• Pagina

    998


  • Datum

    16 april 2026


  • Datum

    F.Joosten


Rechtskundig Weekblad

Verslag van de jaarvergadering van de Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland, Afdeling Strafrecht (Antwerpen, 21-22 november 2025)

Femke JOOSTEN*

Dit1 jaar boog de Afdeling Strafrecht zich over de herziening in strafzaken in België en Nederland. De vergadering deed dit aan de hand van twee preadviezen. Het Belgische preadvies werd geschreven door Steven Van Overbeke (raadsheer in het Hof van Cassatie); het Nederlandse door Geert-Jan Knoops (advocaat en bijzonder hoogleraar politiek van het internationaal recht (Universiteit van Amsterdam)).

De herziening is een buitengewoon rechtsmiddel dat ertoe strekt strafrechtelijke veroordelingen die op een gerechtelijke dwaling lijken te berusten, te vernietigen. Zoals een van de leden aanhaalde, beoogt dit rechtsmiddel een evenwicht te vinden tussen twee zijden van dezelfde rechtsstatelijke medaille: enerzijds de rechtszekerheid in de vorm van het beginsel van de kracht van gewijsde, en anderzijds het individuele belang bij het corrigeren van een gerechtelijke dwaling. Of, zoals de Nederlandse preadviseur het formuleerde: tussen materiële waarheid en formele rechtskracht.

Hoewel de Belgische en Nederlandse procedures sterk op elkaar lijken, deels wegens hun gedeelde Napoleontische oorsprong, deels door recente Belgische wetswijzigingen die duidelijk geïnspireerd zijn op het Nederlandse model, blijven er toch ook verschillen bestaan. In de preadviezen, maar zeker in het debat, werd duidelijk dat beide landen met uiteenlopende vragen worstelen. Ondanks enkele levendige discussies kon vaak toch een consensus worden bereikt.

In België kan een herziening van een misdaad of wanbedrijf slechts in drie gevallen worden aangevraagd: bij onverenigbare veroordelingen, na een veroordeling wegens valse getuigenis, of op grond van een novum. Een novum betreft een nieuw gegeven dat bij het onderzoek ter terechtzitting niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen, maar waardoor een ernstig vermoeden ontstaat dat indien het wél bekend was geweest, dit geleid zou hebben tot een vrijspraak of de toepassing van een minder strenge strafwet.

De Nederlandse regeling kent grotendeels dezelfde gronden en beschikt over de ACAS (voluit: Adviescommissie voor Afgesloten Strafzaken), een adviesorgaan van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, dat beoordeelt of een vooronderzoek naar het novum wenselijk is, een mechanisme waarvoor in België geen equivalent bestaat. De Belgische herzieningscommissie treedt immers pas in werking wanneer het Hof van Cassatie de herzieningsaanvraag op grond van een novum niet eerst onontvankelijk of kennelijk ongegrond heeft verklaard.

Het debat concentreerde zich vervolgens op zowel inhoudelijke als procedurele verschilpunten.

1. Er werd gestart met de vraag of de huidige herzieningsmogelijkheden niet te beperkt zijn en of zogenaamde «bagatelfeiten» al dan niet in aanmerking moeten komen voor herziening. België beperkt de herziening tot misdaden en wanbedrijven, een beperking die Nederland niet kent. De Belgische preadviseur wijst erop dat deze vraag in de praktijk weinig relevant is, aangezien ook de minder ernstige misdrijven, zoals bijvoorbeeld de meeste «verkeersovertredingen», wanbedrijven zijn en het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen in de toekomst met het nieuwe Strafwetboek verdwijnt. Sommige leden betoogden overigens dat elke gerechtelijke dwaling, ook deze met betrekking tot minder belangrijke misdrijven, maatschappelijk wringt.

Verder werd langs Belgische zijde gewezen op het verplichte positieve advies van drie advocaten met minstens tien jaar tableau-ervaring, eveneens een vereiste die Nederland niet kent. Algemeen klonk dat dit weinig meerwaarde biedt, al blijft de rol van de cassatieadvocaat, die afgezien van de procureur-generaal de enige is die een herzieningsaanvraag kan ondertekenen, als filterfunctie belangrijk.

De Nederlandse preadviseur wees op zijn beurt op de kritiek dat de toegang tot het vooronderzoek door ACAS te beperkt is. Momenteel geldt die toegang enkel voor ernstige misdrijven, de zogenaamde «12-jaarsfeiten», maar deze grens is arbitrair. Ze is gebaseerd op de veronderstelling dat zwaardere misdrijven vatbaarder zijn voor tunnelvisie, zonder empirische onderbouwing. Een Nederlands lid stelde voor om deze grens te verlagen naar acht jaar, zodat ook veroordelingen wegens zedenmisdrijven vatbaar zouden zijn voor herziening. Daarbij werd eveneens kritiek geuit op de al te beperkte toegang tot het vooronderzoek, in die zin dat men reeds over concrete aanwijzingen van een novum moet beschikken, wat tijd en middelen vergt die niet elke veroordeelde heeft. Een mogelijke oplossing is een financieel steunfonds zoals het Nederlandse Ina Post fonds van Knoops advocaten in Nederland. Belgische leden benadrukken dat een herziening juist bedoeld is om een gerechtelijke dwaling vast te stellen, niet omgekeerd, en dat het huidige kader niet ondermaats is, maar dat men ook oog moet kunnen hebben voor de financiële kant van de herziening.

Ondanks bepaalde kritiekpunten heerst uiteindelijk het gevoel dat de bestaande herzieningsgronden in zowel België als Nederland niet fundamenteel te beperkt zijn.

2. Het ontbreken van een aan de herzieningsaanvraag voorafgaand formeel vooronderzoek in België werd ook besproken. De Belgische preadviseur erkent dat dit juridisch problematisch kan lijken, aangezien een novum reeds moet blijken uit de bijgevoegde stukken. In de praktijk zorgt de rechtspraak evenwel voor voldoende soepelheid, met name wanneer met een nieuwe forensische techniek een novum zou kunnen worden aangetoond. Een lid opperde dat AI een rol zou kunnen spelen bij het analyseren van een potentieel onveilige beslissing. Hoewel de leden van Belgische en Nederlandse kant erkennen dat AI de procedure toegankelijker kan maken, bleef de groep verdeeld. Een Belgisch lid verwoordde het ietwat sceptisch: «U krijgt misschien wel een mooi pleidooi via AI, maar dat levert u nog geen vrijspraak op.» Daarenboven leidt het gebruik van AI misschien wel tot een nieuwe beoordeling van bestaand bewijs, maar dat maakt nog geen novum uit.

3. Ook werd er kort stilgestaan tussen enerzijds het Belgische recht, dat voorziet in een afzonderlijke heropeningsprocedure, die de situatie omvat wanneer er een veroordeling voorligt door het EHRM, en anderzijds het Nederlandse recht, dat deze situatie onder de herziening behandelt. De Nederlandse preadviseur stelt dat het effect in beide gevallen hetzelfde is en het onderscheid niet noodzakelijk is. De Belgische preadviseur meent dat het onderscheid in het Belgische recht wél relevant wordt geacht, daar de procedures en gevolgen verschillend zijn, aangezien een herziening gebaseerd is op een feitelijke dwaling, terwijl een heropening van de rechtspleging gebaseerd is op een juridisch gegeven, namelijk een miskenning van het EVRM en, in tegenstelling tot de herziening, niet leidt tot de betrokkenheid van de burgerlijke partij of de tussenkomst van de herzieningscommissie. De Belgische leden pleiten daarom voor het behoud van het onderscheid.

4. Daarnaast werd ingegaan op een ander wezenlijk verschilpunt: de herziening ten nadele. In Nederland kan een vrijspraak sinds 2013 worden herzien, terwijl dit in België niet bestaat. De Nederlandse preadviseur benadrukte dat deze mogelijkheid principieel problematisch is en dat het ne bis in idem-beginsel zwaarder moet doorwegen. Tot op heden werd in Nederland nog geen enkele herziening ten nadele toegewezen. Volgens hem is het uiteindelijk een maatschappelijke keuze die samenhangt met het rechtsfilosofisch model waarop een staat zijn strafrecht stoelt: een model dat primair de burger beschermt tegen de overheid (waar herziening ten nadele onverenigbaar mee is), of een model dat vooral de samenleving wil beschermen (waar zo’n herziening wel in kan passen).

In België is hierover geen breed politiek of academisch debat. Enkele Belgische leden stonden niettemin open voor een herziening ten nadele in uitzonderlijke situaties, zoals bij bekentenissen na vrijspraak of nieuw DNA-materiaal. Zij wezen erop dat internationale normen dit in se ook niet verbieden. De meerderheid bleef echter zeer terughoudend en waarschuwde voor de risico’s, waaronder eventuele procedures voor het Grondwettelijk Hof en het gevaar van een verder verglijden in oeverloze procedures. Er werd dan ook geen consensus bereikt. Het blijft een maatschappelijke keuze die in België momenteel niet wenselijk noch actueel wordt geacht.

5. Beide preadviseurs zijn het erover eens dat het novum in de praktijk de belangrijkste herzieningsgrond is. Een volledige herleiding van alle gronden tot één novumgrond vindt men niet wenselijk, gezien de verschillende procedurele gevolgen en de adviesrol van de commissie.

Over de vraag of het novumbegrip verruimd moet worden, ontstaat opvallende overeenstemming: het huidige wettelijke kader volstaat, mits een flexibele rechterlijke interpretatie. De Nederlandse preadviseur benadrukte de verruiming door de wet van 2012 en de noodzaak van een pragmatische en flexibele toepassing in uitzonderlijke zaken zoals de Puttense moordzaak. De Belgische preadviseur wees erop dat een verruiming het bijzondere karakter van de herziening kan uithollen en vooral zou leiden tot een semantische discussie. Zowel de Belgische als de Nederlandse leden waren het erover eens dat de beoordeling van het novum moet worden afgewogen tegen de sterkte van de oorspronkelijke bewijsconstructie. Belgische leden waarschuwden ervoor het novum niet uit te rekken tot een verkapte derde (BE) of vierde (NL) aanleg: fouten in de bewijsredenering horen primair thuis bij de gewone rechtsmiddelen en finaal bij de cassatieprocedure.

6. In het kader van het novum werd nog een volgende vraag gesteld. In België geldt, anders dan in Nederland, dat slechts sprake kan zijn van een novum wanneer de veroordeelde het gegeven ten tijde van het geding niet heeft kunnen aantonen. De vraag rijst of deze voorwaarde moet worden behouden. De Nederlandse preadviseur plaatste meteen vraagtekens bij de werkbaarheid van een dergelijke eis, aangezien het criterium «niet kunnen aantonen» in de praktijk vaak willekeurig blijkt. In tal van gevallen, zoals bij DNA-profielen die niet in het dossier zijn opgenomen, kan men moeilijk spreken van een reële mogelijkheid voor de verdediging om dit tijdens het proces aan te tonen.

De Belgische preadviseur erkende dat deze voorwaarde in bepaalde situaties problematisch kan uitvallen, bijvoorbeeld bij bewust afgelegde valse bekentenissen. Hoewel men dan formeel wel had kunnen aantonen dat de bekentenis niet klopt, werd er gesuggereerd om bij zeer zware misdrijven meer afstand te nemen van deze voorwaarde, vanuit het idee dat de materiële waarheid zou moeten primeren. Toch benadrukken verschillende Belgische leden dat de herzieningsrechter in de praktijk reeds de nodige soepelheid aan de dag legt en niet «kneuterig» omspringt met deze voorwaarde.

De uiteindelijke teneur van het debat is dat de Nederlandse leden géén dergelijke voorwaarde in de wet wensen op te nemen, terwijl in België het merendeel meent dat zij niet moet worden geschrapt. Hoewel de toepassing ervan in bepaalde dossiers aanleiding kan geven tot knelpunten, wordt algemeen aangenomen dat de Belgische herzieningspraktijk ook hier voldoende soepelheid kent om in uitzonderlijke gevallen recht te doen aan evidente onbillijkheden, zodat het behoud van de voorwaarde wel verdedigbaar blijft.

7. Tot slot kwam de vraag aan bod of de Hoge Raad en het Hof van Cassatie wel het meest geschikt zijn om te fungeren als de ultieme herzieningsrechter, dan wel of dit beter zou worden toevertrouwd aan een extern orgaan zoals in het VK, Schotland of Noorwegen.

De Belgische preadviseur benadrukte dat herziening een uitzonderlijk rechtsmiddel blijft en dat het huidige systeem werkt, zij het met punten ter verbetering, vooral in de werking en middelen van de herzieningscommissie. Zoals een Belgisch lid het stelde: «de wet had duidelijker geformuleerd kunnen worden, maar ze werkt wel.» De Belgische preadviseur wijst er bovendien op dat het instellen van gespecialiseerde commissies zoals in het VK, Schotland of Noorwegen aanzienlijke kosten met zich zou meebrengen; de Nederlandse preadviseur wees op het Amerikaanse model van gezamenlijke onderzoeken tussen OM en verdediging, wat de Staat veel kosten kan besparen en reeds tot grote doorbraken heeft geleid.

De Nederlandse preadviseur stelde dat de wenselijkheid van het behoud van de Hoge Raad als ultieme herzieningsrechter afhankelijk is van de bereidheid om het novumbegrip onder bijzondere omstandigheden flexibel te interpreteren, met daarbij een noodremfunctie bij twijfelzaken zonder formeel novum. Ook zouden de toegangsdrempels in het voorportaal versoepeld moeten worden, bijvoorbeeld door de reeds aangehaalde 12-jaargrens te verlagen en de toegang tot bewijsgegevens na het definitief worden van de veroordeling, in het bijzonder forensisch materiaal, te verbeteren. België noch Nederland kent een automatische bewaarplicht voor forensisch materiaal. Zowel de Nederlandse als de Belgische preadviseur wezen op de mogelijkheid om consultatie van bewijsmateriaal desnoods af te dwingen via kort geding, zij het dat dit een weinig comfortabele procedurestap inhoudt. Als inspiratie werd door de Nederlandse preadviseur verwezen naar de VS, waar materiaal levenslang wordt bewaard tenzij de veroordeelde anders beslist.

Enkele Belgische leden benadrukten dat de huidige rechtspraak reeds flexibel omgaat met het novumbegrip waardoor zogenaamde «unsafe convictions» er mogelijk ook onder kunnen vallen. Een lid stelde terecht dat het debat deels semantisch is, waarop brede consensus volgde.

Het debat binnen de Afdeling Strafrecht heeft duidelijk gemaakt dat, ondanks bepaalde procedurele en inhoudelijke verschillen, de herziening in beide landen zeer vergelijkbaar is, ook wat de pijnpunten betreft. Betekent het bestaan van die pijnpunten dat de herzieningsprocedure zowel in Nederland als in België opnieuw aan herziening toe is? Waarschijnlijk niet. Wel roept dit een reeks fundamentele en praktische vragen op over de plaats van de materiële waarheid binnen het strafproces en de grenzen van de rechtszekerheid.

1 * Mandaatassistente Strafrecht en Strafprocesrecht Vrije Universiteit Brussel.

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier