaal van de zitting, of een scan of kopie ervan, kan dus gebeurlijk een feitelijk vermoeden doen ontstaan zoals bedoeld in artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek.

Normaal gesproken is er geen inhoudelijk verschil tussen het proces-verbaal van de zitting en het zittingsblad. Thans is het in de praktijk immers zo dat de griffier de tekst van het zittingsblad die betrekking heeft op een bepaalde zaak die tijdens die zitting is behandeld, kopieert naar het proces-verbaal van de zitting voor die bepaalde zaak.

Het zittingsblad van een bepaalde zitting wordt dan afzonderlijk bewaard. Het heeft betrekking op één volledige zitting, en vermeldt de gegevens bepaald in artikel 783 Gerechtelijk Wetboek voor alle verschillende zaken die op die zitting zijn behandeld. Het proces-verbaal van de zitting heeft betrekking op de behandeling van één zaak die tijdens die zitting is behandeld, en wordt in het dossier van rechtspleging van die zaak opgenomen, chronologisch geordend in het dossier dan wel gebundeld met de andere processen-verbaal van de verschillende zittingen waarop de zaak werd behandeld. (Merk op dat in het digitale «e-deposit» of «justview», alle documenten in het dossier van rechtspleging chronologisch zijn geordend, terwijl voor fysieke dossiers van rechtspleging, verschillende rechtscolleges verschillende systemen kunnen hanteren, maar het courant is dat de processen-verbaal van terechtzitting afzonderlijk zijn gebundeld in een mapje. Beide keuzes zijn m.i. verdedigbaar, zelf vind ik een afzonderlijke map met processen-verbaal van terechtzitting overzichtelijker.

Een belangrijke vraag is wat (in burgerlijke zaken) moet worden genoteerd op het zittingsblad (en corresponderend, het proces-verbaal van de zitting), en wat mag worden genoteerd op het zittingsblad, al dan niet met de bedoeling gevolgen te doen ontstaan.

Artikel 783 Gerechtelijk Wetboek somt de verplichte vermeldingen voor elke behandelde zaak op, daarin begrepen het open begrip «proceshandelingen». Daarbij geldt als criterium, lapidair gesteld, en zowel voor eerstelijnsrechters als tweedelijnsrechters, dat het mogelijk moet zijn om een wettigheidscontrole uit te oefenen aan de hand van het zittingsblad. (Zie bijvoorbeeld Cass. 20 februari 2009, AR nr. C.07.0345.N, Arr.Cass. 2009, afl. 2, 620, concl. G. Dubrulle. In burgerlijke zaken wordt geen uittreksel van het zittingsblad meegezonden met het dossier van rechtspleging wanneer hoger beroep of een voorziening in cassatie wordt ingesteld. Wel bevinden zich de processen-verbaal van de zitting in het dossier, die worden vermoed accuraat te zijn, tenzij uit het authentieke zittingsblad iets anders zou blijken dan wat is vermeld op het proces-verbaal van de zitting).

Het zittingsblad, of het verslag van de zitting, moet een getrouw beeld geven van het verloop van een bepaalde zitting. Vandaar wordt in het stuk vermeld op welke dag en hoe laat de zitting wordt geopend en gesloten, welke proceshandelingen zijn verricht: wie was aanwezig en heeft het woord gevoerd, in welke hoedanigheid, is de zitting openbaar of met gesloten deuren verlopen, zijn conclusies of andere stukken neergelegd, wie maakt verstek, wie heeft gevorderd, of afstand gedaan, welke zaken zijn behandeld, enzovoort. (B. Van den Bergh, «Artikelsgewijze commentaar bij artikel 783 Gerechtelijk Wetboek», OGR, aflevering 88, 2 augustus 2012).

Het is de griffier die het zittingsblad opmaakt, en die bij het uitoefenen van die taak soms de notaris van de zitting wordt genoemd, wat de griffier ook is: er wordt immers akte verleend van de feiten en handelingen die de griffier heeft waargenomen, van de uitspraken die de griffier heeft gehoord, of van de proceshandelingen die de griffier heeft zien gesteld worden. De griffier is geen stenograaf, en van de griffier wordt niet verwacht dat hij elk uitgesproken woord letterlijk optekent, of dat hij elke gebeurtenis in detail weergeeft. De rechter of partijen kunnen wel vragen om bepaalde specifieke handelingen of uitspraken op te tekenen - wat de griffier dan moet doen, voor zover de griffier die feiten, handelingen en uitspraken, ook heeft waargenomen of gehoord. (Zie ook Cass. 2 juni 1982, RW 1982-83, 1979, met noot L. Neels. In die zaak verbrak het Hof een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, onder meer met de overweging dat incidenten tussen een advocaat en de voorzitter de sereniteit van de debatten hadden verstoord, en dat de verdediging werd gehinderd en niet de gelegenheid kreeg om haar argumenten te doen gelden, dat de voorzitter had geweigerd een en ander te laten noteren op het proces-verbaal van de zitting (dat in strafzaken het zittingsblad vervangt), zodat het Hof de draagwijdte van een en ander niet kon beoordelen. Merk ook op dat het rechtsmiddel dat de advocaat in die zaak heeft aangewend om het gebrek aan sereniteit ter zitting aan te klagen, niet de wraking was zoals bepaald in artikel 828 en volgende Gerechtelijk Wetboek, maar een voorziening in cassatie).

6. Instrumentum en negotium - Er is, net zoals voor overeenkomsten, ook voor rechterlijke beslissingen een verschil tussen het instrumentum en het negotium - met andere woorden, het document of de akte waarin die beslissing is vervat, en de beslissing zelf. (Zie ook: D. Scheers, P. Thiriar en B. Vanlerberghe, Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, LeA Uitgevers, 2024, nr. 164.) Wanneer het Gerechtelijk Wetboek het begrip «vonnis» gebruikt, zoals in artikel 780 of bijvoorbeeld in artikel 923, wordt het negotium bedoeld.

Behalve waar de Grondwet of wet bepaalde voorwaarden stellen - en die voorwaarden worden wel degelijk gesteld en gesanctioneerd - is dat instrumentum vormvrij, en niet aan andere bijzondere vorm- of geldigheidsvoorwaarden onderworpen. (Zie, illustratief, Cass. 9 oktober 2007, AR nr. P.07.0380.N/1, waarin het Hof overweegt dat geen wetsbepaling voorschrijft dat getuigenverklaringen ter zitting in een proces-verbaal zouden moeten worden opgenomen). Wel moet, al is het maar om praktische doeleinden, een beslissing vanzelfsprekend kenbaar zijn, duidelijk, en voldoende zeker, in het bijzonder voor wie ermee aan de slag moet.

De Grondwet en wet bevatten geen eenduidige en precieze instructies, geen limitatieve lijsten, van welke (soorten) beslissingen moeten worden opgenomen in een vonnis, of wanneer een beschikking volstaat, dan wel of kan worden volstaan met een notitie op het zittingsblad, en corresponderend, op het proces-verbaal van de zitting.

De vraag welk instrumentum het meest geschikt is voor welke beslissingen, wordt mijns inziens het best functioneel beantwoord, vanuit de vraag wat de bedoeling voor wie is van de beslissing, en wat de beoogde gevolgen zijn.

De belangrijkste functies van het zittingsblad en van de processen-verbaal van terechtzitting zijn de volgende:

- het toelaten van een wettigheidscontrole door de appelrechter of cassatierechter (zie bijvoorbeeld Cass. 20 februari 2009, AR nr. C.07.0345.N, Arr.Cass. 2009, afl. 2, 620, concl. G. Dubrulle);

- het bieden van een geheugensteun aan zowel de eerstelijnsrechter als de tweedelijnsrechter die nadien kennis neemt van de zaak (merk op dat in het familiecontentieux, maar ook in bijvoorbeeld bouwzaken, eenzelfde zaak vaak tijdens meerdere zittingen wordt behandeld, bijvoorbeeld met het oog op evaluatie van een verblijfsregeling, of het uitvoeren en evalueren van bepaalde onderzoeksmaatregelen, of het evalueren van een uitvoering in natura);

- en daarmee samenhangend, het verschaffen van een instrument met een zekere bewijswaarde omtrent bepaalde proceshandelingen.

De belangrijkste functie van een vonnis (als instrument) is het verschaffen van een gemotiveerde, voor partijen bindende of appellabele, en uiteindelijk ook uitvoerbare beslissing.

Functioneel biedt het zittingsblad als instrumentum als voordeel ten opzichte van een vonnis (waarmee wordt bedoeld: het document), dat het sneller beschikbaar kan worden gemaakt, en minder bijkomend werk vraagt.

Aan het gebruik van het zittingsblad als instrumentum zijn echter ook de met die voordelen corresponderende nadelen verbonden. Zo is het praktisch niet haalbaar om even omstandig en doordacht te motiveren. (Zie in dit verband D. Scheers, «Revolutie in het procesrecht?», Juristenkrant 2002, afl. 52, 4-5, waarin hij het toenmalige voorontwerp van wet tot wijziging Gerechtelijk Wetboek inzake de rechtspleging bespreekt: «Een opvallend fenomeen in dit voorontwerp is dat om de haverklap beslissingen van de rechter, meestal met motivering, moeten worden opgenomen op het zittingsblad. Het gaat dan om het voornemen van een boete wegens tergend en roekeloos procesvoeren, van het afwijzen van een verzoek korte debatten en het opwerpen van een middel van onbevoegdheid tot het opleggen van een procedurekalender om er maar een paar te noemen. Die werkwijze zal leiden tot een overlast voor de zittingsgriffier en zal de duurtijd van de zittingen aanzienlijk uitbreiden. Wanneer het gaat om bepaalde vaststellingen of eenvoudige verzoeken, kan een opname op het zittingsblad nuttig zijn. Wanneer het echter gaat om hele beslissingen die op gemotiveerde wijze dienen opgenomen te worden, is dat van het goede te veel.») Het is evenmin praktisch evident om te verzekeren dat aan alle vormvereisten is voldaan. Zo moest het Hof van Cassatie in een arrest van 6 maart 2023 een beslissing op het zittingsblad van de familierechter in hoger beroep vernietigen omdat de familierechter in hoger beroep die beslissing niet in openbare zitting had uitgesproken zoals wordt vereist door artikel 149 Grondwet en de artikelen 757, § 1 en 780 eerste lid, 5° Gerechtelijk Wetboek - de zaak was overeenkomstig artikel 757 Gerechtelijk Wetboek in raadkamer behandeld, en de beslissing op het zittingsblad was eveneens in raadkamer uitgesproken. (Zie bijvoorbeeld Cass. 6 maart 2023, AR nr. C.22.0307.N, RABG 2023, afl. 15, 1267, noot C. Idomon; RW 2022-23 (samenvatting), afl. 37, 1472; P&B 2023, afl. 2, 80).

Om die reden komt het eerder aangewezen voor, als goede praktijk, om een afzonderlijk vonnis (als instrumentum) op te maken (1) wanneer partijen min of meer omstandig betwisting hebben gevoerd, en een gemotiveerd antwoord verwachten, (2) wanneer te verwachten valt dat partijen hoger beroep of een voorziening in cassatie zullen instellen tegen de beslissing, of (3) wanneer te verwachten valt dat een partij de beslissing zal willen doen uitvoeren.

Er zijn verschillende soorten beslissingen waarover de vraag rijst of ze al dan niet eenvoudig op het zittingsblad kunnen worden genoteerd, dan wel, of het aangewezen is een afzonderlijk vonnis te wijzen.

7. Beslissingen inzake het praktische verloop van de behandeling van de zaak - Het zittingsblad kan als instrumentum geschikt zijn, en misschien beter geschikt dan een afzonderlijk tussenvonnis, in de eerste plaats voor een aantal beslissingen waarmee in wezen werkafspraken met de advocaten en de rechter worden gemaakt, of waarmee anders het praktisch verloop van de behandeling van de zaak wordt geregeld. Voorbeelden zijn:

- beslissingen die verband houden met de zitting of die uit hun aard mondeling ter zitting worden genomen al naargelang de omstandigheden van het moment, zoals de beslissing om de zitting te openen, de beslissing dat de zitting openbaar zal zijn of in raadkamer zal verlopen, om partijen het woord te geven of te ontnemen of te beslissen dat interactief debat zal worden gevoerd (artikel 756ter en 757 Gerechtelijk Wetboek), om de politiemacht ter zitting uit te oefenen (artikel 759 tot 761 Gerechtelijk Wetboek), om advies te vragen en krijgen van het openbaar ministerie (artikel 764 en 765/1 Gerechtelijk Wetboek), om de zitting te schorsen, om de debatten te sluiten, en om de zitting te sluiten (artikel 769 Gerechtelijk Wetboek);

- de beslissing dat een partij om reden van drift of onbekwaamheid zichzelf niet mag verdedigen, wanneer dat zo ter zitting wordt vastgesteld (artikel 758 Gerechtelijk Wetboek);

- de toelating voor de vrederechter, de ondernemingsrechtbank en de arbeidsgerechten aan partijen om zich te laten vertegenwoordigen door hun echtgenoot, hun wettelijk samenwonende of een bloed- of aanverwant houder van een schriftelijke volmacht, bedoeld in artikel 728, § 2 Gerechtelijk Wetboek;

- een aantal beslissingen van inwendige aard, volgens de wet: de bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen (dit zijn de beslissingen van inwendige aard zoals ze niet-exhaustief en niet volledig accuraat worden opgesomd in artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek. Behalve dat een beslissing tot doorhaling niet altijd als een beslissing van inwendige aard kan worden gekwalificeerd, kan een beslissing dat partijen in persoon moeten verschijnen, ook een onderzoeksmaatregel zijn, en naar gelang de omstandigheden ook een ernstige impact op de betrokken partijen hebben - dat zijn omstandigheden waarin het eerder aangewezen is om de beslissing op te nemen in een afzonderlijk vonnis;

- bij de doorhaling moet wel worden opgemerkt dat een beslissing tot doorhaling geen beslissing is van inwendige aard maar een appellabele eindbeslissing als op die wijze ook een feitelijke kwestie of rechtskwestie wordt beslecht - en dat gebeurlijk ook rolrechten moeten worden begroot, en daartoe ook een uitvoerbare titel moet worden verschaft (Cass. 24 oktober 1980, Arr.Cass. 1980-81, 217);

- daarbij aansluitend, de beslissing in familiezaken om vrijstelling te verlenen van de principieel verplichte persoonlijke verschijning bepaald in artikel 1253ter/2 Gerechtelijk Wetboek, zowel op de zitting zelf als voor latere zittingen;

- de beslissingen overeenkomstig artikel 747 Gerechtelijk Wetboek in verband met de instaatstelling van de zaak, voor zover het niet eenvoudiger werken is met een voorgedrukt invulformulier;

- een aantal procesrechtelijke beslissingen, voor zover er weinig of geen betwisting over is, en in het algemeen, wanneer het nodig is om de werkafspraken tussen advocaten en de rechter te documenteren, zoals ook nog de beslissing om zaken samen te voegen of bepaalde vorderingen samen of afzonderlijk te berechten (zie bv. artikel 810 Gerechtelijk Wetboek).

8. Beslissingen inzake burgerlijke onderzoeksmaatregelen - Een volgende categorie van beslissingen die soms eenvoudig kunnen worden genoteerd op het zittingsblad, betreft de burgerlijke onderzoeksmaatregelen. Voor deze beslissingen zijn voornamelijk praktische overwegingen van belang, die afhankelijk zijn van de omstandigheden. Zo kan het zijn dat met externe actoren afspraken zijn gemaakt, waarbij zij onderzoeksmaatregelen verrichten op eenvoudige vraag of e-mail van de griffie, al dan niet met in bijlage een gescande kopie van het proces-verbaal van de zitting, of kunnen advocaten ter zitting melden dat zij op die wijze hun cliënt of een getuige kunnen doen komen verschijnen. (Zo worden de beslissingen van een aantal familierechters om een maatschappelijke onderzoek zoals bedoeld in artikel 1256ter/6 Gerechtelijk Wetboek te bevelen, eenvoudig op het zittingsblad genoteerd, en wordt vervolgens kopie van het proces-verbaal van de zitting overgemaakt aan het betrokken justitiehuis. Uit die dossiers blijkt dat de maatschappelijke onderzoeken dan ook werkelijk worden uitgevoerd, en door het uitsparen van een vonnis kan zo ook een maand tijd worden gewonnen. Andere familierechters maken dan weer een afzonderlijke «beschikking» op, terwijl in andere afdelingen, en in de regel ook in het hof van beroep van Gent, een tussenvonnis wordt gewezen).

Voorbeelden van dergelijke beslissingen, waarbij vaak toch net wel beter met een vonnis wordt gewerkt, zijn:

- opnieuw, de beslissing om de persoonlijke verschijning te bevelen, hetzij de verplichte verschijning overeenkomstig artikel 1253ter/2 Gerechtelijk Wetboek, hetzij de verschijning met het oog op een schriftonderzoek overeenkomstig artikel 884 Gerechtelijk Wetboek, of nog de verschijning op vraag van de rechter overeenkomstig artikel 730/1 Gerechtelijk Wetboek met het oog op verzoening of de verplichte verschijning om te worden verhoord overeenkomstig artikel 992 Gerechtelijk Wetboek; (Zie ook S. Mosselmans, «Persoonlijke verschijning voor de familierechtbank» in P. Senaeve, Handboek familieprocesrecht, Wolters Kluwer Belgium, 2020, 1238 p., nr. 662. Merk op dat het bevel om te worden gehoord niet fysiek of geldelijk wordt afgedwongen (Cass. 18 februari 1988, Arr.Cass. 1987-88, 786, RW 1989-90, 145, noot). Eventueel kan de rechter in lijn met de bepaling met betrekking tot niet-medewerking aan deskundige onderzoeken van artikel 972bis, § 1 Gerechtelijk Wetboek aan het niet-verschijnen wel de gevolgen vastknopen die zich opdringen - partijen zijn immers overeenkomstig artikel 8.4, derde lid van het Burgerlijk Wetboek gehouden om mee te werken aan de waarheidsvinding).

- de beslissing om aan partijen of derden te bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezitten, over te maken wanneer de rechter meent dat daarmee het bewijs kan worden geleverd van een ter zake dienend feit;

- waarbij moet worden opgemerkt dat het in de regel doelmatiger en misschien wettelijker zal zijn om met een vonnis (bedoeld wordt hier: het instrumentum) te werken wanneer overeenkomstig artikelen 877 tot 882 Gerechtelijk Wetboek bewijsmateriaal wordt opgevraagd bij een per hypothese onwillige derde, omdat dan het vonnis (bedoeld wordt hier: het negotium) overeenkomstig artikelen 879 en 880 Gerechtelijk Wetboek ook de identiteit moet vermelden en ter kennis moet worden gebracht aan de derde die het bewijsmateriaal onder zich heeft;

- hetzelfde geldt voor getuigenverhoren overeenkomstig 915 tot 961/3 Gerechtelijk Wetboek;

- de beslissing om een zogenaamde mini-expertise te bevelen, overeenkomstig artikel 986 Gerechtelijk Wetboek; of om aanvullende inlichtingen te vragen overeenkomstig artikel 984 Gerechtelijk Wetboek;

- waarbij moet worden opgemerkt dat het in complexere of technischer zaken of wanneer een volledig deskundig onderzoek moet worden bevolen, vaak louter praktisch aangewezen is om met een vonnis te werken (bedoeld wordt: het instrumentum), omdat het vaak van belang is de onderzoeksopdracht inhoudelijk precies te omschrijven, ten behoeve van de deskundige de standpunten van partijen samen te vatten, termijnen en andere modaliteiten van het deskundig onderzoek te bepalen, beslissingen omtrent het provisioneren van kosten te nemen - en er moet worden voldaan aan de verplichting bepaald in artikel 972, § 1 Gerechtelijk Wetboek om de omstandigheden te vermelden die het deskundig onderzoek noodzaken en de eventuele aanstelling van meerdere deskundigen, enz.;

- de beslissing om een minderjarige te horen, zoals bedoeld in artikel 1004/1 en 1004/2 Gerechtelijk Wetboek (waarna de griffier wel nog een afzonderlijke uitnodiging en het bij koninklijk besluit vastgesteld informatieformulier zal verzenden en niet kan volstaan met kopie van het proces-verbaal van de zitting (zie artikel 1004/2 Gerechtelijk Wetboek en het koninklijk besluit van 28 april 2017 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 juli 2024);

- de beslissing om een plaatsopneming te bevelen overeenkomstig artikel 1007 Gerechtelijk Wetboek (waarbij dan wel van de plaatsopneming zelf een afzonderlijk proces-verbaal wordt opgemaakt);

- de beslissing om overeenkomstig artikel 872 Gerechtelijk Wetboek een politioneel onderzoek te bevelen of overeenkomstig 1256ter/6 Gerechtelijk Wetboek, een maatschappelijk onderzoek te bevelen;

- ...

9. Beslissingen inzake een voorlopige regeling - Een volgende categorie beslissingen betreft de beslissingen die de toestand van partijen voorlopig regelen in de zin van artikel 19, derde lid Gerechtelijk Wetboek, zoals een voorlopige en te evalueren contact- of verblijfsregeling, of een voorlopige onderhoudsregeling. Net zoals bij de meeste beslissingen in verband met werkafspraken en onderzoeksmaatregelen, gaat het hier normaal gezien om beslissingen alvorens verder recht te doen. In veel gevallen zal te verwachten zijn dat partijen de voorlopige beslissing vrijwillig zullen uitvoeren, als zij er al niet mee hebben ingestemd, en het dus eigenlijk om een akkoordvonnis gaat, en zal niet in de lijn der verwachtingen liggen dat een gerechtsdeurwaarder moet worden aangezocht of dat hoger beroep zal worden ingesteld. In die omstandigheden lijkt er weinig bezwaar tegen te bestaan dat bijvoorbeeld een voorlopige en te evalueren verblijfsregeling en onderhoudsregeling, wordt genoteerd op het zittingsblad.

In principe zijn dergelijke beslissingen ook niet vatbaar voor hoger beroep. Artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat - tenzij de rechter anders bepaalt - tegen een beslissing alvorens recht te doen slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis, en ook een akkoordvonnis is in beginsel niet appellabel. (Cass. 20 januari 2023, AR nr. C.22.0194.N, RW 2022-23, afl. 31, 1234; Cass. (voltallige zitting) 11 juni 2021, AR nr. C.17.0412N; Gent (11se) 10 december 2024, RW 2024-25, afl. 39, 1603).

Hierbij moet echter worden opgemerkt dat het niet relevant is hoe een rechter zelf zijn eigen beslissing kwalificeert en dat niet elke beslissing die door de beslisser wordt gekwalificeerd als maatregel alvorens recht te doen, dat ook is. (Zie bijvoorbeeld Antwerpen (B8E3e) 15 november 2023, RW 2023-24, afl. 25, 993; Gent (11se) 4 april 2023, RW 2023-24, afl. 5, 184) Die kwalificatie hangt immers af van de wet en niet van de beslisser. (Cass. 23 oktober 1974, Pas. 1975, I, 230; RW 1974-75, col. 1053, obs.; 6 januari 1975, Pas. 1975, I, 465; JT 1975, p. 225; 21 juni 1976, Pas. 1976, I, 1145; Arbeidshof Luik, 13 maart 1974, Jur. Liège, 1974-1975, p. 122; zie ook: Gent (11ter) 27 oktober 2022, 2022/FA/437, ongepubliceerd; K. Broeckx, «Art. 616» in Comm. Ger., Antwerpen, Kluwer, losbl., nrs. 6, 8 en 10). De kwalificatie door de beslissende rechter is in elk geval niet bindend voor de tweedelijnsrechter of derdelijnsrechter die kennis neemt van het hoger beroep of de voorziening in cassatie tegen de beslissing. Integendeel: indien het zo is dat een beslissing onregelmatig tot stand is gekomen, en al dan niet verkeerd gekwalificeerd, of dat niet aan alle vormvereisten is voldaan (waaraan een correct gekwalificeerde beslissing zou moeten voldoen), dan is dat des te meer reden waarom precies een dergelijke beslissing vatbaar moet zijn voor hoger beroep. Zowel het hof van beroep te Gent als het Hof van Cassatie hebben reeds een hoger beroep, respectievelijk een voorziening in cassatie, tegen een beslissing die op het zittingsblad was genoteerd, ontvankelijk (en gebeurlijk ook gegrond) verklaard. (Zie Cass. 6 maart 2023, AR nr. C.22.0307.N, RABG 2023, afl. 15, 1267, noot C. Idomon; RW 2022-23 (samenvatting), afl. 37, 1472; P&B 2023, afl. 2, 80; zie opnieuw: Gent (11ter) 27 oktober 2022, 2022/FA/437, ongepubliceerd. In de ongepubliceerde zaken Gent (11ter) 27 april 2023, 2022/FA/530 en Gent (11sx) 5 september 2022, 2022/FA/388, zijn hogere beroepen tegen beslissingen die slechts werden genoteerd op het zittingsblad, afgewezen als onontvankelijk, respectievelijk bij gebrek aan belang en omdat het om een hoger beroep tegen een loutere maatregel alvorens recht te doen ging. Zie ook Gent 16 september 2002, RABG 2003, afl. 16, 953. In die laatste zaak heeft de jeugdrechter in hoger beroep het hoger beroep tegen een brief van een consulente van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank, die door de jeugdrechter in eerste aanleg voor «Gezien» was afgetekend, ontvankelijk en gegrond verklaard).

10. Akkoorden - Een laatste soort beslissingen betreft de akkoorden. Hier geldt dat de wilsuiting of de instemming die ter zitting blijkt, in ieder geval steeds kan worden genoteerd - en aan de hand daarvan dan ook bewezen kan worden. Voor veel overeenkomsten is echter meer vereist dan louter een geldige wilsuiting, en ook dat moet geval per geval onderzocht worden. Zo moet de overeenkomst die betrekking heeft op een minderjarig kind, overeenkomstig artikel 1288 Gerechtelijk Wetboek ook aangeven op welke wijze rekening is gehouden met het belang van het kind.

11. Besluit - Elke rechterlijke beslissing moet beogen een deugdelijke beslissing te zijn. Dat geldt zowel voor de inhoud van die beslissing, als de vorm, en dat geldt ook voor de keuze van het instrument van de beslissing. Er is een grote en groeiende vraag naar rechterlijke beslissingen, en de capaciteit om die beslissingen te leveren is beperkt en krimpt. Om die reden moeten rechters, ten behoeve van partijen, spaarzaam zijn met hun eigen capaciteit en die van hun griffiers. Het opmaken van een vonnis als instrument in het burgerlijk procesrecht vraagt de naleving van strikte vormvereisten en behelst een arbeidsintensief en tijdrovend proces. Dat is verantwoord wanneer het nodig is om aan partijen een beslissing te bieden, waarbij hun argumenten zijn beantwoord, en wanneer het vervolgens nodig kan zijn om over te gaan tot uitvoering of om een rechtsmiddel aan te wenden tegen die beslissing. Dat is vaak ook juridisch nodig, omdat een nietige beslissing geen deugdelijke beslissing kan zijn. Behalve het vonnis bestaan ook het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting als instrumenten in het procesrecht. Het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting laten toe om beslissingen sneller en eenvoudiger te documenteren, en dan ook sneller en vlotter beschikbaar te maken voor partijen. Dat maakt die instrumenten geschikter wanneer het gaat om tussenbeslissingen, of om geschilpunten waaromtrent partijen weinig of geen betwisting voeren, of waarvan niet in de lijn van de verwachtingen ligt dat moet worden uitgevoerd of een rechtsmiddel zal worden aangewend. De keuze van het instrument wordt, met inachtneming van de wettelijke vereisten, vooral gemaakt in functie van wat verder met de beslissing moet gebeuren. Bij dat alles moet de beslissende rechter zoals steeds waakzaam zijn voor de deugdelijkheid van zijn beslissingen, procesrechtelijk en proceseconomisch, en voor ogen houden welke actoren nog op welke manier aan de slag zullen moeten met zijn beslissing.

Jelle Flo

(De auteur is familie- en jeugdrechter in het hof van beroep van Gent)

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier