• Pagina

    470


  • Datum

    16 april 2026


  • Datum

    H.Thijs


Rechtskundig Weekblad

Verslag van de jaarvergadering van de Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland (VVSRBN), Afdeling Privaatrecht

Hannelore Thijs

I. Inleiding

1. Dit verslag heeft betrekking op het jaarcongres van de Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland, Afdeling Privaatrecht, op 22 en 23 november 2024 aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Het thema voor de afdeling privaatrecht in 2024 was de verhouding tussen autonomie en bescherming in affectieve relaties. De preadviseurs waren prof. dr. Alain-Laurent Verbeke (België) en prof. dr. Wendy Schrama (Nederland). Wegens ziekte kon preadviseur Schrama het Nederlandse preadvies niet voorstellen op het jaarcongres. De preadviezen zijn intussen gepubliceerd.1

2. Binnen de vergadering werd bovenstaand thema behandeld aan de hand van drie kernthema’s. Het eerste kernthema betreft de veronderstelling dat partners zelf en autonoom een keuze kunnen maken voor de regeling die zij wensen, en of zij al dan niet wensen te opteren voor enige vorm van vermogensrechtelijke bescherming (II.). Hierbij werd concreet de vraag behandeld of het huidige systeem van een opt-in-bescherming vervangen dient te worden door een opt-out-systeem en zo ja, onder welke formele voorwaarden een dergelijk systeem kan werken. Een tweede kernthema betreft de concrete inhoud van een default regeling, die wordt voorgesteld voor alle partners in een duurzame en intieme relatie (III.). Tot slot werd besproken welke criteria gehanteerd moeten worden om te bepalen wanneer partners aan het default systeem onderworpen zijn (IV.). Na de bespreking van deze drie kernthema’s volgde een stemming over de voorstellen (V.).

II. Ruimere autonomie? Van een opt-in- naar een opt-out-systeem

a) Toelichting

3. De bespreking van het eerste vraagpunt startte met een toelichting door preadviseur Verbeke. Hij begon met de algemene vaststelling dat zowel het eigen preadvies als het preadvies van Schrama grotendeels op dezelfde golflengte zitten. Elk preadvies neemt enkel de horizontale affectieve relaties in rekening. De relatie tussen ouders en kinderen wordt daarentegen uitgesloten. Toch kunnen kinderen mogelijk wel een relevant criterium zijn binnen bepaalde vraagstukken met betrekking tot horizontale affectieve relaties, bijvoorbeeld bij de criteria om te bepalen wanneer feitelijke ongehuwde samenwoners onder het default systeem moeten vallen (infra, IV.).

4. De preadviseur licht toe dat, in het spanningsveld tussen autonomie en bescherming, zowel de Belgische als de Nederlandse wetgever de autonomie van de partners in verregaande mate lijken te respecteren. De wetgever gaat ervan uit dat de partners in staat zijn om zelf te regelen wat ze wensen. Dit lijkt ook het uitgangspunt te zijn van veel hoven en rechtbanken, waaronder het Belgische Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Soms zijn er wel tendensen in de richting van meer solidariteit, maar dat blijft doorgaans beperkt tot dissenting opinions.

Ook in de Belgische commissie van de hervorming van het familiaal vermogensrecht in 2018 werd duidelijk dat het huidige thema zowel ideologisch als maatschappelijk beladen is. In de commissie waren onder meer professoren, advocaten en het notariaat vertegenwoordigd. In die vergaderingen is duidelijk gebleken dat het paradigma van autonomie zeer duidelijk is herbevestigd door de Belgische wetgever. Ook in de codificatie van boek 2, titel 3 en boek 4 van het BW in 2022, wat louter een codificatie à droit constant was, bleek over het huidige thema nog veel politieke discussie. Opnieuw werd de keuze voor autonomie herbevestigd. In het Belgische recht uit deze keuze voor autonomie zich in een menu à la carte: de burger kiest zelf de mate van vermogensrechtelijke bescherming. Hij kan kiezen voor veel bescherming in het huwelijk, aan de hand van een hulp- en bijstandsplicht, alimentatie, vermogensafwikkeling bij echtscheiding, en een erfrecht bestaande uit vruchtgebruik op het volledige vermogen en een abstracte en concrete reserve. Er is weliswaar een mogelijkheid om binnen het huwelijk af te wijken van de default regeling en te kiezen voor een stelsel van scheiding van goederen. Sinds de Huwelijksvermogenswet van 2018 is die scheiding van goederen niet langer een «koude uitsluiting», maar een «lichtjes lauwe uitsluiting», door enkele wettelijk ingebouwde beschermingsmechanismen. Naast het huwelijk kunnen de echtgenoten ook kiezen voor een (zeer) beperkte bescherming in de wettelijke samenwoning, of de toepassing van het gemeen recht en dus geen bescherming in de feitelijke samenwoning.

5. Zowel de wetgever als de hoven en rechtbanken argumenteren op basis van het keuzeargument. Als een vrouw ongehuwd samenwoont en met haar partner een taakverdeling overeenkomt waarbij zij een stap terugneemt in haar carrière, dan moet zij de gevolgen hiervan aanvaarden. Stel bijvoorbeeld dat een vrouw als arts werkt en haar mannelijke partner als advocaat werkt. Beiden hebben de mogelijkheid om carrière te maken. Wanneer de vraag rijst wie de zorg voor de kinderen op zich neemt, bindt de vrouw in. Dat is haar goed recht, en dit is ook vandaag vaak de socio-economische realiteit. Wanneer de feitelijke samenlevingsrelatie nadien eindigt, zal elke ex-partner overeenkomstig het title principle de goederen terugnemen op zijn of haar naam. Empirisch onderzoek blijft ook vandaag nog aantonen dat het doorgaans de vrouw is die systematisch de benadeelde partij is in geval van relatiebreuk, wat doet pleiten voor meer bescherming. Onderzoek toont aan dat vrouwen hun inkomsten meer aan consumptie besteden, en mannen meer aan investering. Bij de vermogensafwikkeling zal de man dus zijn investeringsvermogen kunnen behouden, terwijl de vrouw hier niet in kan delen. Onderzoek toont steevast aan dat de koopkracht van de vrouw na een relatiebreuk daalt en die van de man toeneemt.

Er zijn veel varianten aan dit verhaal, en bij hoogopgeleiden zal het vaak wel meevallen. Maar er zijn ook veel schrijnende gevallen, voornamelijk bij lager opgeleiden. Voor al deze gevallen argumenteert de wetgever, en argumenteren ook de hoven en rechtbanken, dat de economisch zwakkere partij, doorgaans de vrouw, hier bewust voor heeft gekozen. Zij kiest dus ook bewust voor het gevolg dat zij geen recht heeft op alimentatie, noch op vermogensdeling. De vraag rijst of dit moet worden aanvaard. Heeft de wetgever de juiste instelling, door te argumenteren dat mensen bewust kiezen voor een bepaald relatiestatuut met de daaraan gekoppelde juridische gevolgen? Is de idee van de vrije keuze gebaseerd op correcte aannames? Preadviseur Verbeke meent dat het paradigma van de autonomie berust op illusoire aannames van een goed geïnformeerde en vrije keuze. Er is zelden sprake van een ware en onderhandelde autonomie. De context waar we hier mee te maken hebben, is een blindmakende liefdescontext.

6. Omwille van de herhaalde en expliciete keuze van de Belgische wetgever voor de autonomie van partners heeft de preadviseur in dit preadvies zijn eerdere standpunt van meer dan 35 jaar voor een dwingende participatie in de huwelijkse aanwinsten verlaten en gezocht naar een oplossing die autonomie en bescherming met elkaar verzoent. Dit heeft hij gevonden in het respect voor de ware, onderhandelde autonomie, die enkel tot stand kan komen na een grondig en doordacht proces tussen gelijkwaardige partners. Daarvoor zijn waarborgen nodig die worden geboden door een versterkte opt-out met strikte wettelijke voorschriften van informatievergaring en -verwerking, alternatievenanalyse, aftoetsen van een rampscenario, belangenanalyse en collaboratieve onderhandeling, gefaciliteerd door een notaris of erkend bemiddelaar. Enkel op deze manier kunnen we de autonomie voluit aanvaarden en is er geen bijkomend beschermend optreden nodig. Het paradigma van de autonomie wordt begraven, niet de ware autonomie. Voor Verbeke ligt de oplossing in een goed uitgewerkt default systeem waar men slechts doordacht kan uitstappen via een versterkte opt-out.

b) Discussie

7. Het eerste vaagpunt dat rijst in de discussie, is in hoeverre de houding van de wetgever binnen de liefdescontext past in het algemeen verbintenissenrecht, waar contractspartijen zelf kunnen regelen wat zij wensen. Indien niets is geregeld, is het aanvullend recht van toepassing, op basis van wat vanuit normatief oogpunt de geschikte oplossing wordt geacht. In de huidige context lijkt de wetgever net het omgekeerde te doen. Bijzondere zaken zijn namelijk enkel geregeld indien je ervoor kiest, via een opt-in. Wie er niet voor kiest, en dus geen gebruik maakt van de opt-in, kan nergens aanspraak op maken. Hierop antwoordt preadviseur Verbeke dat het eigenlijk foutief is om te vragen of een wetgever bijkomende regels moet maken voor informele samenwoners. Die regels zijn er namelijk al: het gemeen recht. De vraag is eerder in welke aanvullende regels, als default, er precies moet worden voorzien. De wetgever zou eerder in andere aanvullende regels dan het gemeen recht moeten voorzien binnen de liefdescontext. De wetgever biedt meer aandacht en bescherming aan onder meer de huurder en consument, dan aan de informele samenwoner. Het punt is dat de wetgever altijd tussenkomt, want er is altijd aanvullend recht.

Aansluitend rijst de vraag of mensen moeten kunnen kiezen voor elke afwezigheid van bescherming, aangezien onderzoek aantoont dat er geen sprake is van een rationele keuze binnen de liefdescontext. Gelijkaardige problemen vinden we bijvoorbeeld ook terug in de context van de zorgvolmacht, een regeling die kan worden getroffen om te anticiperen op een latere wilsonbekwaamheid. Hier werkt de autonomie om zelf te kiezen voor een bescherming blijkbaar wel, zo wordt gesteld, aangezien er erg veel zorgvolmachten worden afgesloten. Het verschil lijkt wel te zijn dat een zorgvolmacht een regeling voor zichzelf betreft, terwijl het binnen een relatie vooral gaat om een bescherming ten aanzien van de andere. Dat ligt blijkbaar emotioneel moeilijker. Er zou in deze context dus wel een minimumpakket aan aanvullende, default regels moeten worden geboden.

8. Met betrekking tot de vraag naar autonomie wordt ook opgeworpen dat daadwerkelijke autonomie slechts kan werken tussen gelijkwaardige partners. In de huidige context is daar vaak geen sprake van. Ook vandaag bestaat er nog een pension gap, en besteden vrouwen bijvoorbeeld acht uur per week meer aan huishoudelijke taken dan mannen. De socio-economische context van vrouwen is niet dezelfde als deze van mannen. Om die reden kan de idee van de partijautonomie niet daadwerkelijk aanwezig zijn. In veel andere domeinen wordt de zwakkere partner net wel dwingend beschermd (bijvoorbeeld de consument of de huurder). Het relatievermogensrecht is het enige domein waar dit niet het geval is. Ook vandaag zijn er evenwel nog veel tegenstanders van een dwingende bescherming. Er wordt eveneens opgemerkt dat het nooit met zekerheid vast te stellen is of een keuze voor de afwezigheid van bescherming een bewuste keuze is. Een opt-in-systeem voor bescherming, zoals in het huidige recht bestaat, houdt in dat er geen bescherming is indien een van beide partners dit niet wil. We kunnen niet weten of beide partners geen bescherming wensen. Het argument dat iemand bewust kiest voor de afwezigheid van enige bescherming, is om deze reden een drogargument. Bij een opt-out-systeem, zoals vandaag bijvoorbeeld bestaat in de vorm van een opt-out van het wettelijk stelsel naar een scheiding van goederen, kan het wel worden vastgesteld dat beide partners hier bewust voor hebben gekozen.

De preadviseur antwoordt dat deze argumenten inderdaad kloppen. Elk onderzoek binnen deze context wijst namelijk uit dat een opt-in-systeem niet werkt om de zwakkere partij te beschermen. De vraag is dan welk systeem wel kan werken. Een eerste optie is om een dwingende bescherming op te leggen, in overeenstemming met het eerder vermelde pleidooi voor een dwingende participatie in de aanwinsten, ongeacht of partners gehuwd zijn, wettelijk samenwonend zijn, of (gekwalificeerd) feitelijk samenwonend zijn. Het probleem van deze optie is echter dat de wetgever zeer bewust en blijvend kiest voor autonomie. Een blijvend verzet tegen dit standpunt van de wetgever is dus zinloos. Bijgevolg kadert het huidige voorstel in een tweede optie, gebaseerd op een verzoening van autonomie en solidariteit. Het houdt in dat het paradigma van autonomie serieus moet worden genomen. Indien er daadwerkelijk autonomie is, dan moeten we dit respecteren, en dan moet geen dwingende bescherming worden opgelegd. Evenwel wordt voor iedereen een default systeem opgelegd, waarin wordt voorzien in een bescherming zoals nu bestaat in het huwelijk. Indien deze bescherming niet gewenst is, is er de mogelijkheid van een opt-out. Dat is een versterkte opt-out, die begeleid wordt door notarissen, zoals vandaag in België al het geval is voor erfovereenkomsten. Op deze manier wordt de machtspositie verlegd. Bij een opt-in zit de machtspositie bij de sterkere partij. Bij een opt-out moeten de partijen een proces van doordachte onderhandelingen doorlopen. Dit is de voorgestelde methode om de autonomie te redden. De autonomie zelf moet namelijk niet begraven worden. Op deze manier wordt het huidige voorstel dus onderscheiden van een dwingende regeling.

Er wordt tot slot opgemerkt dat voornamelijk mensen met voldoende geld en tijd een dergelijke versterkte opt-out kunnen realiseren. Voor de zwakkeren in de maatschappij zijn er vaak te hoge drempels, en ook naar de notaris gaan kan al een te hoge drempel zijn. Om die reden is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor begeleidende maatregels. De preadviseur antwoordt dat bijvoorbeeld kan worden voorzien in pro-Deobijstand. Daarbij is de vraag wat de beste aanvullende regeling is voor wie de prijs te hoog is: geen bescherming en een opt-in die men niet kan betalen, of een default bescherming en een opt-out die men niet kan betalen.

9. Een van de leden onderschrijft het voorstel vanuit de idee dat mensen die vandaag wettelijk samenwonen, vaak niet weten wat de gevolgen zijn. Veel wettelijke samenwoners denken dat de bescherming dezelfde is als in het huwelijk. De wetgever werkt dit zelf ook in de hand door in een gelijkstelling te voorzien in de erfbelasting, maar een verschillende behandeling te behouden in het burgerlijk recht. Hierbij aansluitend wordt opgemerkt dat het familierecht vaak achterloopt op het sociaal en fiscaal recht. Het beleid zelf moet uniform zijn. Nu wordt soms wel en soms niet in een regeling voorzien. Het «secundaire familierecht» is vandaag veel sterker dan het «primaire», burgerrechtelijk familierecht. Dit voorstel brengt het familierecht terug naar waar het hoort.

Hierbij aansluitend wordt opgemerkt dat er in de praktijk inderdaad een grote behoefte is aan een regeling voor samenwoners. Dit is ook de realiteit: mensen wonen meer samen en trouwen minder. De vraag naar bescherming is dan ook logisch. Feitelijk samenwonen creëert rechtsgevolgen. Het vrijheidsdenken hierover is nergens op gebaseerd, want er moet verantwoordelijkheid zijn in dit geval. Op basis van deze redenering is het voorstel niet noodzakelijk een revolutie, maar eerder een evolutie die moet worden aangemoedigd. Ook rechters hebben nood aan een wettelijke invulling, aangezien problemen niet opgelost geraken op basis van het gemeen recht.

10. Een andere vraag die rijst, is of een systeem van gemeenschap van goederen met opt-out voor de koude uitsluiting of zuivere scheiding van goederen een oplossing kan bieden. De preadviseur antwoordt dat dit systeem ook vandaag al bestaat, zowel in Nederland als in België. Binnen het huwelijk geldt de gemeenschap van goederen als default, en kunnen echtgenoten via een opt-out kiezen voor de koude uitsluiting of zuivere scheiding van goederen. De eerder vermelde kritiek is ook binnen het huwelijk van toepassing. De opt-out is vandaag te gemakkelijk te bereiken. Binnen het voorstel geldt de vereiste van een versterkte opt-out ook binnen het huwelijk. Vandaag is de meerderheid echter niet meer getrouwd, maar ongehuwd samenwonend. Ook voor deze koppels is een regeling nodig. Op iedereen kan eigenlijk hetzelfde systeem worden toegepast. Ook de keuze dat een koude uitsluiting of zuivere scheiding van goederen nodig is om de ene echtgenoot te beschermen tegen beroepsschulden van de ondernemende echtgenoot, is het «misverstand van de scheiding van goederen». Het basissysteem van scheiding van goederen is een legitieme keuze. Intern, tussen de echtgenoten, moet echter wel in een billijke regeling worden voorzien. Dat kan bijvoorbeeld via een systeem van verrekening van aanwinsten. Ook bij de hervorming in 2018 is gedebatteerd over de invoering van een systeem van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten als wettelijk stelsel. Toen werd dat voorstel niet nader bekeken, aangezien de hervorming een evolutie diende te zijn, eerder dan een revolutie. In elk geval is een balans tussen externe bescherming (ten aanzien van schuldeisers) en interne bescherming (tussen de echtgenoten) perfect mogelijk.

11. De vraag rijst naar de ruimte voor partijen om zelf te contracteren, en om af te wijken van de default regeling. Er wordt onder meer verwezen naar de regeling in het appartementsrecht, waarbij mensen samenleven met mensen voor wie zij niet zelf hebben gekozen. Hier zorgt de wetgever daadwerkelijk voor een dwingend kader, en wordt alle autonomie weggenomen. Bij bepaalde elementen van samenlevingsvormen bestaat er bijgevolg wel een bevoogding door de wetgever, zo wordt geargumenteerd. Preadviseur Verbeke beargumenteert dat de wetgever inderdaad gemakkelijker tussenkomt in andere, marktgerelateerde domeinen. De reden hiervoor is dat de wetgever aarzelt om de slaapkamer van de burgers te betreden, en angst heeft om zich in te mengen met het intieme.

12. De preadviseur verwijst in de discussie ook naar de verantwoordelijkheid van het notariaat en van adviseurs in het algemeen. Dit komt overeen met de idee dat het notariaat van ons allemaal is,2 en de notaris net tot doel moet hebben om de gewone burger te helpen en bij te staan, althans in België. Het eerder vermelde voorbeeld van de zorgvolmacht toont aan hoe belangrijk de rol van het notariaat is. Dit staat in contrast met een recent Belgisch empirisch onderzoek dat binnen de context van affectieve relaties uitwijst dat notarissen koppels net vaak wegsturen van enige bescherming.3 Tegen dit laatste argument wordt ingebracht dat dit een verbazende vaststelling is. Bij notarissen komen bijvoorbeeld ook veel nieuw samengestelde gezinnen om hun situatie te regelen. Bij die gezinnen blijkt net heel duidelijk een eigen behoefte aan autonomie voor zichzelf en voor de eigen afstammelingen. Bij deze gezinnen speelt vaak de overweging dat zij bij een eerdere relatie of bij een eerder huwelijk reeds de dupe zijn geweest van solidariteit, en dat geen tweede keer willen. Daarnaast blijkt een keuze voor autonomie ook vaak te komen vanuit de druk van ouders. Als oudere en vermogende generatie sporen zij hun kinderen vaak aan om te kiezen voor zichzelf, en dus voor autonomie. Preadviseur Verbeke benadrukt dat hij erg sterk gelooft in het notariaat. In het preadvies wordt dan ook een determinerende rol voor het notariaat voorzien. De wettelijke versterkte opt-out die hij voorstelt, ligt volledig in handen van de notaris als procesbewaker, daarbij voortbouwend op wat de Belgische wetgever in 2018 al invoerde voor erfovereenkomsten.

Wat betreft de rol van het notariaat, wordt tevens vermeld dat vanuit een steekproef bij een honderdtal notarissen blijkt dat de idee van de partijautonomie zeer sterk is ingebed bij notarissen. De in 2018 ingevoerde rechterlijke billijkheidscorrectie op de scheiding van goederen wordt bij de meerderheid van de notarissen met argwaan aanschouwd. Het vaak aangehaalde probleem is rechtszekerheid. De zuivere scheiding van goederen is nog steeds een voorkeurssysteem onder notarissen, zeker in Wallonië. Ook bij notarissen leeft de eerder vermelde drogreden dat een zuivere scheiding van goederen noodzakelijk is om de echtgenoot van de ondernemer te beschermen tegen beroepsschulden. Een verrekenbeding als correctiemechanisme is evenmin populair. Vaak wordt aangehaald dat het systeem te complex is. Het is enerzijds complex om uit te leggen aan de burger, en anderzijds betreft het een complexe aangelegenheid voor de notaris-vereffenaar. In huwelijksovereenkomsten wordt dit systeem dus weinig opgenomen. De preadviseur voert aan dat de verrekening van aanwinsten in vele andere landen, waaronder Duitsland, Frankrijk en Nederland, geen enkel probleem is, maar in België wordt het als te complex aanschouwd. Het systeem op zich is echter niet te complex, maar er is eerder wellicht sprake van koudwatervrees. Overigens kunnen ook contractuele verrekenbedingen worden opgenomen, die minder complex zijn. Daarnaast benadrukt Verbeke erg te geloven in de toegevoegde waarde van het Belgische notariaat, maar wel ontgoocheld te zijn over de reactie van notarissen op de formaliteiten bij erfovereenkomsten. Veel notarissen vinden deze te verregaand. Voor een ontervend beding in een huwelijksovereenkomst wordt bijvoorbeeld geargumenteerd dat een cliënt nu niet meer direct een huwelijksovereenkomst kan verkrijgen, aangezien een van de formaliteiten een wachttermijn is. Er is dan ook vaak discussie over hoe deze formaliteiten kunnen worden omzeild. Het standpunt van de preadviseur is om deze formaliteiten net te omarmen. Er is weliswaar de vrees bij het huidige voorstel dat het notariaat zou beargumenteren dat de formaliteiten voor de opt-out te moeilijk zijn, en te veel tijd zullen vergen. De preadviseur beargumenteert aansluitend dat mensen die geïnformeerd zijn en die onderhandelen, kiezen voor het huwelijk en voor de bescherming van het huwelijk. Op basis van het onderzoek «wil de jeugd nog trouwen?»4, uitgevoerd bij een 100-tal manama-notariaatstudenten en een 100-tal masterstudenten, werd dit punt onderzocht. In eerste instantie dienden de studenten na te denken over hun onderliggende belangen. In tweede instantie werden ze gekoppeld aan een medestudent, waarbij ze een onderhandeling moesten voeren naar het door hen gewenste relatiestatuut en de vermogensregeling. Nagenoeg 100% van hen koos voor het huwelijk, en zo’n 96% van hen koos voor een systeem waarbij het vermogen opgebouwd tijdens het huwelijk onder hen werd gedeeld. Hoewel er methodologische beperkingen zijn, toont dit aan hoe belangrijk informatie en onderhandeling zijn.

13. Er wordt ook aangehaald dat er vaak een verschil bestaat tussen wat een koppel wenst, en wat contractueel bereikt kan worden. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat partners buiten het huwelijk een gemeenschappelijk vermogen wensen, maar dat de notaris hier niet aan wil of kan meewerken.

Preadviseur Verbeke antwoordt dat samenlevingsovereenkomsten in België zeer uitzonderlijk worden opgemaakt. Zelfs indien er een samenlevingsovereenkomst is, is ze vaak een lege doos zonder daadwerkelijke bescherming. Een tweede punt is dat de Belgische wetgever vandaag expliciet verbiedt dat er een keuze kan worden gemaakt voor een element uit een ander menu. Een ongehuwde samenwoner kan bijvoorbeeld niet kiezen voor een gemeenschap van goederen. Deze mogelijkheid is bij de hervorming in 2018 door hem voorgesteld, maar werd afgewezen. Het argument was namelijk dat dit de ongehuwde samenwoners te dicht bij het huwelijk zou brengen. Er is dus sprake van een ideologische «typedwang». Het argument is een paradox: de autonomie wordt vooropgeplaatst, maar er mag vanuit de autonomie geen keuze worden gemaakt voor een gemeenschappelijk vermogen. Dit is dus een verboden wettelijke solidariteit.

14. Tot slot rijst de vraag of een versterkte opt-out geen risico op manipulatie inhoudt. De preadviseur antwoordt dat het systeem van de versterkte opt-out buffers tegen manipulatie en intimidatie inbouwt. De formaliteiten gaan namelijk nog verder dan de formaliteiten die vandaag wettelijk zijn ingeschreven voor erfovereenkomsten. Zo zal het nodig zijn dat elke partij een verplicht individueel onderhoud heeft met de notaris, en moet deze notaris de «volle-draagwijdte-besef-check» doen. En daarnaast wordt het voorbereidings- en onderhandelingsproces strikt wettelijk geregeld en door de notaris of bemiddelaar begeleid.

III. De inhoud van een minimale default regeling

a) Toelichting

15. Het tweede onderdeel van de vergadering start opnieuw met een toelichting door preadviseur Verbeke. Net zoals preadviseur Schrama beargumenteert hij dat de bescherming die de wetgever als default heeft gekozen voor het huwelijk, ook binnen de ruimere default regeling voor alle duurzame en intieme relaties (ongeacht het relatiestatuut) kan worden overgenomen. Het gaat concreet om vijf niveaus of modules van bescherming. Modules 1 en 2 hebben betrekking op de situatie van de partners tijdens de relatie: bijstand op emotioneel vlak en hulp op economisch vlak. Modules 3 en 4 hebben betrekking op de regeling bij een relatiebreuk: alimentatie en vermogensdeling. De vermogensdeling uit zich in principe in een systeem van gemeenschap van aanwinsten. Module 5 heeft betrekking op de regeling bij overlijden, die gebaseerd is op de verzorgingsgedachte ten aanzien van de langstlevende echtgenoot. Met betrekking tot dit element wijkt het huidige systeem in België wel af van het systeem in Nederland. Vanuit het Belgische preadvies wordt de lege ferenda voorgesteld om de faciliterende solidariteit van de huwelijksvoordelen uit te breiden naar de niet-huwelijkse samenleving, via een systeem van relatie-aanwinsten.

Bij deze modules is de idee dus dat wat vandaag al bestaat voor het huwelijk, wordt overgenomen als default regeling voor alle duurzame en intieme relaties. Binnen de discussie zullen voornamelijk de eerste vier modules worden besproken, die in België en Nederland min of meer gelijklopen. De vijfde module met betrekking tot het erfrecht is fundamenteel verschillend, en heeft ook een verticale dimensie (naar afstammelingen).

16. De idee is bijgevolg dat het bestaande recht wordt behouden. Een kleine nuance hierop is het voorstel voor een dubbel wettelijk stelsel (een gemeenschap van aanwinsten en een verrekening van aanwinsten). Voor gehuwden is de default een gemeenschap van aanwinsten. Voor samenwoners zou de voorgestelde default een verrekening van aanwinsten zijn, met twee bijkomende nuances: een cap op de verrekening op 250.000 euro geïndexeerd per jaar, en een billijkheidsexceptie. Samenwoners kunnen ook kiezen voor een gemeenschap van aanwinsten. Omgekeerd kunnen echtgenoten ook kiezen voor het systeem van verrekening van aanwinsten, aangevuld met de cap en de billijkheidscorrectie. De keuze voor het ene, dan wel het andere systeem, kan gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Er is een verschil tussen beide systemen, maar die verschillen zitten vooral in de nuances. Globaal gezien is het resultaat hetzelfde. Bijgevolg kan de vraag rijzen waarom we dan toch niet moeten opteren voor één systeem. De idee is dat het huwelijksvermogensrecht zoals het vandaag bestaat, met een gemeenschap van aanwinsten, goed werkt, en dat het daarom ook niet veranderd moet worden. De motivering voor de twee systemen is als volgt. In 2005 merkte Verbeke reeds op dat bij de openstelling van het huwelijk voor koppels van hetzelfde gender nooit de vraag is gesteld naar de geschiktheid van het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten.5 In 2024 werd hierop voortbouwend samen met Hannelore Thijs een empirische bevraging gedaan bij koppels van hetzelfde gender: komt het wettelijk gemeenschapsstelsel tegemoet aan hun wensen, of is er meer nood aan autonomie?6 De conclusie was dat er iets meer animo lijkt te zijn voor een stelsel gebaseerd op scheiding van goederen, gecombineerd met een vermogensdeling. Hier zal nog vervolgonderzoek naar worden gedaan. De vraag rijst wel of deze inzichten, met name dat er soms iets meer nood is aan autonomie dan in het wettelijk stelsel vandaag wordt geboden, ook niet van toepassing kan zijn bij koppels van verschillend gender. Het proefschrift van Hannelore Thijs toont aan dat er een bandbreedte is op het continuüm van solidariteit, met bv. 42% voor de Belgische verrekening van aanwinsten en 52% voor de gemeenschap van aanwinsten.7 Dit is een belangrijk inzicht en biedt mensen een keuze tussen meer of minder autonomie met toch een voldoende solidariteit voor iedereen. Met een inclusief familiaal vermogensrecht als uitgangspunt moet iedereen de keuze voor de ene, dan wel de andere optie worden geboden, via een eenvoudige check the box. Maar het default systeem binnen het huwelijk wordt het best gelaten zoals dat vandaag is. Ook indien koppels willen kiezen voor meer solidariteit, bijvoorbeeld via een inbreng in het gemeenschappelijk vermogen, kan dit via een gewone notariële overeenkomst. Dit is een opt-more.

b) Discussie

17. De eerste vraag die wordt gesteld, is of het voorgestelde systeem niet tot de afschaffing van het huwelijk zal moeten leiden. Veel jongeren kiezen hier namelijk niet meer voor. In Nederland wordt eveneens minder gekozen voor een geregistreerd partnerschap, omdat het dezelfde gevolgen heeft als het huwelijk. Een ander lid stelt zich ook de vraag of het voorstel het einde van het burgerrechtelijk begrip huwelijk betekent, nu het huwelijk slechts een van vele tinten grijs wordt.

Preadviseur Verbeke benadrukt dat dit een terecht punt is, in overeenstemming met zijn eerdere publicatie «Weg met huwelijk en echtscheiding?»8 Het huwelijk is een beladen term, en heeft eigenlijk meer religieuze connotaties. In principe klopt het argument dus. De leidraad van het preadvies is echter pragmatiek, vanuit de idee dat niets moet veranderd worden indien dat niet nodig is. Daarnaast is het huwelijk ook voor velen, vooral ouderen, nog een beladen term in positieve zin. Hoewel het huwelijk niet meer wordt aanbeden zoals vroeger, is het nog steeds een waardevolle en nuttige relatievorm. Om die reden zal het huwelijk afschaffen ook meer schade aanrichten dan wanneer het wordt behouden. De realiteit is echter dat mensen minder geïnteresseerd zijn in het huwelijk, en op een andere manier aan relatievorming doen. Daarom moeten we weg van de starre en categorische imperatief, naar een flexibel en modulair systeem. Het huwelijk blijft waardevol, maar zal niet langer het dominante model zijn. Daarbij aansluitend is het zo dat mensen die niet in het (hetero- en mono-)normatieve model passen, zich door het familierecht voelen uitgesloten. Het voorstel is een inclusiever systeem, zonder overinclusief te zijn. Er is nood aan openheid van geest. Het huwelijk blijft waardevol als organisatorisch model, maar dat sluit niet uit dat er bijvoorbeeld ook open relaties en open huwelijken kunnen zijn.

18. Met betrekking tot de bijstandsmodule rijst de vraag of dit een element van de inhoud van de regeling moet zijn, of een voorwaarde voor de toepassing ervan. De preadviseur antwoordt dat er ook tussen vrienden een emotionele bijstandsverplichting kan zijn. In die zin vormt het een prealabele voor elke intieme relatie.

Daarbij aansluitend wordt opgemerkt dat de bijstandsverplichting niet zou moeten worden opgenomen in het burgerlijk recht. Op zich is dat het mooiste aspect van het primair huwelijksrecht, maar eigenlijk is het eerder een kenmerk van een goede relatie. Moet het als verplichting worden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek? De vergelijking met het ouderschap wordt gemaakt: een emotionele commitment naar het kind toe staat ook niet in het Belgische Burgerlijk Wetboek (wel in Nederland) en kan niet worden afgedwongen. De preadviseur antwoordt dat het vooral van belang is dat het een criterium vormt voor affectieve relaties die tot bescherming zullen leiden. Dit is ook het enige criterium dat niet weg kan worden bedongen. Voor de systematische onderbouwing is het criterium nodig. Daarvoor moet het niet noodzakelijk in de wet. Als onderscheidend criterium tussen gewone affectieve relaties en intieme relaties is het wel nodig.

De vraag wordt opgeworpen of dit element niet tot discussie zal leiden, met name of de partners wel daadwerkelijk voor elkaar hebben gezorgd. Zo wordt het voorbeeld gegeven dat een ex-partner kan argumenteren dat hij module 4 niet hoeft na te leven omdat de andere ex-partner module 1 niet heeft nageleefd. Meerdere leden argumenteren dat module 1 niet thuishoort in het voorgestelde systeem. Het gaat vooral om iets symbolisch. Misschien moet het helemaal niet worden betrokken, en moet er enkel gekeken worden naar de economische aspecten, zo wordt gesteld.

19. De vraag rijst vervolgens hoe de opt-out precies moet werken. Bepaalde omstandigheden zijn namelijk niet voorzienbaar op het ogenblik van de opt-out. Kan hier nadien nog iets tegen worden ingebracht? De preadviseur antwoordt dat het contractueel altijd mogelijk is om bepaalde zaken te bedingen bij ontbindende voorwaarde, of om clausules voor heronderhandeling op te nemen. Om deze redenen is de «volle-draagwijdte-besef-check» van belang, waaronder het aftoetsen van een rampscenario. Deze elementen moeten worden besproken. Meer dan dat kan niet worden gedaan. Er is wel een mogelijkheid voor een termijngebonden opt-out. Toch pleit de preadviseur ervoor dat een opt-out wordt gerespecteerd, net omdat de waarborgen zeer ver gaan.

Een bijkomende vraag is voor welke elementen een opt-out mogelijk is. Een opt-out voor alles wordt als te verregaand beschouwd, aangezien minstens de hulpplicht tijdens de relatie dwingend zou moeten zijn. Hierop antwoordt preadviseur Verbeke dat een opt-out voor alles binnen het huwelijk inderdaad revolutionair is, en dat de hulpplicht eventueel niet contractueel uit te sluiten zou moeten zijn. Wel is van belang om de private opt-out, bv. uit module 3, ook te koppelen aan de publieke voordelen of wettelijke privileges, zoals fiscale voordeeltarieven. Indien alimentatie wordt uitgesloten, kunnen de partners zich niet op deze wettelijke privileges beroepen. De preadviseur argumenteert dat indien we de ware autonomie serieus willen nemen, we respect moeten hebben voor een volledige opt-out. De huidige aannames over de autonomie zijn nergens op gebaseerd. Indien partners op een faire manier worden begeleid in hun autonomie, dan moeten we dat respecteren. Bepaalde elementen als dwingend opleggen, is problematisch naar het beleid toe. De facto zal het voor veel mensen wel als een dwingende regeling aanvoelen, omdat een opt-out veel tijd en energie kost, en een zwaar en formeel proces vereist. Dit is een vorm van nudging. Je kan eruit, maar het wordt wel moeilijk gemaakt.

IV. Kwalificatiecriteria

a) Toelichting

20. Het derde vraagstuk werd geïntroduceerd op basis van het volgende discussiepunt. Het grote verschil tussen het huwelijk en het geregistreerd partnerschap enerzijds, en de feitelijke samenwoning anderzijds, is de aan- of afwezigheid van duidelijke aanvangs- en eindmomenten. Op basis daarvan treden regels in werking. Bij de feitelijke samenwoning zijn die duidelijke momenten niet aanwezig, aangezien die vaak heel geleidelijk gebeurt. Het moet voor de burger wel duidelijk zijn wanneer de regels in werking treden.

21. De toelichting van preadviseur Verbeke is als volgt. Elke geregistreerde samenleving, dus het huwelijk en het geregistreerd partnerschap of de wettelijke samenwoning, heeft een duidelijk start- en eindpunt. Om als informeel ongehuwde samenwoners onder de default regeling te vallen, moeten zij eerst kwalificeren. Een eerste optie om te kwalificeren, is het registeren van de feitelijke samenwoning. Dat systeem werd overwogen in Duitsland voor de Verantwortungsgemeinschaft, maar is uiteindelijk niet geïmplementeerd. De verwachting is dat informele samenwoners uit de aard niet zullen registreren. Men zou dit vanuit de overheid wel kunnen stimuleren. Een andere optie heeft betrekking op de daadwerkelijk informele samenwoners. Het is in elk geval niet de bedoeling om de samenwoners meteen te onderwerpen aan de default regeling. Na een bepaalde tijdsperiode is het vrijblijvende karakter van de relatie echter weg, en is er wel sprake van een kantelpunt. Op basis van rechtsvergelijkende elementen wordt voor deze groep het volgende voorstel gedaan. Het systeem treedt in werking op basis van een «1-3-5-regel». Een eerste mogelijkheid is dat de samenwoners samen een kind hebben en één jaar op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn. Een tweede mogelijkheid is dat de samenwoners samen een huis in onverdeeldheid hebben en drie jaar op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn. Bij een derde mogelijkheid is er geen kind en is er geen huis in onverdeeldheid. In dat geval treedt het systeem in werking indien de samenwoners minstens vijf jaar op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn. Deze 1-3-5-regel, in combinatie met de nodige informatieverstrekking, moet ervoor zorgen dat mensen niet meer kunnen argumenteren dat ze niet op de hoogte waren van de toepassing van de default regeling.

22. Hierbij aansluitend is het voorstel van de preadviseur om mensen voor dit kantelmoment toe te laten om naar de notaris te gaan en een «notariële verklaring van niet-intieme relatie» te laten afleggen. In dat geval zullen geen van de default modules van toepassing zijn. De preadviseur geeft aan te twijfelen of er in dit geval al dan niet een versterkte opt-out nodig is. Mogelijk zal de vereiste van de notariële verklaring in dit geval volstaan om te beseffen wat de gevolgen zijn. Het is dan zonder meer acceptabel dat mensen beslissen om niet aan het default systeem onderworpen te worden. Er is wel een absolute noodzaak van meer sensibilisering en informatie.

b) Discussie

23. Een eerste vraag die rijst, betreft het criterium «samenwonen»: gaat het om louter samenwonen, of om samenwonen met een partner? De preadviseur antwoordt dat de default regeling enkel van toepassing is bij samenwoningen tussen twee personen als koppel. Een ander lid merkt op dat soortgelijke criteria al decennialang bekend zijn in het domein van de sociale zekerheid en van de fiscaliteit. Daar vormt het geen groot probleem om koppels onder te brengen, en het voorstel is niet fundamenteel anders. Er is wel enige vrees voor wetsontwijking en wetsontduiking, en er wordt voorgesteld om de versterkte opt-out ook toe te passen op de notariële verklaring van niet-intieme relatie.

Er wordt verder opgeworpen dat problemen vaak pas vele jaren later rijzen, en op dat ogenblik zal het er niet meer toe doen hoelang men moet terugkijken in de tijd. De preadviseur antwoordt dat indien er een relatiebreuk is na drie jaar (zonder kind of gezamenlijke woning), er geen bescherming zal zijn. In overeenstemming met het sociaal en fiscaal recht zou eventueel aan de voorwaarden kunnen worden toegevoegd dat er sprake moet zijn van een huishouden als koppel. Met betrekking tot het voorgestelde criterium van vijf jaar, rijst de vraag naar de gevolgen voor twee studenten die samen iets huren, en of zij ook tijdig een verklaring moeten afleggen om de default regeling te vermijden.

De preadviseur benadrukt dat in het preadvies ook een onderdeel wordt gewijd aan pragmatisch samenwonen, zoals bij cohousing. Er wordt van hen niet verwacht dat zij naar de notaris gaan. Opnieuw is dit in overeenstemming met het sociaal en fiscaal recht: zij voeren geen gemeenschappelijke huishouding als koppel. Indien een van hen het gevoel heeft dat dit toch aan de orde is, dan zullen ze naar de notaris moeten gaan. Maar wellicht zal dit probleem zeer zelden rijzen.

Hierbij aansluitend wordt opgemerkt dat er wel een probleem kan rijzen wanneer de partners uit elkaar gaan, en een van hen argumenteert dat niet voldaan is aan het criterium van de gemeenschappelijke huishouding. Dat is wel een aandachtspunt, zo wordt gesteld. De preadviseur stelt dat we hier de grenzen van het rechtssysteem moeten aanvaarden. Evenwel ligt de bewijslast bij de persoon die argumenteert dat er geen gemeenschappelijke huishouding is. Er is een bewijsvermoeden dat de gemeenschappelijke huishouding wel bestaat, net zoals dit in het fiscaal recht bestaat.

24. De vraag rijst of een «opt-out» geen verkeerde term of kwalificatie is. Er wordt uitgegaan van een feitelijke situatie waar een default regeling op wordt toegepast, zonder duidelijke trigger. De feitelijke toestand wordt voor de hele maatschappij de maatstaf. Ook wordt de vraag gesteld of er cijfermatig duidelijkheid is inzake het aantal daadwerkelijke probleemgevallen, om zo te weten of het daadwerkelijk de moeite zal lonen om het systeem te implementeren. Hierop wordt geantwoord dat er altijd een bepaalde kostprijs zal zijn voor de minderheid om de overgrote meerderheid van de samenlevers te beschermen. Die kostprijs is dan het afleggen van een verklaring. Ook in het familierecht worden overigens veel gevolgen gekoppeld aan loutere rechtsfeiten, bijvoorbeeld de geboorte van een kind. Dat neemt niet weg dat het vermoeden met betrekking tot het huishouden ook in het socialezekerheidsrecht het moeilijkste criterium is.

De preadviseur antwoordt ter aanvulling dat het absoluut moet worden vermeden dat loutere cohousers naar de notaris moeten gaan. Maar bij twijfel zal wel een verklaring moeten worden afgelegd. Het blijft echter steeds een niet-grijpbaar element. Ook het eerder vermelde voorstel van de registratie van de samenleving zal niet alles kunnen oplossen. De enige optie is bijgevolg het werken met een aantal criteria, waarvoor er altijd een grijze zone zal zijn. In elk geval is het voorstel gebaseerd op de idee dat een keuze niet enkel in woorden zit vervat, maar dat deze ook afgeleid kan worden uit daden en gedragingen. Hierin zit de kern: moet een samenwoning van meer dan vijf jaar worden beschouwd als de keuze van het koppel? Dit zal niet het geval zijn voor cohousing. De preadviseur pikt vervolgens ook in op de vraag of het systeem zal leiden tot frauduleuze en lichtzinnige claims voor alimentatie. Hij is van mening dat dit wellicht niet het geval zal zijn. In de rechtspraak en praktijk van landen waar soortgelijke criteria al gebruikt worden, is er geen indicatie dat er fraude is.

25. Een van de leden stelt zich de vraag of het voorgestelde systeem in de praktijk op deze manier kan werken. De vaag kan rijzen wat er gebeurt indien een van de partners niet wil trouwen en de gevolgen van de default regeling niet wil, en of deze partij dan eenvoudig deze gevolgen kan vermijden door tijdig een verklaring van niet-intieme relatie af te leggen.

Preadviseur Verbeke stelt dat dit kan worden opgevangen door in een versterkte opt-out te voorzien voor de verklaring van niet-intieme relatie. De waarborgen hiervan kunnen maximaal machtsonevenwichten mitigeren, in de mate van het mogelijke. Hij maakt de bedenking dat het inderdaad mogelijk is om de waarborgen van de versterkte opt-out op te leggen bij de verklaring van niet-intieme relatie. Indien geen van beide partijen een binding wil, dan zal de notaris dit eenvoudig kunnen vaststellen, en kan de verklaring worden afgelegd.

V. Stemming

26. Over de drie besproken elementen volgde een stemming.

Met betrekking tot de omkering van een het huidige opt-in-systeem naar een opt-out-systeem (II.) is de vergadering quasi unaniem voorstander.

Met betrekking tot een default regeling voor de vier modules (bijstand en hulp, alimentatie en vemogensdeling) (III.), is de vergadering quasi unaniem voorstander. Dit gegeven moet wel worden genuanceerd, vanwege de discussie over de eerste module. De preadviseur geeft aan de tekst te zullen aanpassen in overeenstemming met deze bedenkingen.

Wat betreft de toepassingscriteria voor het default systeem (III.) wordt een onderscheid gemaakt tussen de vier voorgestelde mogelijkheden. Met betrekking tot de mogelijkheid van registratie is de vergadering quasi unaniem voorstander. Met betrekking tot de toepassing vanaf één jaar gedomicilieerd op hetzelfde adres en een kind, is de vergadering quasi unaniem voorstander. Met betrekking tot de toepassing vanaf drie jaar gedomicilieerd op hetzelfde adres en een huis in onverdeeldheid, is de vergadering quasi unaniem voorstander. Met betrekking tot de toepassing vanaf vijf jaar gedomicilieerd op hetzelfde adres en een gezamenlijke huishouding geldt een vrij duidelijke meerderheid, maar geen quasi unanimiteit. Ook hier moet worden opgemerkt dat er discussie blijft bestaan over de bewijsrechtelijke implicaties.

Tot slot werd ook de vraag opgeworpen naar de mogelijkheid van een opt-in voor het modulaire raamwerk voor andere intieme relaties, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naargelang het aantal partners. Met deze mogelijkheid gaat een meerderheid van de aanwezigen akkoord.

Wetgeving in kort bestek

Onder de zorg van de Faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel (coördinatie: prof. dr. F. Eggermont)

Dit overzicht betreft de wetgeving bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van juli 2025.

Burgerlijk Wetboek - Vruchtgebruik - Lijfrente - Omzettingstabellen

Bij ministeriële besluiten van 1 juli 2025 (BS 3 juli 2024) zijn de omzettingstabellen van respectievelijk het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4.64, §§ 3 en 5, van het Burgerlijk Wetboek en de lijfrente als bedoeld in artikel 205bis, § 2, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaald.

Onderwijsdecreet XXXV

Het decreet van 6 juni 2025 «over het onderwijs XXXV» (BS 9 juli 2025; gedifferentieerde regeling inzake de inwerkingtreding) stemt onder meer de specifieke buitencontractuele aansprakelijkheidsregels die gelden voor cursist-stagiairs (volwassenenonderwijs), leerling-stagiairs (secundair onderwijs) en student-stagiairs (hoger onderwijs), af op de nieuwe aansprakelijkheidsregels van het Burgerlijk Wetboek die sinds 1 januari 2025 in werking zijn getreden. Voorts wordt een recht ingevoerd op een gegarandeerde schoolloopbaan voor leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen, zowel in het basis- als secundair onderwijs, en wordt de zogenaamde ventielprocedure bij inschrijvingen zowel in het basis- als secundair onderwijs aangepast, wanneer schoolbesturen in de onmogelijkheid zijn om bij de inrichting van een nieuw capaciteitsniveau aan te sluiten bij een aanmeldingsprocedure. Tevens wordt de mogelijkheid om een uitzondering aan te vragen op de zogenaamde equivalentievoorwaarde voor de organisatie van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen afgeschaft.

Burgerlijk Wetboek - Zekerheden - Persoonlijke zekerheden

De wet van 5 juni 2025 «houdende titel 1 «Persoonlijke zekerheden» van boek 9 «Zekerheden» van het Burgerlijk Wetboek» (BS 11 juli 2025; inwerkingtreding op 1 januari 2026) heeft als betrachting om het recht der persoonlijke zekerheden te moderniseren. Hoofdstuk 1 van Boek 9 bevat de gemeenschappelijke regels, waaronder de bepaling dat het gaat om aanvullend recht, het toepassingsgebied en de regeling inzake het ontstaan van een persoonlijke zekerheid. Voorts worden geregeld: de rechtverkrijgenden van de zekerheidssteller; de zekere wilsuiting; de interpretatie; de hoofdelijkheid tot zekerheid en sterkmaking tot uitvoering; de solvabiliteit en bekwaamheid van de zekerheidssteller; de insolvabiliteit van de zekerheidssteller. Hoofdstuk 2 regelt de accessoire persoonlijke zekerheid (borgtocht). Afdeling 1 heeft betrekking op de aard en omvang van de borgtocht en bevat regels inzake het vermoeden van borgtocht; het accessoir karakter; de omvang van de gewaarborgde verbintenis; de excepties; het gezag van gewijsde; de toekomstige verbintenissen (borgtocht voor alle schuldvorderingen); de interpretatie van de borgtocht voor alle schuldvorderingen; de rechtverkrijgenden van de borg; de opzegging van de borgtocht voor onbepaalde duur; de omvang van de dekking; de pluraliteit van borgen. Afdeling 2 regelt de gevolgen van de borgtocht tussen de schuldeiser en de borg, en omvat de subsidiaire aard (ingebrekestelling); het voorrecht van uitwinning; de informatieplicht. Afdeling 3 heeft betrekking op de gevolgen van de borgtocht tussen hoofdschuldenaar en borg en tussen borgen onderling en omvat: het verhaalsrecht van de borg; de pluraliteit van borgen (onderling verhaal en verhaal tegenover de hoofdschuldenaar); de verbintenissen van de borg voor nakoming; het anticipatief verhaalsrecht. Afdeling 4 gaat over het tenietgaan van de borgtocht en omvat: de zelfstandige gronden; de schuldvermenging; de verhinderde subrogatie; de inbetalinggeving; de termijnverlenging. Hoofdstuk 3 gaat over de autonome persoonlijke zekerheid. Het toepassingsgebied wordt bepaald en omvat vervolgens de verbintenissen van de steller van de autonome garantie bij afroep van de autonome garantie; het manifest abusief of bedrieglijk verzoek; het recht op terugvordering van de steller van de autonome garantie; de termijn; de overdracht; de rechten van de steller van de autonome garantie na nakoming. Hoofdstuk 4 gaat in op de persoonlijke zekerheid gesteld door een consument. Na de bepaling van het toepassingsgebied worden de toepasselijke regels weergegeven. Daarna wordt ingegaan op de precontractuele informatieplicht van de schuldeiser; de vormvereisten; de dekking; de kennelijke wanverhouding; de verplichting van de schuldeiser tot jaarlijkse informatie; de informatieplicht in geval van niet-nakoming; de erfgenamen. Hoofdstuk 5, ten slotte, regelt de wettelijke borgtocht en gerechtelijke borgtocht; de voorwaarden; alsook de vervangende zekerheid; het voorrecht van uitwinning; de achterborg.

Verzamelen van handtekeningen - Maximumtermijn - Verzoekschriften - Kamer van volksvertegenwoordigers

De wet van 2 juli 2025 (BS 15 juli 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) bepaalt een maximumtermijn van twee jaar voor het verzamelen van handtekeningen betreffende de bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediende verzoekschriften.

Internationale bescherming - Behandeling van een volgend verzoek - Vreemdelingen - Opvang van asielzoekers

1. De wet van 14 juli 2025 «tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming» (BS 23 juli 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) bepaalt dat het verzoek om internationale bescherming dat een vreemdeling doet nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek in een andere lidstaat is genomen, als een volgend verzoek om internationale bescherming wordt beschouwd en geregistreerd.

2. De wet van 14 juli 2025 «tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen» (BS 23 juli 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) geeft het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers het recht om de materiële hulp te beperken of, in uitzonderlijke gevallen, in te trekken, indien een asielzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie; of indien een minderjarige vreemdeling in eigen naam een verzoek om internationale bescherming indient, terwijl een eerdere aanvraag ingediend door de ouders een definitieve negatieve beslissing heeft gekregen, totdat er een beslissing is genomen waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten.

3. Het koninklijk besluit van 2 juni 2025 «tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen» (BS 23 juli 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) verkort de termijn voor het aanbrengen van een geldige reden van afwezigheid op «het gehoor» op het Commissariaat-generaal van vijftien tot acht dagen.

Justitiehuizen - Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht - Optimalisering van de werkprocessen - Juridische eerstelijnsbijstand

Het decreet van 4 juli 2025 «tot wijziging van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand, wat betreft de optimalisering van de werkprocessen van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht en de justitiehuizen» (BS 24 juli 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) kent o.m. aan de personeelsleden van de justitiehuizen die belast zijn met opdrachten in het kader van een gerechtelijke procedure of ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, bepaalde bindende eenzijdige beslissingsbevoegdheden toe ten aanzien van de justitiabele. Er wordt ook een decretale grondslag gecreëerd voor de identificatie van de justitiabele door de justitiehuizen aan de hand van zijn identiteitskaart en van zijn foto in het centrale bestand van de identiteitskaarten of van de vreemdelingenkaarten. Voorts wordt de regeling over het informeren van de justitiabele door de personeelsleden van de justitiehuizen beter afgestemd op de situatie van minderjarigen en op de behoeften van slachtoffers. Het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht krijgt tevens de mogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden, onder bepaalde voorwaarden, een beroep te doen op een private partner. Ten slotte wordt bepaald dat de persoon die elektronisch toezichtsmateriaal beschadigt of verduistert, een misdrijf begaat.

Wetboek der successierechten - Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

De ordonnantie van 17 juli 2025 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (BS 24 juli 2025; inwerkingtreding op de dag van bekendmaking) verlengt de zogenaamde verdachte periode, wat betreft roerende schenkingen die door de overledene zijn gedaan vóór diens overlijden, naar vijf jaar (in plaats van drie jaar).

Omgevingshandhavingsbesluit

Het Omgevingshandhavingsbesluit van 23 mei 2025 (BS 28 juli 2025; gedifferentieerde regeling inzake de inwerkingtreding) voert het Kaderdecreet van 14 juli 2023 «over de handhaving van Vlaamse regelgeving» en de bepalingen van het decreet van 5 april 1995 «houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid» (hierna: DABM) en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals gewijzigd bij het decreet van 26 april 2024, uit. Hoofdstuk 1 van het besluit («Algemene bepalingen») bepaalt welke regelgeving behoort tot de milieuregelgeving van de Europese Unie en de internationale milieuregelgeving vermeld in artikel 16.1.1, § 1, tweede lid, van het DABM. Hoofdstuk 2 («Toezicht en opsporing») bevat regels aangaande de aanstelling en de opleiding van toezichthouders, alsook nadere regels betreffende de technische controles, namelijk monsternemingen, metingen, proeven, analyses en verificaties. In hoofdstuk 3 («Bestuurlijke sanctionering») wordt de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, of zijn gemachtigde, gemachtigd om de personeelsleden van het Departement Omgeving aan te duiden die optreden als beboetingsinstantie. Hoofdstuk 4 («Herstel») regelt de aanwijzing van de gewestelijke herstelinstanties. Verder bevat dit hoofdstuk nadere regels betreffende de herstelschikkingen, handhavingsverzoeken, beroepen tegen herstelbeslissingen en het herstel bij financieel equivalent. Er wordt voorzien in de oprichting van een Vlaamse herstelraad, waarvan de samenstelling, werking en adviesprocedure wordt geregeld. Hoofdstuk 5 («Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken») regelt de bewaring, de teruggave, de kosten van bewaring en de eventuele verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging van meegevoerde en opgeslagen zaken. Hoofdstuk 6 («De toebedeling van handhavingsopbrengsten») bevat een regeling over de verdeling van de handhavingsopbrengsten. In hoofdstuk 7 («Beleidslijnen en handhavingsprogramma») wordt bepaald dat de algemene beleidslijnen voor toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging en herstel worden vastgesteld door de Vlaamse Regering. De beleidslijnen, opgenomen in bijlage 5 bij het besluit, worden beschouwd als dergelijke algemene beleidslijnen. De algemene beleidslijnen kunnen verder worden aangevuld en geconcretiseerd in een omgevingshandhavingsprogramma, dat door het Departement Omgeving wordt opgesteld en goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

Programmawet

In het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025, err. BS 29 augustus 2025, werd de Programmawet van 18 juli 2025 bekendgemaakt. Zo wordt onder meer bepaald dat wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding. Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan. Tevens wordt een permanent systeem van fiscale en sociale regularisatie heringevoerd, en worden in bepaalde gevallen sociale uitkeringen en wedden van de ambtenaren pas geïndexeerd vanaf de derde maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer werd bereikt dat een wijziging rechtvaardigt. De toegang tot een werkloosheidsuitkering wordt bemoeilijkt, waarbij opnieuw wordt aangeknoopt bij de doelstelling dat een dergelijke uitkering niet voor het leven is en dus gradueel vermindert. Voorts wordt de indexering van de hoogste pensioenen tijdelijk (gedurende de huidige legislatuur) beperkt. Ondertussen werd al een beroep tot vernietiging ingesteld bij het Grondwettelijk Hof tegen de wijzigingen aangebracht aan de pensioenregeling.

Dit overzicht betreft de wetgeving bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van augustus 2025, deel 1.

Elektronisch toezicht op de plaats waar het slachtoffer verblijft - Principiële onmogelijkheid - Vermindering van de overbevolking in de gevangenissen

De wet van 18 juli 2025 «houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft» (BS 4 augustus 2025; inwerkingtreding op de dag van bekendmaking) omvat een aantal tijdelijke noodmaatregelen die als doel hebben om de aanhoudende overbevolking in de gevangenissen te verminderen. Artikel 7 van het Strafwetboek wordt gewijzigd met het oog op het beperken van het aantal nieuwe gevangenisstraffen van korte duur. De regeling bepaalt daartoe onder meer dat de strafrechter in de erin vermelde omstandigheden principieel andere straffen dan de gevangenisstraf dient te overwegen. In sommige gevallen moet de strafrechter de keuze om toch een effectieve gevangenisstraf op te leggen uitdrukkelijk motiveren. Ook wordt bepaald welke artikelen van de wet van 17 mei 2006 «betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten» niet van toepassing zijn, behoudens enkele uitzonderingen, ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbare gedeelte drie jaar of minder bedraagt. Deze regeling geldt tot 1 juni 2030, tenzij die datum door de Koning wordt vervroegd. De uiterlijke inwerkingtreding op 31 december 2025 van de bepalingen van de wet van 17 mei 2006, van de wet van 5 mei 20192 en van de wet van 29 juni 20213 die betrekking hebben op de strafuitvoeringsmodaliteiten ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte minder dan zes maanden bedraagt, wordt opnieuw uitgesteld, ditmaal tot 1 juni 2030. Voorts wordt een nieuwe tijdelijke regeling in de wet van 17 mei 2006 ingevoegd voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteiten «beperkte detentie», «elektronisch toezicht», «voorwaardelijke invrijheidstelling», «voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied» en «voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering» door de strafuitvoeringsrechter. Deze regeling is van toepassing op de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat, waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, en ten aanzien van wie de bepalingen die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafmodaliteiten, niet van toepassing zijn. Eveneens wordt de «vervroegde invrijheidstelling «overbevolking»» vanaf zes maanden voor het strafeinde ingevoegd, en dit in beginsel tot 31 december 2026. Ten slotte wordt het principieel onmogelijk om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft. De wet voorziet in twee overgangsmaatregelen. Er is een overgangsregeling voor wat betreft de toepassing van de voormelde nieuwe tijdelijke regeling op alle verzoeken tot toekenning van de genoemde strafuitvoeringsmodaliteiten die aanhangig zijn bij de strafuitvoeringsrechter. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt daarenboven voldoende tijd om de veroordeelden zonder verblijfsrecht te kunnen identificeren en hun verwijdering te organiseren.

Beschermde persoon - Statuut van bewindvoerder

De wet van 18 juli 2025 «tot wijziging van de wet van 8 november 2023 betreffende het statuut van bewindvoerder over een beschermde persoon» (BS 6 augustus 2025; inwerkingtreding op 1 september 2025) stelt de inwerkingtreding uit van de bepalingen van de wet van 8 november 2023 wat betreft de voorwaarden om professionele bewindvoerder te worden en wat betreft de invoering van het nationaal register van professionele bewindvoerders.

Grondwettelijk Hof - Elektronische procesvoering

Het koninklijk besluit van 28 juli 2025 «tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 september 2024 betreffende de elektronische procesvoering voor het Grondwettelijk Hof» (BS 7 augustus 2025; inwerkingtreding op de dag van bekendmaking) stelt de elektronische procesvoering uit tot 1 maart 2026.

Vreemdelingen - Voorwaarden voor gezinshereniging

De wet van 18 juli 2025 «tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft» (BS 8 augustus 2025; geen bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding) heeft als doelstelling de grote instroom van gezinsmigratie beter te controleren. Zo wordt de wachttermijn uitgebreid, teneinde de gezinshereniger de kans te geven een bepaalde graad van stabiliteit en integratie te bereiken alvorens zich te laten vervoegen door zijn gezinsleden. Ook wordt, met het oog op een betere integratie en om gedwongen huwelijken te voorkomen, de leeftijdsgrens voor gezinshereniging met een echtgenoot of wettelijk geregistreerde partner opgetrokken tot 21 jaar. Tevens wordt, teneinde het risico op verval in armoede zoveel mogelijk te vermijden en te voorkomen dat nieuwkomers ten laste komen van het socialebijstandsstelsel, het referentiebedrag voor de vereiste van voldoende bestaansmiddelen bij gezinshereniging met onderdanen van een derde land en Belgen aangepast naar een bedrag dat netto gelijk is aan 110% van het gemiddeld gewaarborgd minimale maandinkomen. Dit referentiebedrag wordt verhoogd met 10% voor elk bijkomend gezinslid dat ten laste valt van de referentiepersoon in België.

1  Verbeke A.-L., «Autonomie en bescherming in horizontale affectieve relaties. Analyse naar Belgisch recht, de lege lata en de lege ferenda» en Schrama W., «Autonomie en bescherming in horizontale affectieve samenleefrelaties in het Nederlandse recht: de weegschaal slaat te ver door naar autonomie» in Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland. Preadviezen 2024, Boom, 2024, 11-139 en 141-180.

2  Verbeke A.-L., «De notaris is van ons allemaal» in Alofs E., Casman H. en Van Den Bossche A. (eds), Liber Amicorum André Michielsens, Wolters Kluwer, 2015, 715-725.

3  Leleu Y.-H., Alofs E., Harmel C. en Peters M., La transmission genrée du capital familial, Larcier-Intersentia, 2024.

4  Delbroek M., Bollen K. en Verbeke A.-L., «Wil de jeugd nog trouwen?», RW 2021-22, 151-165.

5  Verbeke A., «Homohuwelijksvermogensrecht» in Liber amicorum Professor Paul Delnoy, Larcier, 2005, 513-531.

6  Thijs H. en Verbeke A.-L., «Default property rules for same-gender marriages: equivalence over equality?», IJLPF 2024, 1-27.

7  Thijs H., Solidarity in Acquisitions Regimes, onuitg. doctoraatsthesis KU Leuven, 2024. De commerciële editie Marriage, Property and Solidarity in Europe. A Comparative Legal Analysis (Edward Elgar) verschijnt in december 2025.

8  Verbeke, A., «Weg met huwelijk en echtscheiding», TPR 2004, 969-982.

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier