• Pagina

    756


  • Datum

    16 april 2026


  • Datum

    E.Holvoet


Rechtskundig Weekblad

Kanttekening

Het verdrag inzake de rechten van personen met een handicap versus het nieuwe schadevergoedingsrecht: Friend or Foe?1

Deze bijdrage onderzoekt of het hervormde aansprakelijkheidsrecht, dat een matigingsbevoegdheid uitsluitend toekent aan personen met een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen en minderjarigen tussen twaalf en achttien jaar, in strijd is met het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD) en in het bijzonder het principe van universeel ontwerp. De bijdrage stelt daarbij ten eerste vast dat de door de wetgever gehanteerde term «geestesgestoorde» mogelijk stigmatiserend is en niet in overeenstemming met het CRPD. Ten tweede is het niet zeker of het VN-Comité wel toelaat dat «geestesgestoorden» op het vlak van de gevolgen van aansprakelijkheid anders behandeld worden dan anderen. Als oplossing pleit de bijdrage voor een algemene matigingsbevoegdheid.

I. Inleiding1

Sinds 1 januari 2025 is het hervormde buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in werking getreden (voor meer informatie over het aansprakelijkheidsrecht, zie Vansweevelt T. en Weyts B., Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Larcier Intersentia, 2025). De hervorming beoogt een grotere rechtszekerheid, aangezien het oude recht in belangrijke mate werd ingevuld door de rechtspraak, wat ten koste ging van de voorspelbaarheid en duidelijkheid voor de burger (Wetsvoorstel houdende boek 6 «Buitencontractuele aansprakelijkheid» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2022-2023, 8 maart 2023, nr. 55-3213/001, 3; hierna: Wetsvoorstel boek 6). Daarnaast vereisen de economische en maatschappelijke evoluties een modernisering van het aansprakelijkheidsrecht, ook wat betreft de aansprakelijkheid van zogenaamde «geestesgestoorden», i.e. personen met een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen (een beschrijving ontleend aan Cass. 2 december 2022, AR nr. C.22.0039). Voortaan is het uitgangspunt dat zij niet langer schuldonbekwaam zijn, maar daadwerkelijk aansprakelijk kunnen zijn voor hun eigen daad. De wet voorziet weliswaar in een matigingsbevoegdheid voor de rechter, die toelaat de «geestesgestoorde» tot een lager of geen herstel van schade te veroordelen (artikel 6.11 BW). Voor het overige is een dergelijke bevoegdheid uitsluitend voorzien voor minderjarigen tussen twaalf en achttien jaar (artikel 6.10 BW). Deze matigingsbevoegdheid bestond voordien echter ook al, zij het in omgekeerde zin: zij liet namelijk toe een «geestesgestoorde» toch geheel of gedeeltelijk te veroordelen tot herstel van de schade, ondanks diens principiële uitsluiting van aansprakelijkheid.

Deze bijdrage beoordeelt deze nieuwe regels in het licht van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (hierna: CRPD). Dit verdrag is een gevolg van de jarenlange inspanningen van de Verenigde Naties (hierna: VN) om de houding en benadering ten opzichte van personen met een handicap te veranderen, waarbij zij niet langer als «objecten», maar eerder als «subjecten» met rechten beschouwd worden. Het CRPD vereist dat zowel het recht als de samenleving stigmatisering van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap vermijden. De VN wil geen discriminatie in het recht en stelt dat iedereen gelijk moet worden behandeld. Een ongelijke behandeling op grond van een handicap is in beginsel ontoelaatbaar. Zelfs indien een regeling in het voordeel van mensen met een beperking is, kan zij volgens de VN toch als stigmatiserend worden aangemerkt (zie CRPD/C/GC/6).

Het CRPD vraagt een handicapneutraal recht, waarin personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap niet anders mogen worden behandeld dan anderen. Het CRPD bevat het principe van universeel ontwerp («universal design»), dat verwijst naar het ontwikkelen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die zo toegankelijk mogelijk zijn voor iedereen, zonder dat een aanpassing of speciaal ontwerp nodig is (art. 2 CRPD). Dit principe sluit het gebruik van ondersteunende middelen niet uit, indien deze voor een specifieke groep van personen met een beperking noodzakelijk zijn. De principes van universeel ontwerp gelden ook voor ons recht. Kortom, wanneer een bepaling handicapneutraal kan worden geformuleerd, verdient dit de voorkeur boven een niet-handicapneutrale formulering.

Het CRPD verzet zich in het algemeen tegen handicapspecifieke regelingen. Dit blijkt onder meer uit het debat over internering, waarbij personen op grond van hun handicap van hun vrijheid kunnen worden beroofd. Dergelijke regelingen worden als problematisch beschouwd, aangezien het bestaan van een handicap in geen geval een rechtvaardiging kan vormen voor een vrijheidsberoving (art. 14(1)b CRPD).

Dit roept de vraag op of het nieuwe schadevergoedingsrecht, waarin het begrip «geestesgestoorde» gebruikt wordt en een onderscheid wordt gemaakt tussen personen met en zonder een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen, wel verenigbaar is met de uitgangspunten van het CRPD.

Deze bijdrage onderzoekt in hoeverre het nieuwe schadevergoedingsrecht in strijd is met het CRPD in de mate dat het voorziet in een matigingsbevoegdheid voor de rechter wanneer een «geestesgestoorde» aansprakelijk wordt gesteld. Het eerste deel bespreekt kort de regeling in het aansprakelijkheidsrecht. Het tweede deel gaat dieper in op het VN-verdrag en de bijbehorende landenrapporten. In het derde en laatste deel volgt de conclusie.

II. De regeling voor «geestesgestoorden» in het (nieuwe) aansprakelijkheidsrecht

Zowel onder het oude als onder het nieuwe recht is er sprake van een «geestesgestoorde» wanneer door ziekte de normale werking van de geest in belangrijke mate verstoord is (Wetsvoorstel boek 6, 60). De parlementaire voorbereiding bevestigt dat alzheimer en dementie hieronder vallen. Het is belangrijk te benadrukken dat een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen vereist is. Een tijdelijke aantasting die te wijten is aan bijzondere omstandigheden, kwalificeert niet als geestesstoornis. Het verschil in behandeling tussen een persoon met een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen en iemand die door een fysieke aandoening de controle verliest, is louter toevallig (Borucki C., «Verslag van het rondetafelgesprek over de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht», TPR 2022, (1099) 1111). In 1930 meende men dat de maatschappij beschermd moest worden tegen «geestesgestoorden» en werkte men een regeling voor internering uit. Dit inzicht leidde tot de erkenning dat er, naast een strafrechtelijke regeling, ook behoefte was aan een burgerrechtelijke regeling. Om die reden voerde men artikel 1386bis oud BW in, dat de aansprakelijkheid voor «geestesgestoorden» regelt. Het betrof een foutloze aansprakelijkheid waarbij het subjectieve foutelement niet vereist was (Stijns S. en Samoy I., Leerboek verbintenissenrecht boek 1 bis, die Keure, 2020, 64). Het subjectieve foutelement verwijst naar de toerekenbaarheid en schuldbekwaamheid van de persoon. Het principe van de oude regeling was dat een «geestesgestoorde» niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de door hem veroorzaakte schade, hoewel de rechter in sommige gevallen van dit beginsel van niet-aansprakelijkheid kon afwijken.

Het nieuwe aansprakelijkheidsrecht in boek 6 kiest daarentegen in artikel 6.11 BW voor een nieuw algemeen foutbegrip, waarbij het objectieve foutelement volstaat. Het subjectieve element wordt weggelaten, hoewel er nog steeds een spoor van dit element zichtbaar blijft in de regels betreffende «geestesgestoorden» en minderjarigen. In tegenstelling tot de oude regeling zijn «geestesgestoorden» nu in beginsel aansprakelijk voor de schade die zij aan anderen veroorzaken. De rechter beschikt echter over een matigingsbevoegdheid en kan oordelen dat de schadevergoeding beperkt of zelfs niet verschuldigd is. Deze uitspraak wordt naar billijkheid gedaan, waarbij de rechter rekening houdt met zowel de omstandigheden als de financiële en economische toestand van de betrokken partijen.

Uit het voorgaande blijkt dat er een duidelijke omkering heeft plaatsgevonden van het uitgangspunt van de aansprakelijkheid, namelijk de evolutie van uitzonderlijke aansprakelijkheid naar een aansprakelijkheid in beginsel. Voorheen waren «geestesgestoorden» niet aansprakelijk, wat een onderscheid creëerde tussen personen met en zonder een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen. Dit onderscheid is echter opgeheven, zodat personen met en zonder een aanhoudende aantasting van het geestesvermogen in beginsel gelijk worden behandeld en aansprakelijk zijn voor de schade die zij veroorzaken. Slechts in een tweede stap kan de rechter afwijken van deze aansprakelijkheid door de schadeloosstelling te verminderen of uit te sluiten.

III. CRPD en de bijbehorende landenrapporten

Het CRPD gaat ver in zijn streven naar gelijkheid en het bestrijden van discriminatie (zie CRPD/C/GC/6). Het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie is vervat in artikel 5 CRPD. Voorts moeten juridische onderscheiden inzake handelings- en rechtsbekwaamheid zoveel mogelijk worden weggewerkt (zie CRPD/C/GC/1). Personen met en zonder handicap moeten dus op gelijke wijze erkend worden als drager van rechten en plichten. De vraag rijst in welke mate hiervan kan worden afgeweken ten voordele van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap, zonder de fundamentele beginselen van het CRPD te schenden. Artikel 12 CRPD waarborgt immers de gelijkheid van eenieder voor de wet.

Het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap (hierna: VN-Comité) evalueert om de vier jaar de vooruitgang van landen die het verdrag hebben geratificeerd (UNIA, «Evaluatie door het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap», https://www.unia.be/nl/over-unia/mandaat-en-bevoegdheden/evaluatie-door-vn-comit%C3%A9 (geraadpleegd op 3 maart 2025)). Gelet op de omvang van het aantal rapporten is het niet mogelijk om deze allemaal diepgaand te analyseren. Daarom werd gekozen voor een doelgerichte analyse, op basis van relevante trefwoorden zoals liability, responsibility, mental disorder ...

Het VN-perspectief op civiele aansprakelijkheid vormt vooralsnog grotendeels onontgonnen terrein. De rapporten besteden onder meer aandacht aan het gehanteerde taalgebruik en aan het uitgangspunt dat personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap inzake hun strafrechtelijke aansprakelijkheid niet anders mogen worden behandeld dan andere personen die een misdrijf plegen. Om die reden worden zowel de gebruikte terminologie, de regelingen waarbij personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap automatisch van enige strafrechtelijke aansprakelijkheid worden uitgesloten, evenals interneringsmaatregelen vanuit de landenrapporten in vraag gesteld (zie Gooding P. en O’Mahony C., «Laws on unfitness to stand trial and the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities: Comparing reform in England, Wales, Northern Ireland and Australia», Int. J. Law Crime Justice 2016, 122). Daartegenover staat dat de buitencontractuele aansprakelijkheid in geen enkel landenrapport expliciet aan bod komt. Dit kan worden beschouwd als een waardevolle bevinding, aangezien het aantoont dat over dit specifieke onderwerp tot op heden geen concrete opmerkingen of uitspraken zijn gedaan, wat de originaliteit van deze bijdrage onderstreept.

Deze analyse valt uiteen in twee onderdelen: een eerste sectie die het gehanteerde taalgebruik - meer bepaald de term «geestesgestoorde» - onderzoekt in het licht van de beginselen van het CRPD, en een tweede sectie die de matigingsbevoegdheid exclusief voor deze groep aan het verdrag toetst.

A. Het gehanteerde taalgebruik

In het Belgische schadevergoedingsrecht kunnen «geestesgestoorden» mogelijk een vermindering of uitsluiting van de opgelegde schadevergoeding genieten. De vraag rijst echter of de term «geestesgestoorde» verenigbaar is met de terminologie die het CRPD aanbeveelt. Het VN-Comité heeft verschillende landen, waaronder Estland, Japan, India en Hongkong, reeds verweten stigmatiserende begrippen te hanteren zoals mental disorders, mental derangement, mentally ill, wanneer zij verwijzen naar personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap (CRPD/C/EST/CO/1, 2, nr. 7(b); CRPD/C/JPN/CO/1, 2, nr. 7(c); CRPD/C/IND/CO/A, 2, nr. 6(b); CRPD/C/CHN/CO/2-3, 12, nr. 63). Het kwalificatiecriterium «geestesgestoorde», dat inhoudelijk sterk aanleunt bij deze terminologie, kan weleens als problematisch beschouwd worden. Het VN-Comité zal hoogstwaarschijnlijk het gebruik van een dergelijke term afkeuren.

In andere regelgeving, zoals die inzake dwangopname, heeft België het criterium geestesstoornis inmiddels verlaten ten voordele van de neutralere formulering «persoon met een psychiatrische aandoening» (Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geestesziekte, KAMER, 2023-2024, 1 december 2023, nr. 55-3721/001, 10). Deze keuze werd mede ingegeven door de noodzaak om meer respect te waarborgen voor de rechten van de patiënt, in overeenstemming met het CRPD, en stigma te verminderen. Eerder, in 2014, deed de wetgever om dezelfde reden ook al afstand van het begrip «krankzinnige» in de regels over de internering (art. 86 Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering; Wetsontwerp betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis, SENAAT, 2006-2007, 20 maart 2007, nr. 3-2094/3, 3) en werd in de regels over meerderjarige beschermde personen gezocht naar een CRPD-conforme terminologie (Wetsvoorstel tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen, KAMER, 2010-2011, 11 januari 2011, nr. 53-1009/001, 8). Men kan zich dan ook afvragen waarom de wetgever bij deze nieuwe regeling niet hetzelfde heeft gedaan.

B. Matigingsbevoegdheid die enkel geldt voor «geestesgestoorden»

Hoewel het duidelijk is dat het gehanteerde taalgebruik niet in overeenstemming is met de verwachtingen van het CRPD, blijft de vraag of artikel 6.11 BW, dat enkel geldt voor «geestesgestoorden» (of personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap in de zin van het CRPD) ook inhoudelijke bezwaren oproept. Daarbij wordt in wat volgt zowel de gelijkheid op het vlak van het vaststellen van de aansprakelijkheid (1.) als het verschil in behandeling voor wat betreft de gevolgen van aansprakelijkheid (2.) beoordeeld. Omdat het VN-Comité zich op heden nog niet uitsprak over systemen van burgerrechtelijke aansprakelijkheid, maakt deze bijdrage de analogie met de door het VN-Comité al veelvuldig beoordeelde strafrechtelijke aansprakelijkheid van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap. Ook daar maken sommige overheden immers de keuze om een uitzonderingsregime te introduceren waarbij het verschil in behandeling het vaststellen van de aansprakelijkheid (1.) en/of de gevolgen van de aansprakelijkheid kan betreffen (2.).

1. De impact van een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap bij het vaststellen van aansprakelijkheid

Bij de analyse van de landenrapporten valt op dat veel landen voor wat betreft de strafrechtelijke aansprakelijkheid een opmerking ontvingen bij artikel 14 CRPD. Dit artikel beschermt het recht op vrijheid en garandeert dat personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap wat betreft de toepassing van dat recht gelijk behandeld moeten worden.

Wat de toepassing van dit artikel betreft, meent het VN-Comité dat regelingen die de strafrechtelijke aansprakelijkheid uitsluiten voor personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap, in strijd zijn met het CRPD (A/72/55: Report of the Committee on the Rights of Persons with Disabilities - 13th through 16th sessions, 19, nr. 16). Dergelijke regelingen beroven personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap van hun recht op een eerlijk proces op gelijke voet met anderen en van de daarbij horende waarborgen. Een dergelijke vaststelling wordt versterkt door interneringsmaatregelen die - in plaats van een gevangenisstraf - in vele rechtssystemen worden opgelegd. In landenrapporten uitte het VN-Comité veelvuldig de bezorgdheid over het feit dat personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap vaak het voorwerp zijn van bepalingen van niet-aansprakelijkheid in het strafrecht (CRPD/C/MEX/CO/1, 5, nr. 27; CRPD/C/GTM/CO/1, 6, nr. 39; CRPD/C/COL/CO/1, 7, nr. 38). Het VN-Comité adviseerde deze landen hun strafrechtelijke wetgeving te herzien en aan te passen, zodat gronden voor niet-aansprakelijkheid van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap gebannen worden (CRPD/C/BOL/CO/1, 5, nr. 36. CRPD/C/KEN/CO/1, nr. 28; CRPD/C/COL/CO/1, 7, nr. 39). Ondanks deze opmerkingen blijven dergelijke bepalingen vaak bestaan (CRPD/C/MEX/CO/2-3, 7, nr. 39-40(a)). Het VN-Comité wees België ook reeds op dit onderscheid en raadde aan deze personen te berechten volgens de gewone strafprocedure, op gelijke basis en met dezelfde garanties als personen zonder een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap. Het VN-Comité benadrukte daarbij wel dat specifieke procedurele aanpassingen mogelijk zijn om de gelijke deelname van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap aan het strafrecht(systeem) te waarborgen.

Wordt deze visie op strafrechtelijke (niet-)aansprakelijkheid doorgetrokken naar de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, dan kan er besloten worden dat de Belgische wetgever er goed aan gedaan heeft om af te stappen van het verschil in aansprakelijkheid tussen personen met en zonder «geestesstoornis».

Niettemin blijft de vraag bestaan of een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap in zijn geheel geen impact mag hebben op het subjectieve element van de aansprakelijkheid. Wanneer we terugkeren naar de analogie met de strafrechtelijke aansprakelijkheid, blijkt dat noch het VN-Comité noch de Hoge Commissaris voor Mensenrechten richtlijnen geven over de manier waarop het subjectieve element van een misdrijf zou moeten worden ingevuld zodat het CRPD niet wordt geschonden (ICC-02/04-01/15A, nr. 35). Een benadering van strafrechtelijke aansprakelijkheid die in overeenstemming is met het CRPD, houdt in dat deze wordt vormgegeven en toegepast met inachtneming van de leefwereld van personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap, op gelijke voet met anderen. Dit impliceert enerzijds het afschaffen van materiële en procedurele normen die een afzonderlijk traject definiëren voor verdachten met een handicap, en anderzijds het waarborgen dat de materiële en procedurele normen voor alle verdachten op inclusieve wijze worden ontworpen en toegepast, met oog voor de mogelijkheid dat iedere verdachte een persoon met een handicap kan zijn (ICC-02/04-01/15A, nr. 38). Gelijke behandeling volgens het CRPD houdt in dat verdachten met een handicap zich kunnen beroepen op dezelfde verweermiddelen die beschikbaar zijn voor alle andere verdachten, waaronder dwang en het ontbreken van het subjectieve foutelement. De mogelijkheid om een beroep te doen op een verweermiddel moet materieel gelijkwaardig zijn en niet slechts in beginsel bestaan, dat wil zeggen dat de geestestoestand van een verdachte met een handicap, voor zover relevant voor het subjectieve foutelement of verweermiddelen zoals dwang, op zichzelf moet worden beoordeeld en niet als een benadering van de geestestoestand die door een persoon zonder handicap wordt ervaren (ICC-02/04-01/15A, nr. 40). Door rekening te houden met specifieke omstandigheden, zoals de invloed van hun beperking op de beoordeling van de schuld en verantwoordelijkheid, kan een eerlijke behandeling gewaarborgd worden zonder dat zij automatisch leidt tot een verminderde verantwoordelijkheid (ICC-02/04-01/15A, nr. 49).

2. De impact van een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap bij het vaststellen van de gevolgen van aansprakelijkheid

De wetgever heeft er goed aan gedaan om personen met en zonder aantasting van het geestesvermogen systematisch gelijk te behandelen, maar toch ontstaat er nog steeds een verschil in behandeling tussen deze personen op het vlak van de gevolgen van aansprakelijkheid. De vraag rijst of een dergelijk verschil in behandeling problematisch is in het licht van het CRPD. Ook hier is de analogie met de strafrechtelijke aansprakelijkheid relevant, omdat veel rechtssystemen een systeem van internering hanteren. Personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap worden dan niet gestraft met een gevangenisstraf, maar de samenleving wordt beveiligd middels een interneringsmaatregel.

Vaak gaan de strafrechtelijke niet-aansprakelijkheid (infra. 1.) en de internering als «alternatief gevolg» hand in hand. Dat hoeft echter niet zo te zijn. Zo is het mogelijk om personen met een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap niet uit te sluiten van aansprakelijkheid, maar wel op een ander moment in de procedure met hun toestand rekening te houden. Zo werd in 1965 in Zweden de ontoerekeningsvatbaarheid afgeschaft en vervangen door een systeem waarbij aanhoudende aantastingen van het geestesvermogen in aanmerking worden genomen bij de strafoplegging en niet bij de schuldvraag (Gooding P. en Bennet T., «The Abolition of the Insanity Defense in Sweden and the United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities: Human Rights Brinksmanship or Evidence It Won’t Work?», New Criminal Law review 2018, (141) 143). Het vereiste van verantwoording voor strafrechtelijke aansprakelijkheid werd opgeheven en bijgevolg vormt een psychische stoornis geen reden meer voor een vrijspraak.

Op het eerste gezicht lijkt de Zweedse aanpak in lijn met het CRPD, omdat personen met en zonder een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap aanvankelijk gelijk worden behandeld bij de beoordeling van aansprakelijkheid. In de strafoplegging wordt echter alsnog een onderscheid gemaakt: er volgt geen gevangenisstraf, maar wel een verplichte psychiatrische behandeling. Dit roept vragen op over de naleving van het CRPD, dat discriminatie op basis van een beperking verbiedt en stelt dat een beperking geen reden mag vormen voor een vrijheidsberoving. Het VN-Comité suggereert dat dit een schending van het CRPD zou kunnen uitmaken. Hoewel het VN-Comité zich niet specifiek heeft uitgesproken over het Zweedse strafrecht, heeft het wel aanbevolen om de wetgeving aan te passen zodat niemand tegen zijn of haar wil wordt vastgehouden in een psychiatrische instelling op basis van een feitelijke of vermeende beperking (CRPD/C/SWE/CO/1, 5, nr. 35-36).

Indien dit principe wordt vertaald naar de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van «geestesgestoorden» in België, dan is de gelijkenis groot: in eerste instantie worden personen met en zonder psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap gelijk behandeld bij de beoordeling van aansprakelijkheid, waarna vervolgens echter de gevolgen van de aansprakelijkheid kunnen afwijken. Dat personen met een handicap voor wat betreft de gevolgen anders behandeld worden, werd door het VN-Comité in het Zweedse voorbeeld veroordeeld. De vraag is echter of op dit vlak de analogie kan worden doorgetrokken; in België gaat het om een mogelijke, maar niet gegarandeerde vermindering of vrijstelling van een civielrechtelijke schadevergoeding, die ingevoerd wordt in het voordeel van de persoon met een handicap en in die zin misschien zelfs een redelijke aanpassing kan uitmaken. Het is niet zo dat de Belgische rechter de schadevergoeding zal minderen, louter en alleen omdat een partij een psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap heeft. Hij houdt nog altijd rekening met de omstandigheden alsook met de financiële en economische toestand van de betrokken partijen. Bovendien wordt de schadevergoeding niet verminderd voor zover de aansprakelijkheid door een verzekeringsovereenkomst wordt gedekt (Wetsvoorstel boek 6, 60). In het Zweedse systeem daarentegen leidt de andere behandeling ertoe de samenleving te beschermen tegen de persoon met een handicap en raakt het systeem aan het recht om op vlak van vrijheid gelijk behandeld te worden als anderen (artikel 14 CRPD).

IV. Conclusie

Deze bijdrage toetste het hervormde aansprakelijkheidsrecht voor wat betreft «geestesgestoorden» aan het CRPD. Hoewel het vanuit een CRPD-perspectief een goede zaak is dat «geestesgestoorden» vanaf nu wel buitencontractueel aansprakelijk zijn, zijn er twee knelpunten. Ten eerste is de door de wetgever gehanteerde term «geestesgestoorde» mogelijk stigmatiserend en niet in overeenstemming met het CRPD, en ten tweede is het niet zeker of het VN-Comité wel toelaat dat «geestesgestoorden» op het vlak van de gevolgen van aansprakelijkheid anders behandeld worden dan anderen.

Wat dat laatste betreft, is de vraag of deze onzekerheid wel hoeft te bestaan. Het CRPD bevat immers een principe van universeel ontwerp, dat streeft naar uniforme producten, diensten, regelingen enz. voor personen met en zonder handicap. Indien afwijkende regels niet noodzakelijk zijn, hoeven ze ook niet te bestaan.

In het aansprakelijkheidsrecht is er een oplossing denkbaar die zich niet beperkt tot een regeling die uitsluitend geldt voor personen met een handicap en die zo het principe van universeel ontwerp waarborgt. Deze oplossing bestaat in het invoeren van een algemene matigingsbevoegdheid. Reeds langere tijd zijn er in de rechtsleer pleidooien om een algemeen matigingsmechanisme in te voeren dat ook in Nederland zijn uitwerking vindt (Gillaerts P., Deviating from the principle of full compensation in Belgian tort law. Can’t see the wood for the trees in the 21st century, die Keure, 2017, 182-184 en 192-195). De invoering van een algemeen matigingsmechanisme werd voorgesteld tijdens de parlementaire voorbereidingen, maar kon binnen de commissie niet op voldoende draagvlak rekenen (Borucki C., «Verslag van het rondetafelgesprek over de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht», TPR 2022, (1099) 1117). Ook werd de vraag gesteld om een matigingsbevoegdheid toe te kennen in situaties van overmacht waarin personen de controle over hun handelen verliezen door een niet-geestelijke oorzaak, waarop een commissielid argumenteerde dat het verdwijnen van de categorie «geestesgestoorden» en het onderbrengen van deze gevallen bij overmacht, een andere benadering vormt die verdere overweging vereist (Borucki C., «Verslag van het rondetafelgesprek over de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht», TPR 2022, (1099) 1112). Theoretisch gezien betreft dit een ander concept, waarvoor geen direct pasklaar antwoord beschikbaar is.

Ongeacht deze discussies zou een algemene matigingsbevoegdheid naadloos aansluiten bij het principe van universeel ontwerp, aangezien zij geen specifieke onderscheiden introduceert. Bovendien lost een algemene matigingsbevoegdheid automatisch het probleem van de gehanteerde terminologie op, evenals de potentiële ongelijke behandeling van personen met en zonder psychosociale, verstandelijke of cognitieve handicap. Dit onderzoek levert daarmee een extra argument voor de invoering van een algemene matigingsbevoegdheid: een algemene matigingsbevoegdheid is een universeel ontwerp waarmee elk probleem inzake CRPD-conformiteit wordt vermeden.

Eline Holvoet

1  Deze bijdrage is tot stand gekomen in het kader van het themavak binnen de onderzoeksmaster rechten aan de KU Leuven, onder supervisie van prof. dr. Tim Opgenhaffen en prof. dr. Ilse Samoy. Hun kritische opmerkingen, adviezen en waardevolle inzichten hebben deze bijdrage versterkt.

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier