• Pagina

    37


  • Datum

    16 september 2026


  • Datum

    D. Vanheule


Rechtskundig Weekblad

«Tussen demagogie en hypocrisie» - Same as it ever was? Bij de memoires van Marc Bossuyt, de eerste commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen

In 2022 verschenen de memoires van Marc Bossuyt over zijn periode als eerste Belgische commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) in de periode van 1987 tot 1997 (M. Bossuyt, Tussen demagogie en hypocrisie. Herinneringen van de eerste vluchtelingencommissaris, Aalter, Ertsberg, 2022, 482 p. Inmiddels verscheen ook de Franse editie, M. Bossuyt, Droit d’asile: louvoyer entre démagogie et hypocrisie, Parijs, l’Harmattan, 2023, 438 p.). De titel Tussen demagogie en hypocrisie verwijst naar de twee houdingen waartussen het asielbeleid laveert: de demagogie in de bewering dat het gemakkelijk is om iedereen die hier geen verblijfsaanspraak heeft, zomaar tegen te houden en weg te sturen; de hypocrisie in het formeel handhaven van een migratiebeleid waarin verblijfsregularisatie de deur op een kier zet voor wie toch niet in aanmerking komt voor verblijf.

Op 1 februari 1988 werd Bossuyt, die internationaal publiekrecht doceerde aan de Universiteit Antwerpen en in de VN-Commissie Mensenrechten actief was, in België verantwoordelijk voor het onderzoek of asielzoekers daadwerkelijk vluchteling zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag van 1951. Vluchtelingen zijn personen die hun land van herkomst zijn ontvlucht vanwege gegronde vrees voor vervolging op grond van ras, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep en in eigen land hiertegen geen bescherming krijgen. De vaststelling van die hoedanigheid is een voorwaarde om asiel en het daaraan gekoppelde recht op verblijf te verkrijgen. Artikel 33 Vluchtelingenverdrag verbiedt dat zij worden teruggeleid naar hun land van herkomst.

De erkenningsbevoegdheid was door België tot 1988 gedelegeerd aan de vertegenwoordiger van de VN-Hoge Commissaris voor Vluchtelingen. Die zag op tegen o.m. de logistieke problemen als gevolg van de verdubbeling van het jaarlijkse aantal asielaanvragen in de jaren 1980, van ca. 2.500 tot 4.500 in 1988. Geïnspireerd door het Franse model van een Office français de protection des réfugiés et apatrides (OFPRA) opteerde België voor de oprichting van een eigen administratieve instantie die onafhankelijk van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), die de gewone verblijfsdossiers behandelt, het onderzoek zou voeren. Hoger beroep werd mogelijk bij een administratief rechtscollege, de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen (VBV). Deze structuur is tot op vandaag behouden, zij het dat de VBV inmiddels is opgegaan in de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV).

Memoires

Het boek is opgebouwd uit hoofdstukken die chronologisch ingaan op de ontwikkelingen van het asielbeleid en de concrete uitwerking ervan in de praktijk van de CGVS. Zij wisselen af met hoofdstukken waarin het verhaal van (vaak ophefmakende) individuele asieldossiers aan bod komt. Het is gelardeerd met anekdotes die de werking van het commissariaat in die periode en, zoals dat gaat in memoires, het persoonlijke wedervaren van de auteur tekenen: van het optreden van overijverige wachtmeesters van de rijkswacht bij een huiszoeking, over de verhouding met de koninklijk commissaris voor Migrantenbeleid, het Centrum voor Gelijkheid en Kansen, media, balie en ngo’s, tot de samenwerking met de verantwoordelijke ministers Gol, Wathelet sr., Tobback en Vande Lanotte. Vanuit dat perspectief biedt het een boeiende en bij wijlen zeer gedetailleerde inkijk in het reilen en zeilen van een jonge administratie die al snel werd geconfronteerd met een groeiend aantal asielzoekers. Door toegenomen globale mobiliteit, het wegvallen van het IJzeren Gordijn en het uitbreken van de oorlog in voormalig Joegoslavië was het aantal aanvragen in 1993 al bijna verzesvoudigd tot ca. 26.500 aanvragen per jaar. In 1997, bij het vertrek van Bossuyt naar het Grondwettelijk Hof, waarvan hij inmiddels de emeritus voorzitter is, bedroeg het ca. 11.600. Tot de dag van vandaag bepalen fluctuaties in het aantal aanvragen en achterstand in de behandeling van dossiers de wijze waarop naar het functioneren van de asielinstanties wordt gekeken.

Met juridische lessen

Maar het boek is ook voor de jurist met belangstelling voor asielrecht en -beleid zeer aanbevelenswaardig. Wie de geschiedenis en ontwikkeling van het moderne Belgische asielbeleid wil kennen en begrijpen, krijgt een bevattelijk overzicht van de diverse wetswijzigingen, de complexiteit van de asielprocedure en de rol van de rechtspraak daarin. Ook het voor de verblijfswetgeving kenmerkende «pingpong» tussen wetgever en Grondwettelijk Hof komt aan bod. In een «toemaatje» overloopt Bossuyt, die bekendstaat als koele minnaar van de asielrechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, meer dan veertig jaar rechtspraak van dat Hof. Zoals elders in het boek is hij kritisch voor rechters die zich, op basis van een mogelijke schending van het verbod op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in artikel 3 EVRM, inmengen in het verwijderingsbeleid. Waar in de meeste rechtsleer en -blogs annotatoren doorgaans van oordeel zijn dat het Hof niet ver genoeg gaat in zijn bescherming van rechten van vreemdelingen, vergelijkt Bossuyt, als een kritische «afvallige», die rechtspraak met een oefening van rechters op dun en glad ijs waar ze soms doorheen gaan. Rampzalig noemt hij (415) de gevolgen van de rechtspraak die het Dublin-mechanisme voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van asielverzoeken onder de EU-lidstaten op losse schroeven zette (M.S.S. 2011 ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609), die de collectieve push-back van bootvluchtelingen veroordeelde (Hirsi Jamaa 2013 ECLI:CE:ECHR:2012:0223JUD002776509) en die de verwijdering van zwaar zieke personen verbood (Paposhvilli 2016 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810) want «het [is] niet de rol van het Hof van Straatsburg om welwillendheid en humanitaire bekommernissen om te vormen tot een juridische verplichting» (422). Zelfs wanneer men het niet eens is met de lezing door Bossuyt, illustreert zijn bespreking hoe ook de rechter in een materie die beleidsmatig zeer gevoelig ligt, uiteindelijk kan en moet laveren tussen strikte wetshistorische en ruime evolutieve interpretaties van het EVRM en doet hij minstens nadenken over de gevolgen van die keuzes voor het ruimere asiel- en migratiebeleid en het draagvlak ervoor.

Same As It Ever Was - de terugkerende thema’s

Hoewel de herinneringen in het boek inmiddels meer dan dertig jaar in de tijd teruggaan, blijven zij vandaag zeer relevant voor een contextueel begrip van de uitdagingen waarvoor de overheid telkens opnieuw komt te staan: same as it ever was. We geven er enkele aan die ook in de actuele discussies rond de asiel- en opvangcrisis terugkeren.

Tekenend voor het beleid zijn het tekort aan (personeels)middelen en de achterstand in de behandeling van asieldossiers. Het is ontluisterend te lezen dat de nieuw opgerichte asielinstantie het bij aanvang moest stellen met 22 personeelsleden, waaronder slechts 4 hogere adviseurs en 4 juristen, op een ogenblik dat het aantal asielaanvragen de 4.000 overschreed. Om besparingsredenen was slechts de helft van de aangevraagde personeelsformatie toegezegd. Dit leidde onherroepelijk tot een race om de daaruit voortvloeiende achterstand in de behandeling van de dossiers in te halen, tegen de achtergrond bovendien van een stijgend aantal asielaanvragen. Het zou meer dan vijf jaar duren vooraleer er afdoende personeelsmaatregelen werden genomen. Bossuyt wijst er herhaaldelijk op dat de opvang van asielzoekers tijdens deze procedure een veel grotere kostprijs betekent dan de kostprijs van het personeel waarop wordt bespaard. Het inhalen van achterstand loopt als een rode draad doorheen het asielbeleid, tot op de dag van vandaag: de CGVS is steeds op achtervolgen aangewezen, zelden kan hij of zij koploper zijn. Ook de dit jaar nieuw aangestelde CGVS Sophie Van Balberghe erkent dat de achterstand een enorme uitdaging blijft (De Tijd 8 april 2023), zeker gezien het hoge aantal van 36.871 asielverzoeken in 2022. In februari 2023 bedroeg de achterstand 13.590 te behandelen dossiers (CGVS, Asielstatistieken februari 2023). De aanwerving van nieuwe personeelsleden, die eerst een opleiding moeten doorlopen, is vaak een laattijdig antwoord om aan die stijgende werklast het hoofd te bieden. Een meer proactief optreden bij de eerste signalen van stijgende instroom blijkt voor beleidsmakers een moeilijk te realiseren optie.

Meerdere keren verwijst Bossuyt naar de vereiste kwaliteitsbewaking bij het nemen van beslissingen, die het proces tijdrovend maakt. De weigeringen kunnen immers worden bestreden voor een bestuursrechter, die kritisch toeziet op de kwaliteit van het onderzoek. Naast het horen van de asielzoeker zelf voerde Bossuyt daarom reeds de aanwezigheid van een advocaat in de administratieve fase in. Hij pleit ervoor dat de beslissingen worden voorbereid door juridisch geschoolde medewerkers, zoals dat initieel het geval was. Het is één van de voorbeelden van de grote mate van juridisering van de asielprocedure. Anderzijds moet hierbij worden opgemerkt dat vanuit de gedeelde bewijslast in het asielrecht, waarbij de overheid met kennis van zaken het risico bij terugkeer moet beoordelen, ook andere dan juridische expertise in hoofde van deze zogeheten protection officers vereist is, waartoe ook andere profielen met kennis van geschiedenis, cultuur en politieke achtergrond in de landen van herkomst nuttig en gewenst zijn. De kwaliteit van beslissingen staat voorop, niet enkel omwille van de daaropvolgende rechterlijke controle, maar ook gelet op de intrinsieke beschermingstaak die aan het asielrecht ten grondslag ligt. Marge tot versnelling in het individuele onderzoek is gering, wil men niet drastisch op de kwaliteit ervan inboeten.

Andere pogingen van de wetgever om de asielprocedure te versnellen komen eveneens aan bod. Ontvankelijkheidscriteria, versnelde procedures, proceduretermijnen en zelfs de creatie van een gespecialiseerd bestuursrechtscollege (RVV) dat het verblijfscontentieux van de overbelaste Raad van State overnam, bleken vaak goedbedoeld, maar weinig efficiënt.

Hiermee illustreert Bossuyt de sterke juridisering van het beleidsdomein van asiel en, bij uitbreiding, migratie. Het beperkte aantal legale migratiekanalen maakt dat personen die niet voldoen aan de verblijfsvoorwaarden, toch trachten om hiervan oneigenlijk gebruik te maken en alle mogelijkheden uitputten om het verblijf te verkrijgen of, ondanks een afwijzing, te verlengen. Hij staat kritisch tegenover advocaten en hun «spitsvondigheden» waarmee zij de belangen van hun cliënt verdedigen en waarbij de asielprocedure slechts een stap is, niet zozeer in het verkrijgen van asiel, maar voor een uiteindelijke verblijfsregularisatie. Het is tekenend voor de frustratie van de beleidsvoerder die oneigenlijk gebruik vaststelt in de procedure die hij moet bewaken. Anderzijds geldt ook dat advocaten de deontologische plicht hebben om de belangen van hun cliënt legaal te behartigen en die boven de eigen belangen of die van derden - de Belgische Staat - te stellen. Het kan er in de feiten wel toe leiden dat de eigenlijke rechthebbenden de lasten moeten dragen van striktere procedures die worden ingesteld om dergelijk oneigenlijk gebruik en misbruik tegen te gaan.

Door het onderzoek toe te wijzen aan de CGVS heeft de wetgever bovendien een administratieve complexiteit ingevoerd waarbij naast de CGVS ook de DVZ aan de dossiers werkt. De DVZ neemt asielaanvragen in ontvangst, onderzoekt of België verantwoordelijk is voor de behandeling ervan en beslist, na het onderzoek door de CGVS, over de verwijdering of andere verblijfsaanspraken van een afgewezen asielzoeker. De logica die deze administraties hanteren, verschilt: de CGVS onderzoekt het risico voor een asielzoeker bij een terugkeer naar het land van herkomst, los van de motieven die de DVZ doorgaans bij de uitvoering van het reguliere migratiebeleid hanteert, zoals inkomstenvereisten, tewerkstelling, gezinsbanden, openbare veiligheid of illegale binnenkomst. Dat onderzoek gebeurt in onafhankelijkheid. De grote waarde van dat onafhankelijk onderzoek illustreert Bossuyt aan de hand van enkele markante dossiers van asielzoekers van wie het land van herkomst om de uitlevering verzocht (de Ier Patrick Ryan, het Baskische koppel Moreno-Garcia, de Tunesiër Walid Benani) en waarvan hij het complexe raderwerk schetst waarin politieke actoren, bestuurlijke en justitiële instanties terechtkomen. Diplomatieke en geopolitieke overwegingen en druk door de betrokken landen, maar ook de publieke opinie kunnen in dergelijke dossiers de overhand krijgen op de internationaalrechtelijke beschermingsplicht wanneer een minister of zijn of haar administratie discretionair zou optreden. De risico-inschatting bij terugkeer door een onafhankelijke instantie kan daarentegen de focus op het gevaar voor leven en vrijheid van de betrokkene behouden. Dit hoeft daarom niet te leiden tot het verlenen van asiel; wie zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige niet-politieke misdrijven of een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid, kan van de asielstatus worden uitgesloten. Maar minstens wordt daarbij de risico-inschatting bij een terugkeer voor leven en vrijheid wel degelijk gemaakt.

De toewijzing van de erkenningsbevoegdheid aan de CGVS is niet zonder slag of stoot gegaan. Zeker in de beginfase beschikten ook de minister en DVZ over mogelijkheden om asielaanvragen op formele en zelfs op inhoudelijke gronden onontvankelijk te verklaren, met een bestuurlijk beroep bij de CGVS, gevolgd door een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag, met daarbovenop nog een beroep bij de bestuursrechter. Die tijdrovende dubbelop behandeling is nadien afgezwakt tot de eerder geschetste bevoegdheden van DVZ vandaag. Toch heeft het samenspel van de twee diensten een vertragend effect op de procedure, die soms zelfs puur logistiek van aard is door de overbrenging van dossiers van de ene naar de andere dienst. Bovendien houdt dit het risico in van wat Bossuyt een watervaleffect noemt: bij opstopping of versnelling van behandeling in de ene dienst, zal de volgende dienst daarvan de gevolgen voelen. Het fuseren van de diensten kan hiervoor soelaas bieden, zoals na een recente audit is gesuggereerd (De Standaard 5 oktober 2022). Maar een onafhankelijke evaluatie van het risico op terugkeer, los van een reguliere migratielogica, blijft ook in een dergelijke constructie cruciaal voor de bescherming van vluchtelingen, zoals Bossuyt in de eerder aangehaalde voorbeelden treffend illustreert.

Een ander terugkerend thema blijft de opvang van asielzoekers. De Opvangrichtlijn 2013/33/EU bepaalt dat de lidstaten aan asielzoekers opvang moeten verzekeren gedurende de procedure. Het voorbije jaar volstond de bestaande opvangcapaciteit van Fedasil daartoe niet, met veroordelingen van de Belgische Staat wegens miskenning van de Opvangwet en dwangsommen tot gevolg. Opvang bleek al van bij de start van de vernieuwde asielprocedure in 1988 een uitdaging, vooral voor asielzoekers die zich aan de grens vluchteling verklaarden en voor wie aanvankelijk de opvang nauwelijks of zeer rudimentair, in containers, aanwezig was. De toename van het aantal asielzoekers in het land zorgde ook toen voor opvanguitdagingen, met een spreidingsplan tussen de gemeenten tot gevolg en protesten tegen de opening van lokale opvangcentra, zoals dat in Lint in 1991. Het leest verrassend actueel.

Een laatste vraag die van alle tijden blijft, is de vraag wat er na een weigering van erkenning van een asielzoeker moet gebeuren. Bossuyt wijst er terecht op dat een asielprocedure die voor de asielzoeker negatief afloopt, moet eindigen in ofwel een verwijdering, ofwel een regularisatie, waarbij een streng verwijderingsbeleid zijn voorkeur geniet. Als voorzitter van de Commissie voor de evaluatie van het beleid inzake de vrijwillige terugkeer en de gedwongen verwijdering van vreemdelingen heeft hij zich daarover in de periode 2018-2020 verder gebogen. Regularisaties moeten voor hem de uitzondering blijven onder de discretionaire bevoegdheid van de minister. Vanuit dat standpunt bespreekt hij ook kritisch de collectieve regularisatiecampagnes in de voorbije decennia. Hierbij kan men de bedenking maken dat zowel collectieve als individuele discretionaire regularisaties voor de uitdaging staan om transparantie en coherentie te waarborgen, ongeacht of een minister dan wel een commissie daartoe beslist. Ze zijn niet geschikt als middel om nieuwe verblijfsstatuten te creëren. Als dat de betrachting is en daarvoor een democratisch draagvlak bestaat, schrijft men die omwille van de rechtszekerheid beter in de wet zelf in, zoals in het verleden al is gebeurd met het verblijf om medische redenen.

Zoals Bossuyt aangeeft, betreft regularisatie personen die geen vluchteling zijn of subsidiaire bescherming genieten, ook al wordt in het publieke debat dat onderscheid niet altijd gemaakt. Hierdoor dreigt een negatieve en verkeerde perceptie, waarbij asielzoekers en zelfs erkende vluchtelingen geheel onterecht in dezelfde zone van illegaliteit worden geplaatst naast personen zonder verblijfsdocumenten.

Same As It Ever Was of toch niet helemaal?

Het grootste verschil in de ambtsuitoefening van de eerste en de huidige CGVS ligt wellicht in de europeanisering van het asielbeleid. Met de verdragen van Amsterdam en Lissabon heeft de Europese Unie bevoegdheid in asiel en migratie verworven. De Dublin III-verordening 604/2013 bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van asielverzoeken. Wie in aanmerking komt voor wat nu «internationale bescherming» en niet langer asiel heet, wordt door Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU bepaald. Naast vluchtelingen is die bescherming uitgebreid tot personen met nood aan subsidiaire bescherming tegen foltering, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing en tegen oorlogsgeweld. Ook de procedureregels en de opvangverplichtingen zijn Unierecht geworden. Bossuyt merkt terecht op dat de Europese Unie daarbij dezelfde leerschool moet doorlopen als België vroeger bij het uitwerken van een asielbeleid. Dat proces wordt bemoeilijkt doordat niet alle EU-lidstaten in dezelfde mate en op dezelfde wijze met de asielproblematiek worden geconfronteerd.

Een voorbeeld daarvan is de Dublin-verordening, die aanduidt welke lidstaat als enige verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. De bedoeling is dat asielzoekers geen opeenvolgende asielaanvragen indienen in de Unie, maar slechts in één verantwoordelijke lidstaat hun aanvraag beoordeeld zien. Dat is in principe de lidstaat waar een asielzoeker over een verblijfsrecht beschikt of voor het eerst de Europese Unie binnenkomt. Wordt de aanvraag in een andere lidstaat ingediend, dan zal de asielzoeker naar die verantwoordelijke staat moeten gaan. Enkel als niet kan worden bepaald welke andere lidstaat verantwoordelijk is, zal de lidstaat van indiening deze behandelen. Hoewel deze regeling de schijn van de eenvoud heeft, voegt het zogeheten Dublin-onderzoek een extra procedurele fase toe, waarbij lidstaten proberen uit te maken of zij al dan niet verantwoordelijk zijn en de betrokkenen kunnen worden teruggestuurd naar de grensstaten van eerste binnenkomst, doorgaans in zuidelijk Europa. Die Staten moeten het onderzoek en de opvang waarborgen, naast de belasting die zij reeds kennen bij de grensbewaking. De afwezigheid van een solidariteitsmechanisme tussen de lidstaten om overbelaste grensstaten bij te springen, maakt dat grensstaten hun verplichtingen niet altijd naleven en het EHRM op een bepaald ogenblik het terugsturen naar dergelijke landen in strijd heeft bevonden met artikel 3 EVRM (M.S.S. 2011). Tekortkomingen in één lidstaat zet asielzoekers er ook toe aan om toch in een andere lidstaat asiel te vragen, zoals dat ook voor Dublin het geval was; 40% van de personen die in 2022 in België om internationale bescherming verzochten, passeerde door of diende een eerdere aanvraag in een andere lidstaat in. Het samengaan van al die factoren maakt dat de Dublin-regeling niet bijdraagt tot een meer efficiënt asielsysteem, noch voor de betrokken lidstaten, noch voor de aanvragers zelf.

Bossuyt is eerder somber over de uitdagingen voor de EU als gevolg van hedendaagse migratiebewegingen: toenemende migratiedruk, die bij irreguliere migratie gepaard gaat met georganiseerde mensensmokkel, en een grote instroom zoals in 2015, kunnen de fundamenten van de EU als ruimte van vrij verkeer zonder binnengrenzen ondergraven. Buitengrensbewaking, een effectief terugkeerbeleid en een ontradend optreden door bij onregelmatige binnenkomst elk perspectief op legaal verblijf in de EU te ontzeggen, ziet hij als antwoorden.

Hiermee illustreert hij nogmaals de verwevenheid tussen het asiel- en het immigratiebeleid. Niet iedereen die asiel aanvraagt, beantwoordt aan de criteria om internationale bescherming te genieten. De asielprocedure, die geen wettige binnenkomstvoorwaarde kent, wordt ook aangewend door wie geen aanspraak op een asiel- of een andere verblijfsstatus kan maken. Volgens Eurostat schommelde het aantal erkenningen in eerste aanleg in de gehele Europese Unie in 2021-2022 tussen 39% en 48%. Die cijfers moeten tegenover de globale cijfers worden geplaatst: wereldwijd zijn er volgens UNHCR 103 miljoen mensen op de vlucht. Meer dan de helft ervan (53,2 miljoen) is intern ontheemd in de landen van herkomst zelf, 37,8 miljoen geniet bescherming en 4,9 miljoen is asielzoeker. Minder dan 10% leeft in de Europese Unie, waar vluchtelingen 0,6% van de bevolking uitmaken. De eigenlijke groep van erkende personen met internationale bescherming in de Europese Unie is zowel in absolute als in relatieve cijfers beperkt. Daarnaast is er evenwel ook irreguliere immigratie van personen die geen of op oneigenlijke wijze asiel aanvragen. De beide migratiestromen lopen door elkaar: waar men grenzen sluit voor wie niet regelmatig migreert, dreigt men ook hen die niet kunnen worden teruggestuurd wegens de internationaalrechtelijke verbintenissen die voortvloeien uit o.m. het Vluchtelingenverdrag, uit te sluiten. Waar het EU-asielbeleid het verblijf van wie vervolgd wordt, als een recht heeft bevestigd vanuit een beschermingsgedachte, schermt het EU-grensbeleid de toegang tot dat recht uit vanuit een gereguleerde migratiegedachte. Het spagaat dat in de jaren 1980 bestond, bestaat vandaag nog evenzeer.

Memoires met voet- en eindnoten

In zijn boek geeft Marc Bossuyt niet alleen een boeiende inzage in persoonlijke herinneringen en ervaringen, maar duidt hij tevens met veel kennis van zaken de juridische context waarin het nationale en internationale asielbeleid opereert. Zijn memoires zijn dan ook rijkelijk voorzien van een voor dit genre uitzonderlijk juridisch voet- en eindnotenapparaat, dat de juridische lezer zal waarderen. Samen met de behandelde cases biedt het een zeer leerrijke duiding van de uitdagingen en knelpunten in beleid en rechtspraktijk. Zoals hij dat tijdens zijn carrière als CGVS steeds heeft gedaan, neemt hij vanuit het perspectief van beleidsvoerder een juridisch onderbouwd standpunt in dat vaak ingaat tegen de mainstream literatuur in asielrecht, maar dat het voordeel van de duidelijkheid biedt. De lectuur van het boek en de zich herhalende realiteit leren ons dat er voor sommige uitdagingen simpelweg geen beste oplossing bestaat; wie anders beweert trapt eigenlijk in de val van demagogie of hypocrisie. Deze memoires stofferen en verrijken de gedachtewisseling rond dit thema en laten toe om het meer doordacht eens te zijn over waar we het al dan niet over eens zijn.

Dirk Vanheule

Gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen, advocaat

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier