-
Pagina
1435
-
Datum
16 september 2026
-
Datum
Lukas Van Roy
Kanttekening
Het nieuwe boek 6 BW: enkele knelpunten bij de matigingsbevoegdheid ten aanzien van minderjarigen1*
I. Inleiding
A. Nieuwe rechterlijke matigingsbevoegdheid
1. De buitencontractuele aansprakelijkheid van en voor minderjarigen onderging enkele gevoelige wijzigingen met de invoering van boek 6 BW. Zo behoren discussies over de «jaren des onderscheids» tot het verleden dankzij een harde grens van aansprakelijkheid vanaf twaalf jaar (art. 6.9 BW): minderjarigen van minder dan twaalf jaar oud zijn niet langer aansprakelijk, minderjarigen van twaalf jaar en ouder zijn aansprakelijk voor eigen daad en andere tot aansprakelijkheid leidende feiten. Daarnaast verruimde de wetgever de kwalitatieve aansprakelijkheidsgronden waarbij naast de ouders en adoptanten nu ook voogden en pleegzorgers aansprakelijk zijn indien ze gezag hebben over de persoon van de minderjarige (art. 6.12 BW). Dit gaat gepaard met een verstrenging van de regels over de kwalitatieve aansprakelijkheid waarbij die aansprakelijkheid voor minderjarigen jonger dan zestien jaar in een foutloze aansprakelijkheid veranderde.
2. Een echte nieuwigheid vinden we terug in artikel 6.10, tweede lid BW. Met die bepaling introduceerde de wetgever een rechterlijke matigingsbevoegdheid in het aansprakelijkheidsrecht. Die matigingsbevoegdheid vertoont gelijkenissen met artikel 1386bis oud BW, dat in de praktijk vaak als matigingsbepaling werd toegepast. Toch is het onderliggende mechanisme omgekeerd. Artikel 1386bis oud BW moest de positie van benadeelden versterken: personen met een geestesstoornis die schade aanrichtten konden ondanks een gebrek aan aansprakelijkheid toch veroordeeld worden tot een (gedeeltelijke) vergoeding (Stijns S. en Samoy I., Verbintenissenrecht. Boek 1bis, die Keure, 2020, 64). Artikel 6.10, tweede lid BW, daarentegen, zwakt de positie van benadeelden net af. Minderjarigen ouder dan twaalf en personen met een geestesstoornis die in principe tot vergoeding gehouden zijn, kunnen er een beroep op doen om de verschuldigde schadeloosstelling te doen verminderen (tot nul).
3. De matigingsbevoegdheid biedt geen grond van uitsluiting van aansprakelijkheid, maar een uitzondering op het beginsel van integrale schadeloosstelling dat we terugvinden in artikel 6.30 BW. De rechter moet zich bij de toepassing van deze bepaling dan ook terughoudend opstellen. Hoewel de wetgever met de invoering van deze bepaling een nobele doelstelling nastreefde (zie I.B.), doet ze verschillende vragen rijzen. In deze kanttekening bespreek ik enkele van die vragen relevant voor de context van minderjarigen. Die inzichten zijn grotendeels ook van toepassing op personen met een geestesstoornis die een matiging van schadevergoeding genieten (art. 6.11, tweede lid BW). Eerst sta ik kort stil bij de ratio legis van artikel 6.10 BW (I.B.). Daarna behandel ik respectievelijk de knelpunten over het toepassingsgebied van de matigingsbevoegdheid (II.), de uitwerking ervan in situaties van pluraliteit van aansprakelijken (III.) en de rol van de aansprakelijkheidsverzekering bij toepassing van de matigingsbevoegdheid (IV.).
B. Ratio legis artikel 6.10 BW
4. Artikel 6.10 BW2** regelt samen met artikel 6.9 BW de aansprakelijkheid van minderjarigen. Artikel 6.9 BW sluit de aansprakelijkheid van minderjarigen jonger dan twaalf uit. Het steunt op de idee dat «een minderjarige dient beschermd te worden tegen de financiële gevolgen van de handelingen die hij heeft gesteld op het ogenblik dat hij nog niet schuldbekwaam was» (Toelichting bij het wetsvoorstel houdende boek 6 «Buitencontractuele aansprakelijkheid» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2022-2023, 8 maart 2023, nr. 3213/1, 58 (hierna: Toelichting boek 6 BW)). Dat idee van financiële bescherming trekt de wetgever door in artikel 6.10 BW. Hij gaat ervan uit dat minderjarigen ouder dan twaalf wel degelijk controle hebben over hun daden en zich bewust zijn van de gevolgen van hun handelingen, maar wil deze categorie van schadeverwekkers niet ongeremd aansprakelijk stellen. Zo wil hij vermijden dat de aansprakelijke minderjarige een levenslange financiële last met zich zal meedragen (Toelichting boek 6 BW, 58-59).
5. De financiële draagkracht van de minderjarige is dus van essentieel belang bij de toepassing van de matigingsbevoegdheid. Dat blijkt ook letterlijk uit artikel 6.10, tweede lid BW: «[de rechter] doet uitspraak naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de economische en financiële toestand van de partijen» (eigen benadrukking). Dat mag echter niet de enige overweging zijn. Bij de matiging staat een afweging tussen de belangen van beide partijen centraal.
II. Toepassingsgebied: wanneer moet de schadeverwekker minderjarig zijn?
6. Een eerste knelpunt slaat op het toepassingsgebied van artikel 6.10 BW. De wettekst laat de rechter toe om de schadevergoeding verschuldigd door de minderjarige te beperken. Het is echter onduidelijk op welk moment de aansprakelijke minderjarig moet zijn om zich erop te kunnen beroepen. Moet het artikel ruim geïnterpreteerd worden zodat het ook toepassing vindt op schadeverwekkers die minderjarig waren op het moment van de feiten (i.e. het veroorzaken van de schade), maar niet op het moment van de uitspraak? Of moet het strikt geïnterpreteerd worden en is matiging enkel voorbehouden voor schadeverwekkers die minderjarig zijn op het moment van de uitspraak?
7. De geest van deze bepaling (supra nr. 4) wijst in de richting van een ruime interpretatie waarbij matiging mogelijk is voor alle schadeverwekkers die minderjarig waren op het moment van de feiten. Het laat toe om de (zware) financiële gevolgen van een «stommiteit» begaan tijdens hun jeugd te verzachten. De inmiddels meerderjarige zal in veel gevallen trouwens niet over meer middelen beschikken dan die waarover hij beschikte toen hij minderjarig was. Denk aan de zeventienjarige die schade aanricht en pas op zijn negentien berecht wordt. Die negentienjarige is, net zoals een aanzienlijk aandeel van zijn leeftijdsgenoten, gaan studeren en daarom nog niet actief op de arbeidsmarkt. Zijn economische en financiële situatie zal niet aanzienlijk verbeterd zijn sinds hij zeventien was. Zelfs indien jongvolwassen schadeverwekkers zich na hun middelbare studies meteen naar de arbeidsmarkt begaven, kan men zich afvragen of ze al over voldoende middelen beschikken om een hoge schadevergoeding te betalen.
8. Ook vanuit procesrechtelijk oogpunt verdient de matigingsbevoegdheid een ruime interpretatie. Dat wordt duidelijk wanneer de schadeverwekker minderjarig is op het moment van de uitspraak in eerste aanleg, maar meerderjarig zou zijn op het moment van de uitspraak in beroep. Bij een strikte interpretatie van de matigingsbevoegdheid zou de schadevergoeding kunnen worden gematigd in eerste aanleg, maar niet in beroep. Schadeverwekkers zouden daardoor kunnen aarzelen om een rechtsmiddel aan te wenden en in beroep te gaan tegen hun veroordeling. Die situatie druist mogelijks in tegen het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
9. De Toelichting bij boek 6 BW wijst ook in de richting van een ruime interpretatie: «Wanneer een minderjarige van twaalf jaar of meer schade veroorzaakt door de schending van een specifieke wettelijke gedragsregel of van de algemene zorgvuldigheidsnorm, kan de rechter hem of haar vrijstellen van aansprakelijkheid of veroordelen tot gedeeltelijke schadeloosstelling» (Toelichting boek 6 BW, 58, eigen benadrukking). Net zoals dat het geval is voor de uitsluiting van aansprakelijkheid van minderjarigen jonger dan twaalf, ligt het zwaartepunt op de leeftijd die de schadeverwekker had op het moment van het veroorzaken van de schade.
10. De ruime interpretatie van artikel 6.10, tweede lid BW kan een ongelijkheid creëren tussen schadeverwekkers die meerderjarig zijn op het moment van de uitspraak. De ene, die de feiten pleegde toen hij minderjarig was, kan een matigingsbevoegdheid genieten, en de andere, die de feiten pleegde toen hij meerderjarig was, niet. Hun financiële situatie kan echter sterk gelijklopen.
De strikte interpretatie zou echter een nog moeilijker te verantwoorden onderscheid creëren. Schadeverwekkers die minderjarig waren op het moment van de feiten, zouden anders behandeld worden naargelang hun leeftijd op het moment van de uitspraak. Dat onderscheid in behandeling is des te onwenselijker indien beide categorieën van schadeverwekkers zich in gelijkaardige (financiële) situaties bevinden, maar de ene zich vanwege zijn meerderjarigheid niet langer kan beroepen op de matigingsbevoegdheid.
11. De eenvoudigste manier om een onderscheid tussen schadeverwekkers op grond van leeftijd te voorkomen is door de matigingsbevoegdheid te veralgemenen. Matiging zou dan niet enkel openstaan voor minderjarigen met beperkte financiële draagkracht, maar ook voor meerderjarige schadeverwekkers in een gelijkaardige situatie. Een uitvoerige omschrijving van de elementen die een algemene matigingsbevoegdheid verantwoorden en de concrete vormgeving van zo’n matigingsbevoegdheid vallen buiten het bestek van deze kanttekening. Het maakt het onderwerp uit van mijn lopend doctoraatsonderzoek.
III. Pluraliteit van aansprakelijken
12. Een tweede knelpunt betreft de rol van de rechterlijke matigingsbevoegdheid bij pluraliteit van aansprakelijken. We moeten verschillende situaties van elkaar onderscheiden.
1° Samenloop persoonlijke aansprakelijkheid minderjarige en mede-aansprakelijke(n)
13. Het is ten eerste mogelijk dat de minderjarige samen met anderen moet opdraaien voor de schade. Dat kan een mede-aansprakelijke zijn die persoonlijk aansprakelijk is of een kwalitatief aansprakelijke die instaat voor de minderjarige op grond van artikel 6.12 tot 6.14 BW. In die situaties speelt artikel 6.19 BW en geldt er een in-solidum-gehoudenheid tussen de minderjarige en de mede-aansprakelijke(n). De benadeelde kan - met het oog op een ruime bescherming - alle aansprakelijken voor het geheel van de schade aanspreken. De vraag is welke impact de matiging heeft op situaties van in-solidum-gehoudenheid, m.n. hoe ze uitwerking krijgt in de verhouding tot de benadeelde en of ze doorwerkt in de verhouding tussen mede-aansprakelijken onderling. De algemene principes van de in-solidum-gehoudenheid uit boek 5 BW (art. 5.168 en 5.169 BW en de bepalingen waarnaar ze verwijzen) voorzien namelijk niet in expliciete regels voor de minderjarige wiens vergoedingsplicht gematigd werd.
14. Hieronder licht ik eerst toe hoe de figuur van matiging precies uitwerking moet krijgen in situaties van pluraliteit van aansprakelijken (a. en b.). Vervolgens licht ik toe waarom die oplossing moeilijk in te passen is in het bestaande verbintenisrechtelijke kader en ze een afwijking van de principes van in-solidum-gehoudenheid vereist (c.).
Om de problematiek en de voorgestelde oplossingen op scherp te stellen, hanteer ik een cijfermatig voorbeeld. Een benadeelde lijdt 100 schade. De schade werd veroorzaakt door 5 mede-aansprakelijken, waaronder 1 minderjarige. Voor de eenvoud van het voorbeeld gaan we ervan uit dat het causale aandeel in de schade van elk van de mede-aansprakelijken gelijk is. Elk van hen is in de onderlinge verhouding dus in principe gehouden tot een bedrag van 20. Omdat de benadeelde bijzonder vermogend is en de minderjarige niet, besluit de rechter de schadeloosstelling die de minderjarige verschuldigd is, te matigen tot 10.
a. Uitwerking matiging in verhouding tot de benadeelde
15. De rechter matigt de «door [de minderjarige] verschuldigde schadeloosstelling». Daaronder moeten we het bedrag verstaan dat de benadeelde kan opeisen in de verhouding tot de minderjarige en niet het loutere aandeel van de minderjarige in de schadeloosstelling (dit inzicht heb ik te danken aan em. prof. dr. Hubert Bocken). De benadeelde kan van de minderjarige na matiging dus slechts het gematigde bedrag vorderen, i.c. 10. De facto komt dit neer op het wegvallen van de in-solidum-gehoudenheid van de minderjarige ten aanzien van de benadeelde. De resterende som (i.c. 90) zal de benadeelde moeten vorderen bij (een van) de andere schuldenaar(s). De in-solidum-gehoudenheid blijft wel deels bestaan indien het bedrag van de matiging het aandeel van de minderjarige in de onderlinge verhouding tussen medeschuldenaars zou overschrijden (bv. i.c. een matiging tot 30).
16. Die zienswijze garandeert een verwezenlijking van de doelstelling van artikel 6.10 BW. De verhaalsmogelijkheden van de benadeelde worden wel ingeperkt, maar dat is verantwoord gelet op het uitzonderlijke karakter van de matiging. De rechter past die namelijk met terughoudendheid toe en matiging is uitgesloten wanneer er effectieve dekking is door een verzekeraar. Naar verwachting zullen rechters daarom slechts in uitzonderlijke gevallen een schadevergoeding matigen. In die uitzonderlijke gevallen is het, na een zorgvuldige afweging van álle omstandigheden, te verantwoorden dat de benadeelde geen verhaal heeft voor het geheel tegen de minderjarige. De benadeelde beschikt wel nog steeds over de vorderingen tegen de mede-aansprakelijken. Die vorderingen lijken vanwege hun impact op de economische en financiële toestand van de benadeelde relevant voor het oordelen over de wenselijkheid van de matiging.
17. Medeschuldenaren kunnen de matiging ten gunste van de minderjarige niet tegenwerpen aan de benadeelde wanneer zij tot vergoeding worden aangesproken. De matiging is namelijk nauw verbonden met de concrete omstandigheden waarin de minderjarige en de benadeelde zich bevinden. Er was geen afweging tussen de belangen van de benadeelde en die van de andere mede-aansprakelijken (supra nr. 5).
Bovendien was de bedoeling van de wetgever bij het vaststellen van de kwalitatieve aansprakelijkheid om ervoor te zorgen dat slachtoffers van schadegevallen veroorzaakt door minderjarigen een solvabele persoon kunnen aanspreken (Toelichting boek 6 BW, 61-62, 67 en 70). Deze doelstelling zou niet bereikt worden indien deze categorieën van aansprakelijken toch een beroep kunnen doen op de matiging en zo zouden ontsnappen aan een integrale gehoudenheid ten aanzien van de benadeelde. Dit ligt in lijn met de toepassing van artikel 1386bis oud BW. Die bepaling kon ook enkel ingeroepen worden door de personen met een geestesstoornis en niet door diegenen die voor hen moesten instaan (Dubuisson B., Callewaert V., De Coninck B. e.a., Droit de la responsabilité civile: chronique de jurisprudence 2008-2020: Volume 1, Larcier, 2023, 108, nr. 72).
b. Doorwerking matiging in verhouding tussen mede-aansprakelijken onderling?
18. In de verhouding tussen mede-aansprakelijken onderling kan diegene die door de benadeelde voor het geheel werd aangesproken regres uitoefenen tegen zijn medeschuldenaren. Wie kwalitatief en foutloos aansprakelijk is voor de minderjarige (titularissen van het gezag over de minderjarige jonger dan zestien en aanstellers) kan regres uitoefenen voor het geheel van de betaalde vergoeding (art. 6.21, § 2, tweede lid BW; Jafferali R., «La causalité» in George F., Jafferali R. en Colson P. (eds.), Manuel de droit de la responsabilité civile: 2e édition, Anthemis, 2025, (173) 239-240, nr. 210). Wie kwalitatief aansprakelijk is voor de minderjarige doordat hij, afhankelijk van de grondslag van aansprakelijkheid, geen fout of fout in toezicht kon weerleggen, kan dat op basis van artikel 6.21, § 1 BW. Het regres slaat dan niet op de gehele vergoeding, maar de vergoeding na aftrek van het aandeel van de schade waartoe hij op basis van zijn eigen fout heeft bijgedragen (Auvray F. en Jafferali R., «Une cure de jouvence pour le droit de la responsabilité. Le Livre 6 du nouveau Code civil (deuxième partie)», TBBR 2025/9, (498) 550). Hetzelfde geldt voor andere mede-aansprakelijken die kwalitatief aansprakelijk zijn.
19. Bij een matiging tot een bedrag dat hoger is dan het aandeel van de minderjarige in de verhouding tussen mede-aansprakelijken, is er geen probleem (bv. een matiging tot 50, met een bijdrage in de onderlinge verhouding van 20). Wanneer echter, zoals in het voorbeeld hierboven, het gematigde bedrag lager is dan het aandeel van de minderjarige in de onderlinge verhouding, rijst de vraag of het regres tegen de minderjarige geldt ten belope van diens aandeel (i.c. 20) dan wel van het gematigde bedrag (i.c. 10).
Als de minderjarige de matiging zou kunnen tegenwerpen aan de medeschuldenaren, dan zou de medeschuldenaar die door de benadeelde voor het geheel werd aangesproken, slechts regres ten belope van 10 kunnen uitoefenen tegen de minderjarige. De tegenwerpelijkheid van de matiging aan medeschuldenaren strookt echter niet met het idee dat de matiging steunt op een concrete belangenafweging tussen partijen. De rechter die matigt, maakte een afweging tussen de belangen van de benadeelde en de minderjarige, en niet tussen die van de medeschuldenaar en de minderjarige.
20. De matiging werkt daarom niet automatisch door in de verhouding tussen mede-aansprakelijken onderling. Hierbij moeten we geen onderscheid maken tussen medeschuldenaren die op basis van een eigen fout dan wel kwalitatief aansprakelijk zijn. De minderjarige die zich ten aanzien van de mede-aansprakelijken toch op de matiging wil beroepen, zal dat uitdrukkelijk moeten vragen aan de rechter. Dezelfde benadering geldt in het Nederlandse recht, waar er al langer een algemene matigingsbevoegdheid is (art. 6:109 Nederlands Burgerlijk Wetboek; van den Berg L.M., «Art. 6:109 BW» in Groene Serie: Verbintenissenrecht, Wolters Kluwer, 2025, aant. 5).
21. Een fictief voorbeeld illustreert dit principe. Een zeventienjarige, wiens ouders wegens hun laag inkomen geen familiale verzekering afsloten (i.e. een BA privéleven zoals geregeld door het KB van 12 januari 1984), rijdt met een meerderjarige vriend rond op de zeedijk in een gocart. In hun enthousiasme rijden ze een sportwagen aan die geparkeerd staat op de zeedijk. De zeventienjarige heeft echter weinig financiële middelen. Omdat de bestuurder van de sportwagen heel vermogend is, matigt de rechter de vergoeding die de minderjarige verschuldigd is.
De benadeelde zal de minderjarige slechts kunnen aanspreken voor het gematigde bedrag. Wellicht zal hij zich dus eerder richten tot de meerderjarige mede-aansprakelijke die echter ook geen familiale verzekering heeft. De meerderjarige die de benadeelde vergoedde, zal regres uitoefenen tegen de minderjarige voor diens aandeel. Het zou onbillijk zijn om de meerderjarige - die zelf ook weinig vermogend is - zomaar te laten opdraaien voor een deel van de schade dat zijn aandeel overstijgt. Het is aan de rechter om na te gaan of de minderjarige ook ten aanzien van de meerderjarige mede-aansprakelijke matiging kan genieten.
22. Dan rest er nog de vraag naar het lot van het gematigde deel van de schadevergoeding indien de rechter wel degelijk matigt in de verhouding tussen mede-aansprakelijken onderling. In principe kan dat aandeel van de schadevergoeding niet bij de mede-aansprakelijke blijven liggen. Toch zal dat het geval zijn als alleen zij samen met de minderjarige aansprakelijk zijn. Indien er nog andere medeschuldenaren zijn, lijkt de meest billijke oplossing om deze situatie te behandelen als een situatie van insolvabiliteit van een van de schuldenaren (i.c. de minderjarige). Net zoals bij insolvabiliteit valt het vermogen van een van de schuldenaren (deels) weg. Een toepassing naar analogie van artikel 5.164, § 3 BW leidt dan tot een resultaat waarbij de gematigde overschot verdeeld wordt over de solvabele schuldenaren.
c. Verbintenisrechtelijke kwalificatie matiging?
23. Een juridisch-technische verklaring voor het bovenstaande ligt niet voor de hand. De matiging beschouwen als een zuiver persoonlijke exceptie in de zin van artikel 5.162, § 1 BW, kan verklaren waarom de benadeelde de minderjarige ondanks de in-solidum-gehoudenheid niet voor het geheel van de schade kan aanspreken. Als we die logica doortrekken, dan zou de minderjarige zich er volgens artikel 5.164, § 2, tweede lid BW echter ook op kunnen beroepen ten aanzien van zijn medeschuldenaren. Dat is niet verzoenbaar met de doelstelling van de wetgever noch met de aard van de matiging.
24. Bovendien bestaat een «matigingsexceptie» pas na een definitieve rechterlijke uitspraak over een vordering tot schadevergoeding. De matiging volgt niet automatisch uit een rechtsregel waarop de minderjarige zich kan beroepen op het moment hij tot schadeloosstelling aangesproken wordt. De matiging lijkt een afwijking van de principes van in-solidum-gehoudenheid te vereisen op grond van de aard of strekking, of het eigen regime van de verbintenis (art. 5.169, eerste lid BW).
2° Samenloop eigen fout minderjarige benadeelde en aansprakelijke
25. Een tweede situatie van pluraliteit doet zich voor wanneer de minderjarige schade lijdt, maar zelf een aandeel heeft in het ontstaan van die schade. Die minderjarige (ouder dan twaalf) ziet zijn recht op schadeloosstelling verminderd in de mate waarin zijn aansprakelijkheid heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade (art. 6.20, § 1 BW). Dit leidt tot de vraag of de minderjarige via een beroep op de matiging de vermindering van de schadevergoeding kan inperken.
26. Volgens Auvray en Jafferali kan dat en zou een uitsluiting van de matiging zelfs tot een ongelijke behandeling leiden tussen minderjarigen die schade aanrichten aan derden en diegenen die schade aanrichten aan zichzelf (Auvray F. en Jafferali R., «Une cure de jouvence pour le droit de la responsabilité. Le Livre 6 du nouveau Code civil (deuxième partie)», TBBR 2025/9, (498) 548; Jafferali R., «La causalité» in George F., Jafferali R. en Colson P. (eds.), Manuel de droit de la responsabilité civile: 2e édition, Anthemis, 2025, (173) 231-232).
27. Toch zijn er verschillende argumenten die een tegenovergestelde oplossing rechtvaardigen. Ten eerste is de matiging geen (gedeeltelijke) bevrijding van aansprakelijkheid. Volgens artikel 6.10, eerste lid BW is de minderjarige ouder dan twaalf jaar wel degelijk aansprakelijk. Ten tweede bevinden de twee categorieën van minderjarigen die Auvray en Jafferali vermelden, zich in verschillende situaties. De ene zal een deel van zijn vermogen moeten afdragen om de schade aan het vermogen van een derde te vergoeden, de andere is deels zelf aansprakelijk voor de aantasting van zijn eigen vermogen. In de eerste situatie is de schadevergoeding een vermogensverschuiving van de minderjarige naar de benadeelde. Dankzij de matigingsbevoegdheid kan de rechter vermijden dat die vermogensverschuiving een nieuw onevenwicht in het leven roept die de toekomst van de minderjarige kan hypothekeren. In het tweede geval is er echter geen vermogensverschuiving. Dat een minderjarige zich dan niet kan beroepen op de matiging, valt te verklaren vanuit het basisprincipe dat the loss lies where it falls.
Bovendien is er in artikel 6.10 BW sprake van een vergoeding verschuldigd door de minderjarige. In de situatie van artikel 6.20, § 1 BW is de minderjarige zelf geen vergoeding verschuldigd. Artikel 6.20, § 1 BW heeft louter tot gevolg dat de causale bijdrage van de minderjarige in aanmerking genomen wordt voor het bepalen van de vergoeding verschuldigd door de schadeverwekker. Als een rechter dan toch toepassing maakt van de matigingsbevoegdheid, zou hij inwerken op het oorzakelijk verband tussen de fout van de minderjarige en zijn schade. Zo’n toepassing overschrijdt het toepassingsgebied van artikel 6.10 BW, dat louter slaat op de omvang van de verschuldigde vergoeding.
Ten slotte moet de matigingsbevoegdheid met terughoudendheid worden toegepast. Is het dan te verantwoorden dat het vermogen van de minderjarige beschermd wordt indien hij het zelf beschadigt? Tegenover de benadeelde minderjarige staat namelijk een schadeverwekker die zonder verklaring zou moeten opdraaien voor een deel van de vergoeding dat zijn aandeel in het ontstaan van de schade overstijgt. De bovenstaande argumenten verhinderen de toepassing van de matiging wanneer de minderjarige mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van zijn schade (zie ook Joisten C., « L’exonération du gardien de l’animal : les subtilités de l’article 6.17 (noot onder Cass. 25 oktober 2024)», For.Ass. 2025/250, (18) 22).
IV. Verzekering
1° Inperking tegenstelbaarheid excepties BA-privéleven
28. Ten derde rijzen er enkele vragen bij het verzekeringsaspect vervat in artikel 6.10 BW. De rechter kan namelijk niet matigen tot een bedrag lager dan het bedrag dat effectief wordt gedekt door verzekering (art. 6.10, derde lid BW). De effectieve dekking komt neer op de vraag of de verzekeraar dekking moest verlenen voor de aansprakelijkheid van de minderjarige (Toelichting boek 6 BW, 59). Hieronder licht ik dit aspect van de matigingsbevoegdheid toe met een focus op de verzekering BA-privéleven.
29. Effectieve dekking is er in principe niet bij opzet. Ook voor grove schuld kan de verzekeraar dekking uitsluiten (art. 62, respectievelijk eerste en tweede lid van de wet betreffende verzekeringen (hierna: W.Verz.); Jocque G., De verzekerde en de benadeelde in de aansprakelijkheidsverzekering, Intersentia, 2016, 391 en 405). De minderjarige kan zich in die gevallen, bij gebrek aan effectieve dekking, beroepen op de matiging. De wet sluit matiging namelijk niet uit bij opzet of grove schuld (Toelichting boek 6 BW, 58). Uiteraard is de kans op matiging wel klein omdat de graad van opzet, zoals in Nederland, een belangrijk beoordelingselement lijkt te zijn voor de toepassing ervan.
Volgens Vansweevelt en Weyts sluit de wetgever in de toelichting matiging wel altijd uit bij opzet (Vansweevelt T. en Weyts B., Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Larcier Intersentia, 2025, 218). Ik sluit me niet aan bij die lezing van de wet. De wetgever bepaalde inderdaad dat «[e]en lichte fout of foutloze aansprakelijkheid eerder aanleiding [kan] geven tot vrijstelling of matiging dan een opzettelijke fout of foutaansprakelijkheid», maar lijkt met die formulering de matiging niet automatisch uit te sluiten bij opzet .
Het principiële gebrek aan dekking bij opzet en grove schuld verdient enige nuance. In de praktijk bieden veel verzekeraars BA privéleven namelijk toch dekking voor de opzettelijke fout van minderjarigen (meestal tot 16 jaar). Ook verschillende gevallen van zware fout van minderjarigen worden door veel verzekeraars gedekt. In sommige polissen sluiten verzekeraars het verhaal tegen minderjarigen bovendien uit, of perken ze het in verre mate in (Van Schoubroeck C., «Minderjarigen en verzekering van opzettelijk veroorzaakt schadegeval en zware fout» in Kruithof M. en Rogge J. (eds.), Over verzekerings- en vervoerrecht te land, ter zee en in de lucht: Liber amicorum Kris Bernauw, Intersentia, 2024, 223-226).
30. Met boek 6 BW kwam er ook een wijziging van artikel 151, § 2 W.Verz. De verzekeraar BA-privéleven kan het opzet of de grove schuld van de minderjarige niet langer tegenwerpen aan de benadeelde die een rechtstreekse vordering instelt volgens artikel 150 W.Verz. De verzekeraar die geconfronteerd wordt met zo’n rechtstreekse vordering, moet de matiging ten voordele van de minderjarige kunnen inroepen. De verzekeraar is namelijk slechts gehouden ten belope van de aansprakelijkheidsschuld van de minderjarige (Jocque G., De verzekerde en de benadeelde in de aansprakelijkheidsverzekering, Intersentia, 2016, 248). Die schuld zal, door de invoering van de matigingsbevoegdheid, niet steeds overeenstemmen met een integrale schadeloosstelling.
Natuurlijk hangt de toepassing van de matiging af van de vraag of er effectieve verzekeringsdekking is. De rechter moet daarvoor in de vermelde situatie nagaan of de verzekeraar een verhaalsrecht heeft en of hij dat zal uitoefenen tegen de minderjarige. Die verhaalsmogelijkheid en het voornemen van de verzekeraar om zich erop te beroepen zullen echter snel duidelijk worden doordat artikel 152, tweede lid W.Verz. de verzekeraar verplicht om er kennis van te geven zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is.
De verzekeraar zal wel de integrale schade moeten vergoeden indien de rechtstreekse vordering steunt op de kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouders van de minderjarige.
2° Verhaal of subrogatie door de verzekeraar
31. Wanneer de verzekeraar de benadeelde vergoedde zonder dat hij daartoe verplicht was in zijn verhouding met de verzekeringnemer of de verzekerde, kan hij verhaal uitoefenen tegen de minderjarige. Dat kan bij opzet (art. 62, eerste lid W.Verz.) of grove schuld (art. 62, tweede lid W.Verz.), indien dat bedongen werd in het verzekeringscontract (art. 152, eerste lid W.Verz.).
Daarnaast kan de verzekeraar in beperkte gevallen ook over een subrogatoire vordering beschikken tegen de minderjarige wanneer hij de benadeelde vergoedde op basis van de kwalitatieve aansprakelijk van bijvoorbeeld diens ouders of de aansprakelijkheid van mede-aansprakelijken. Daarvoor is wel vereist dat de minderjarige opzettelijk handelde en geen verzekerde is onder diezelfde verzekeringsovereenkomst (art. 95 W.Verz.; Amankwah J., «De impact van het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht op de verzekeringssector», RW 2024-25/88, (1122) 1138).
Dat doet de vraag rijzen of de minderjarige zich ook ten aanzien van de verzekeraar kan beroepen op een matiging van schadevergoeding. Vanuit de ratio legis van artikel 6.10 BW zou het wenselijk zijn om ook voor die vorderingen een matiging van de vergoeding verschuldigd door de minderjarige aan de verzekeraar toe te laten. Juridisch-technisch lijken de mogelijkheden echter beperkt. We moeten een onderscheid maken tussen het verhaalsrecht en de subrogatoire vordering.
32. Het verhaalsrecht van de verzekeraar is een zuiver contractuele vordering (Fontaine M., Verzekeringsrecht, Larcier, 2017, 629-630). Daarop vindt artikel 6.10 BW geen toepassing. Door de opheffing van het samenloopverbod zou de verzekeraar wel een buitencontractuele vordering kunnen instellen, voor zover de voorwaarden voor aansprakelijkheid zijn voldaan (art. 6.3 BW). Dan zou artikel 6.10 BW toepassing vinden, al is het weinig waarschijnlijk dat een verzekeraar voor die piste kiest.
De verzekeraar die de benadeelde integraal vergoedde, zou de vergoeding betaald zonder dekkingsplicht in principe dus volledig kunnen verhalen op de minderjarige. Daardoor komt de financiële last alsnog bij de minderjarige te liggen. Voor de verzekering BA privéleven vangt een wettelijke beperking van het verhaals- en subrogatierecht van de verzekeraar het gebrek aan matigingsmogelijkheid wel op, al ligt die beperking op 31.000 euro (art. 7 van het KB van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten BA privéleven). Een buitensporige financiële belasting van de minderjarige kan efficiënter vermeden worden door de matiging reeds toe te laten in het kader van de rechtstreekse vordering (supra nr. 30).
33. De toepassing van de matiging in situaties van subrogatie is minder duidelijk. De subrogatie houdt in dat de vordering van de verzekerde (i.c. meestal de kwalitatief aansprakelijke ouders) overgaat op de verzekeraar die de benadeelde vergoedde (Fontaine M., Verzekeringsrecht, Larcier, 2017, 520). De aard van de vordering waar de verzekeraar zich op beroept, is dezelfde als die waarover de verzekerde beschikte. Het gaat dus om een buitencontractuele vordering (Boone I., Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 365-366). De minderjarige waartegen de verzekeraar zich richt, zou zich bijgevolg kunnen beroepen op de matiging. Dat strookt met de principiële gevolgen van de subrogatie volgens welke de vordering overgaat met al haar kenmerken en toebehoren (Schuermans L. en Van Schoubroeck C., Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Intersentia, 2015, 812).
Daarbij duiken echter twee moeilijkheden op. Ten eerste is er vaak een verschil tussen de financiële situatie van de gesubrogeerde verzekeraar en de oorspronkelijke schuldeiser, de verzekerde. De verzekeraar beschikt ten opzichte van de minderjarige in de regel over meer financiële draagkracht, waardoor het waarschijnlijker is dat de rechter de vergoeding matigt. Er is dus een grote kans dat verzekeraars systematisch «verlies» lijden doordat ze de schade integraal vergoeden, maar slechts een deel ervan kunnen terugvorderen. Dat verlies kan leiden tot een afwenteling ervan op de groep verzekeringsnemers en een verhoging van de premies. Ten tweede kan de gesubrogeerde verzekeraar in principe enerzijds niet méér vragen dan wat de verzekerde had kunnen vorderen, maar anderzijds ook niet minder krijgen dan het bedrag dat de verzekerde had kunnen vorderen van de minderjarige schadeverwekker (Boone I., Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 374).
34. De best passende oplossing lijkt dus om de rechter het bedrag van subrogatoire vorderingen indien mogelijk te laten matigen op basis van een afweging tussen de situatie van de verzekerde (vaak de kwalitatief aansprakelijke ouders) en de minderjarige schadeverwekker. Die oplossing is echter niet loepzuiver omdat ze ingaat tegen het principe dat de matiging berust op een belangenafweging tussen de betrokken partijen (supra nr. 5). Ook vanuit bewijsrechtelijk oogpunt is deze oplossing niet ideaal. De derde minderjarige zal namelijk de financiële situatie van de verzekerde moeten bewijzen in de procedure tegen de gesubrogeerde verzekeraar.
3° Gebrek aan verplichte of gebruikelijke verzekering(sdekking)
35. Een laatste knelpunt slaat op de vraag of het gebrek aan verplichte of gebruikelijke verzekering(sdekking) een relevante omstandigheid is ter beoordeling van de matiging. Vaak zal er namelijk sprake zijn van dekking door de WAM-verzekeraar of de verzekeraar BA privéleven. Omdat die eerste verplicht en laatste breed verspreid is (Toelichting boek 6 BW, 65), rijst de vraag of de rechter ook rekening kan houden met het feit dat een verzekering(sdekking) verplicht of gebruikelijk is, maar niet werd afgesloten. Zou hij de matiging kunnen afwijzen omdat de ouders van de minderjarige geen WAM-verzekering of familiale verzekering afsloten? De situaties waarin er geen verzekering is, zullen een van de uitzonderlijke gevallen zijn waarin de vraag naar matiging zich stelt. In het grootste deel van de andere gevallen sluit verzekeringsdekking de matiging uit.
36. Het is echter niet billijk om het gebrek aan verplichte of gebruikelijke verzekering in het nadeel van de minderjarige te laten gelden. Enkel ontvoogde minderjarigen kunnen zelf overgaan tot het sluiten van een verzekering, wat als een daad van beheer beschouwd wordt (art. 481 oud BW; Roodhooft J. en Wuyts T., «Art. 481 B.W» in X., Personen en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer, 2006, III-B; Schuermans L. en Van Schoubroeck C., Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Intersentia, 2015, 305). Meestal vallen minderjarigen onder de verzekering van hun ouders. Men kan hen dus bezwaarlijk verwijten dat er geen verzekeringsdekking is. Bovendien is de oorzaak van het gebrek aan een gebruikelijke verzekering niet steeds nalatigheid. Zo kan men betrokkenen niet verwijten dat ze geen vrijwillige verzekering afsluiten omdat ze niet over de vereiste financiële middelen beschikken. Het is aan de rechter om op basis van de concrete omstandigheden te oordelen over de matiging.
V. Conclusie
37. Het aansprakelijkheidsrecht onder boek 6 BW is duidelijker gearticuleerd dankzij een aanzienlijke toename in het aantal bepalingen. Door de invoering van enkele nieuwigheden rijzen er wel verschillende uitdagende vragen. Een aantal van die vragen slaat op de rechterlijke matigingsbevoegdheid. Het antwoord erop kan men niet afleiden uit een loutere lezing van de wettekst. Ook het bestaande verbintenisrechtelijke kader laat niet toe om de toepassing van de matigingsbevoegdheid volledig uit te klaren.
38. Naar alle waarschijnlijkheid zal er slechts op uitzonderlijke wijze gebruikgemaakt worden van de matigingsbevoegdheid. Vaak zal er namelijk effectieve dekking zijn door een verzekeraar. Wanneer de rechter wel kan matigen, moet hij zich terughoudend opstellen. Toch is het belangrijk om de verschillende vragen die rijzen uit te klaren en de aspecten van de matiging verder te verfijnen om er op een correcte en doordachte wijze gebruik van te kunnen maken. Uiteindelijk is het aan de rechtspraak en de wetgever om die taak te vervullen. Met de argumenten en inzichten hierboven hoop ik alvast een eerste aanzet te hebben gegeven om naar een verfijning toe te werken.
Lukas Van Roy, doctoraatsassistent Instituut voor Verbintenissenrecht KU Leuven
1 * Graag wil ik em. prof. dr. Hubert Bocken, prof. dr. Ilse Samoy en prof. dr. Caroline Van Schoubroeck hartelijk bedanken voor de gedachtewisselingen die hielpen om mijn inzichten over dit onderwerp op scherp te stellen.
2 ** Art. 6.10 BW: «De minderjarige van twaalf jaar of meer is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.De rechter kan echter oordelen dat de minderjarige geen schadeloosstelling verschuldigd is of de door hem verschuldigde schadeloosstelling beperken. Hij doet uitspraak naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de economische en financiële toestand van de partijen.Wanneer de aansprakelijkheid van de minderjarige gedekt is door een verzekeringsovereenkomst, kan de rechter niet oordelen dat geen schadeloosstelling verschuldigd is, noch deze beperken tot een bedrag dat lager is dan dat waarvoor deze verzekeringsovereenkomst dekking verleent.».