• Pagina

    474


  • Datum

    16 april 2026


  • Datum

    L.Maes


Rechtskundig Weekblad

Kanttekening

Burgerrechtelijk beslag op bitcoins

I. Gedecentraliseerd systeem

1. De laatste jaren werd reeds heel wat geschreven rond de cryptomunt bitcoin, mede als gevolg van de toenemende populariteit ervan. In oktober 2008 publiceerde Satoshi Nakamoto op het internet een whitepaper met daarin de uitwerking van een nieuw peer-to-peer elektronisch betaalsysteem (Sathosi Nakamoto, «Bitcoin: A Peer-to-Peer Electronic Cash System», sine dato, https://bitcoin.org/bitcoin.pdf: Nakamoto is het pseudoniem voor de persoon/groep personen die Bitcoin uitvond; J.-L. Verhelst, «Zijn cryptomunten munten? Een analyse van Bitcoin» in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , Antwerpen, Intersentia, 2017, 25).

Bitcoin vormt aldus de verwezenlijking van een theoretisch model, uitgedacht door Satoshi Nakamoto en vervolgens door heel wat personen overal ter wereld omgezet in de praktijk (S. Geiregat, «Eigendom op bitcoins», RW 2017-18, (1043) 1044; https://bitcoinskopen.eu/wat-is-bitcoin-het-ontstaan-en-de-technologie/; Satoshi Nakamoto, «Bitcoin: A Peer-to-Peer Electronic Cash System», sine dato, https://bitcoin.org/bitcoin.pdf).

Bitcoin is slechts ??n, maar wellicht het bekendste voorbeeld van diverse cryptovaluta die tegenwoordig bestaan (zoals Tether, Litecoin, Ripple; zie voor een overzicht bijvoorbeeld https://coinmarketcap.com/). Hoewel verschillende cryptomunten werken volgens dezelfde technologie – «gedistribueerde grootboektechnologie» of distributed ledger technology – hebben ze elk hun eigen specificaties en onderlinge verschillen (J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 76; J. Horemans e.a., «Cryptomunten: the sky seems the limit, but what about (income) tax?», VIP 2018, nr. 1, 4). Hierop zal verder niet worden ingegaan. Het onderwerp van deze kanttekening wordt immers beperkt tot bitcoins. Die laatste vormen de eerste toepassing van de «gedistribueerde grootboektechnologie», waarover verder meer (J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 76). Bovendien zijn tal van andere digitale munten hiervan afgeleid en heeft deze cryptomunt nog steeds de grootste marktkapitalisatie (zie https://coinmarketcap.com/; https://www.tijd.be/markten-live/nieuws/algemeen/bitcoin-niet-meer-belangrijkste-cryptomunt/10167911.html; M. Sel, «Blockchain, een functionele introductie», TBO 2019, 151).

2. De timing van de lancering van bitcoin was zeker geen toeval. Eind 2008 luidde de start van de financi?le crisis in die wereldwijd voor een instorting van het financi?le bestel zorgde, met een enorm verlies aan vertrouwen in financi?le instellingen tot gevolg (https://bitcoinskopen.eu/wat-is-bitcoin-het-ontstaan-en-de-technologie/). Bitcoin kan als tegenpool van het klassieke financi?le systeem beschouwd worden doordat het bestaat uit een gedecentraliseerd stelsel «gebaseerd op cryptografie als onderliggende basis voor vertrouwen» (J. Richelle en O. Walravens, «Cryptomunten, tokens, ICO’s en de vastgoedwereld», TBO 2019, 180). De basisgedachte bestaat erin dat personen «geld» kunnen uitwisselen, zonder tussenkomst van derden zoals overheden en financi?le instellingen (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1044-1045; J.L. Verhelst, o.c., in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht, 24).

3. Om de vraag of het mogelijk is beslag te leggen op bitcoins te kunnen beantwoorden, dient men allereerst te begrijpen wat een bitcoin precies is. De complexiteit van het bitcoin-systeem zorgt er namelijk voor dat het niet zo vanzelfsprekend is om het bitcoin-concept in te passen binnen de bestaande Belgische privaatrechtelijke regels en meer specifiek binnen het vermogensrecht (M. Vanwynsberghe, «Bitcoin heeft het op de grenzen van het goederenrecht gemunt», RW 2014-15, 1442; B. Maeschaelck, «Bitcoin splitst: vijf broden en twee vissen?», RW 2017-18, 162; W.A.K. Rank, «Bitcoins: civielrechtelijke en toezichtrechtelijke aspecten» in R.A. Wolf, J. Boersma, W.A.K. Rank, M.A. Plooij, J. Baukema, M.L. Veldhuijzen, R. van de Berg en E.A. van Goor, Bitcoins. Civiele en fiscale aspecten in beeld, Deventer, Kluwer, 2015, 36). Een bitcoin is een cryptomunt (digitale, virtuele munt) gebaseerd op software, waaraan aldus geen «echte» biljetten of munten te pas komen (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, «Beslag en beheer van cryptovaluta: de Bitcoin», Panopticon 2017, (41) 42; N. Vandezande, Virtual currencies: a legal framework, Mortsel, Intersentia, 2018, (35), 37; R. Houben, «Bitcoin: there are two sides to every coin», TBH 2015, (139) 142; M. Fierens, Zakelijke zekerheid op bitcoins: waarom zowel juridische als technische barrières roet in het eten gooien, onuitg., Masterproef Katholieke Universiteit Leuven Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2017-2018, 12). Bitcoins zijn bedoeld als betaalmiddel voor digitale of re?le goederen en diensten en dienen als een alternatief geldsysteem voor de reguliere geldsoorten (zoals eurobiljetten en -munten). Transacties in bitcoins worden gekenmerkt door een afwezigheid van derden, zoals financi?le instellingen, en hebben daardoor geen of lage transactiekosten en een snelle transactietijd als voordeel (T. Spaas en M. Van Roey, «Quo vadis Bitcoin?», Computerrecht 2015, (1) 2 (PDF-versie)). Het model «legt het vertrouwen in de rekenkracht van computers en in een hoge transparantiegraad die eenieder de mogelijkheid biedt om toezicht te houden» (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045, met verwijzing naar Satoshi Nakamoto, «Bitcoin: A Peer-to-Peer Electronic Cash System», sine dato, https://bitcoin.org/bitcoin.pdf, p. 1 nr. 1 en p. 2, nr. 2).

4. Het bitcoin-systeem maakt gebruik van blockchain-technologie. Met de term « blockchain » wordt verwezen naar de verzamelnaam «voor de implementatie van een gedistribueerd grootboek op basis van cryptografische hashfuncties» (M. Sel, o.c. , TBO 2019, 150). Er bestaan heel wat verschillende blockchains , maar de « bitcoin blockchain » is de eerste en tot op heden nog steeds bekendste blockchainimplementatie (M. Sel, o.c. , TBO 2019, 150-151). Het vormt een toepassing van de eerdergenoemde «gedistribueerde grootboektechnologie» (J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 26). Bitcoin, alsook andere cryptovaluta, maken gebruik van deze technologie om transacties uit te voeren zonder een tussenpersoon (J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 76). De transacties die plaatsvinden binnen het bitcoin-netwerk worden opgeslagen in een publiek logboek dat toegankelijk is voor alle gebruikers van het netwerk (R. Houben, o.c., TBH 2015, 143). Op die manier kan men duidelijk zien welke bitcoin-«overdrachten» reeds hebben plaatsgevonden (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045; M. Fierens, o.c., 12). Bitcoins vormen een code opgebouwd uit «een combinatie van digitale handtekeningen», waarover verder meer (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045). Voor het ontvangen en uitgeven van bitcoins dient men een bitcoin wallet aan te maken (dit kan via computers, smartphones, hardware ...). Via deze wallet verkrijgt men toegang tot de onderliggende bitcoin blockchain (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 42; R. Houben, o.c., TBH 2015, 142-143; J.L. Snijders en Y.C. Tonino, «Goederenrechtelijke status van bitcoin (kapitaalkracht)», Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 47). De bitcoins worden dus niet bewaard of opgeslagen in deze wallet, men verkrijgt erdoor enkel de toegang tot de bitcoins in de onderliggende blockchain (J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 47-48). De bitcoin wallet zorgt er bijgevolg voor dat het voor de deelnemers aan het bitcoin-netwerk mogelijk wordt om bitcoin-transacties te verrichten met de bitcoins die gekoppeld zijn aan het bitcoin-adres van de deelnemer in zijn bitcoin wallet (J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 47). Het bitcoin-adres – dat openbaar is en ook wel wordt aangeduid als publieke sleutel – in de wallet van de deelnemer is noodzakelijk om bitcoins te kunnen ontvangen (J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 47).

Een bitcoin kan bovendien slechts worden overgedragen vanuit de ene wallet naar de andere mits er een digitale handtekening is van de overdrager die hiermee zijn toestemming tot overdracht geeft (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045). De concrete uitvoering van een dergelijke handtekening gebeurt via een private sleutel, een unieke geheime code waarover elke bitcoin-gebruiker persoonlijk beschikt en die absoluut geheim is (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045; J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 42; S. Geiregat, «Cryptocurrencies Are (smart) Contracts», Ed. Steve Saxby, Computer law & Security review 2018, (1140) 1145). Deze private sleutel staat tegenover de eerdergenoemde publieke sleutel, die ook deel uitmaakt van de bitcoin wallet, voor iedereen zichtbaar is en zoals reeds uitgelegd noodzakelijk is om bitcoins te kunnen ontvangen, vergelijkbaar met de werking van een bankrekening (J.-L. Verhelst, o.c., in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht, 36).

Tot slot vormen de blockchains op hun beurt het register waarin de overdrachten zichtbaar zijn en worden gecontroleerd door miners (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045; J.-L. Verhelst, o.c., in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht, 29; R. Houben, o.c., TBH 2015, 142-143). Dit zijn personen die in ruil voor het valideren van bitcoin-transacties – door middel van wiskundige berekeningen uitgevoerd door computers – bitcoins krijgen als beloning (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045; R. Houben, o.c., TBH 2015, 142-143), om te voorkomen dat dezelfde bitcoin verschillende keren wordt uitgegeven (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1045; R. Houben, o.c., TBH 2015, 142-143).

II. Onlichamelijk roerend goed

5. Zoals aangehaald in randnr. 3 is de vraag naar de juridische kwalificatie van bitcoins van belang om te weten of beslag mogelijk is en zo ja, welke regels er dan van toepassing zijn. Gelet op het onderwerp van deze bijdrage – het burgerrechtelijk beslag op bitcoins – en de aanknoping van het beslagrecht bij de term «vermogen», is het vrij voor de hand liggend om een kijkje te nemen binnen het vermogensrecht, meer specifiek het goederenrecht (E. Dirix, Beslag in ARR, Mechelen, Kluwer, 2018, 101 en 131). Onder vermogen wordt verstaan: het geheel van in geld waardeerbare goederen en rechten die aan een rechtssubject toebehoren en als gemeenschappelijk onderpand dienen voor de schuldeisers (art. 7 iuncto art. 8 Hypotheekwet; E. Dirix, o.c., 101 en 131). Wanneer men voor zichzelf een wallet aanmaakt met bitcoins, wordt dit vermogen uitgebreid met een nieuw vermogensbestanddeel waarvan de juridische kwalificatie tot op heden eerder onduidelijk is (zie: S. Geiregat, «Cryptovaluta’s in het vermogensrecht. Poging tot gemeen- en consumentenrechtelijke kwalificatie» in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, Antwerpen, Intersentia, 2020, 15). Hieronder wordt daarom een niet-exhaustief overzicht gegeven van mogelijke kwalificaties en het standpunt dat m.i. de voorkeur geniet.

6. Zowel binnen de Belgische als de buitenlandse rechtsleer zijn reeds heel wat standpunten ingenomen over de goederenrechtelijke analyse van bitcoins (T. De Graaf, «De kwalificatie van bitcoins», NJB 2019/2, 11-12). Zo werd o.m. reeds verdedigd dat bitcoins als schuldvorderingen gekwalificeerd kunnen worden (S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1047). Dit is het geval wanneer men het bitcoin-stelsel beschouwt als een meerpartijenovereenkomst («Bitcoin-toetredingsovereenkomst») waarbij de deelnemers met elkaar afspraken maken – impliciet aanvaard via de deelname aan het systeem – en via hun toetreding een contractueel recht jegens elkaar verkrijgen (namelijk «een schuldvordering om iets te doen»). Geiregat geeft in een meer recente bijdrage echter aan dat «cryptoportefeuillehouders slechts zeer precaire verwachtingen hebben jegens de cryptovalutagemeenschap waartoe ze behoren en geen aanknopingspunt in onze rechtsorde vinden om van de overige leden van de cryptovalutagemeenschap enige prestatie af te dwingen» (S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 22). Hij concludeert tot slot dat cryptomunten dienen te worden ingedeeld bij de (rest)categorie van onlichamelijke roerende goederen (S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 15-37).

7. Daarnaast gaan enkele Nederlandse auteurs ervan uit dat bitcoins als stukjes software moeten worden beschouwd en als vermogensrechten naar buitenlands recht moeten worden gekwalificeerd wegens de uitgave van de software in de Verenigde Staten (T. De Graaf, o.c., NJB 2019, 11, met verwijzing naar M.F.M. van den Berg, J.W.P.M. van der Velden & C.W.M. Vergouwen, «De Bitcoinverzekering. Een kans voor de financi?le sector om klantbelang centraal te stellen in innovatieve productontwikkeling», MvV 2014-5, 131). Daarenboven bestaan ook verschillende visies over de kwalificatie van bitcoins als vermogensrechten en blijkt ook de Nederlandse rechtspraak niet uniform (T. De Graaf, o.c., NJB 2019, 11-12, voetnoten 26-35; V. Tweehuysen, «Goederenrechtelijk puzzelen met bitcoins», AA 2018/0602, 602-610). Ook in andere jurisdicties bestaan diverse opinies (zie: T. De Graaf, o.c., NJB 2019, 11-13, met relevante verwijzingen).

8. De Belgische wetgever heeft noch in het oude noch in het nieuwe Burgerlijk Wetboek een specifieke regeling opgenomen betreffende cryptomunten – waaronder bitcoin – waardoor onzekerheid bestaat over o.m. de vermogensrechtelijke kwalificatie ervan (zie: S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 15-6). Hoewel hierover aldus discussies kunnen ontstaan, geniet de kwalificatie als onlichamelijke roerende goederen de voorkeur (zie bv. S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 18-23; E. Callens en L. Van Coillie, «Cryptomunten in het financieel recht. Geen regulering in afwezigheid van enige aanspraak jegens een aanwijsbare (rechts)-persoon?» in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, Antwerpen, Intersentia, 2020, 47-50; M. Vanwynsberghe, «Bitcoin heeft het op de grenzen van het goederenrecht gemunt», RW 2014-15, 1442; B. Maeschaelck, «Bitcoin splitst: vijf broden en twee vissen?», RW 2017-18, 162; J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 47; M. Fierens, o.c., 31, met verwijzing naar E. Tjong Tjin Tai, «Juridische aspecten van blockchain en smart contracts», TPR 2017, 586). Aangezien bitcoins noch als schuldvorderingen – als bitcoin-gebruiker heeft men geen vorderingsrecht t.o.v. de andere gebruikers (cf. supra, nr. 6) – noch als zaak kunnen worden beschouwd – bitcoins hebben namelijk geen stoffelijke verschijningsvorm – is het logischer om zoals Geiregat uit te gaan van een kwalificatie als onlichamelijk (roerend) goed (S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 23; S. Geiregat, o.c., RW 2017-18, 1043-1044, 1048; zie ook: E. Callens en L. Van Coillie, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 47-50; J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, 49; M. Vanwynsberghe, o.c., RW 2014-15, 1442). Ook Callens en Van Coillie argumenteren dat cryptomunten (lees: bitcoins) onlichamelijke (dus niet zintuigelijk waarneembare) goederen betreffen, aangezien ze slechts een keten van digitale handtekeningen vormen waarvan de waarde wordt bepaald door de verwachting en bereidheid van andere gebruikers om een bepaalde tegenprestatie/tegenwaarde te leveren (E. Callens en L. Van Coillie, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 47). Deze auteurs verduidelijken bovendien dat cryptomunten geenszins beschouwd kunnen worden als schuldvorderingen, omdat hun waarde niet gedetermineerd wordt door een aanspraak tot betaling jegens een persoon (E. Callens en L. Van Coillie, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 47). Voor de cryptomunt-gebruiker bestaat er immers geen recht, maar enkel een mogelijkheid om een andere gebruiker in cryptomunten te betalen (E. Callens en L. Van Coillie, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 50).

Voorts verschilt bovenstaande kwalificatie als «goed» uiteraard van wat wordt begrepen onder de term «goederen» zoals omschreven in art. I.1, 6o WER («lichamelijke roerende zaken»). Gelet op het voorwerp van deze bijdrage spreekt het voor zich dat laatstgenoemde definitie buiten beschouwing wordt gelaten. De kwalificatie van bitcoins als onlichamelijke roerende goederen lijkt bovendien gerechtvaardigd wegens de modernisering van het Belgisch goederenrecht. In boek 3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek – dat in werking treedt op 1 september 2021 – wordt gebruik gemaakt van ruime definities waardoor een dergelijke kwalificatie aldus aannemelijk is (R. Boone, «Het goederenrecht maakt de sprong van de negentiende naar de eenentwintigste eeuw», DJK 2020, nr. 408, 9, interview met A. Wylleman; M. Fierens, o.c., 22, 30, 35-38; wetsvoorstel van 16 juli 2019 houdende invoeging van boek 3 «Goederen» in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2019, nr. 55-0173/001, p. 101-104; wetsontwerp van 30 januari 2020 houdende boek 3 «Goederen» van het Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0173/010). Het nieuwe art. 3.41. BW bevat een ruime definitie van de term «goederen», namelijk «alle voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening, met inbegrip van de vermogensrechten». In art. 3.40., nieuw BW wordt voorts het onderscheid gemaakt tussen lichamelijke en onlichamelijke voorwerpen waarbij een «onlichamelijk voorwerp» ruim kan worden ge?nterpreteerd daar de wetgever deze term a contrario definieert door te stellen dat «in tegenstelling tot onlichamelijke voorwerpen, lichamelijke voorwerpen zintuiglijk kunnen waargenomen worden en gemeten». Deze ruime omschrijving maakt het mogelijk ervan uit te gaan dat cryptomunten zoals bitcoins wel degelijk tot de ruime categorie van onlichamelijke (roerende) goederen behoren.

Bitcoins zullen tot slot wel degelijk als (louter) virtueel en onlichamelijk beschouwd moeten worden, omdat ze altijd online vervat zullen liggen in de blockchain en bijgevolg niet materialiseerbaar zijn (J.L. Snijders en Y.C. Tonino, o.c., Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk 2018, nr. 6, p. 47). Dat men een wallet bovendien kan printen, doet geen afbreuk aan deze analyse. Zoals aangegeven in randnr. 4, vormt de wallet enkel de toegangspoort tot de bitcoins in de onderliggende blockchain en zullen deze hierop niet worden bewaard of opgeslagen. Men kan dus wel de wallet met sleutels via een uitprint op papier hebben – een paper wallet – maar de bitcoins zullen steeds een (online) code blijven binnen de bitcoin blockchain (M. Vanwynsberghe, o.c., RW 2014-15, 1442; T. De Graaf, o.c., TCR 2019, 88; K. De Smet, «Betalen met Bitcoin: wat met artikel 178bis Sw.?», NC 2018, 251, voetnoot 24; V. Tweehuysen, o.c., AA 2018/0602, 606).

III. Beslagbaarheid van bitcoins

9. Wat de beslagbaarheid van bitcoins betreft, is in het verleden reeds gebleken dat een strafrechtelijk beslag in de praktijk mogelijk is (https://www.koengeens.be/fr/news/2019/03/12/overheid-verdient-nu-ook-grof-geld-aan-verkoop-van-in-beslag-genomen-bitcoins-van-criminelen; https://www.koengeens.be/news/2019/01/14/justitie-vindt-uitweg-voor-criminele-bitcoins; C. Conings, «Beslag op bitcoins», Computerrecht 2015, 41-82; zie voor een uitgebreide bijdrage hieromtrent: S. Royer, «Bitcoins in het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht», RW 2016-17, 483-501). In wat volgt, zal hierop kort worden ingegaan om vervolgens na te gaan of het in beslag nemen van bitcoins ook op privaatrechtelijk vlak – zowel juridisch als praktisch – mogelijk is en zo ja, welke regels hierbij dan van toepassing zijn. Men dient hierbij steeds in het achterhoofd te houden dat in dit kader tot nu toe nog heel wat onduidelijkheid bestaat, mede als gevolg van de reeds aangekaarte onzekerheid wat het privaatrechtelijk statuut van bitcoins betreft. In randnr. 14 worden bovendien enkele praktische problemen gegeven die het antwoord op de hoofdvraag van deze kanttekening bemoeilijken.

10. Binnen een strafrechtelijke context werd in Belgi? reeds succesvol overgegaan tot het leggen van beslag op bitcoins (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 41-42; S. Royer, o.c., RW 2016-17, 483; S. Royer, Strafrechtelijk beslag, Brugge, die Keure / la Charte, 2020, 127 en 404). De inbeslagname ervan, in het kader van een strafonderzoek, betreft tot op heden een (louter) praktische mogelijkheid, aangezien de juridische grondslag hiervoor onduidelijk is (P. Waeterinckx en K. De Schepper, «Cryptovaluta en het misdrijf witwassen (art. 505 Sw.)» in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, Antwerpen, Intersentia, 2020, p. 163, nr. 269; S. Royer, o.c., RW 2016-17, 495-496; S. Royer, o.c., 127-128 en p. 404, nr. 561: Royer merkt op dat het onduidelijk is welke regels moeten worden toegepast bij de inbeslagname van cryptomunten zelf, die van het traditionele beslag of die van het databeslag). In eerste instantie was het hierbij aan de politiediensten om een eigen wallet te openen om de in beslag genomen bitcoins te bewaren (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 44; S. Royer, o.c., p. 128, nr. 277: het in beslag nemen van de materi?le drager volgens de regels van het klassieke beslag, zoals bij een computer waarop bitcoins opgeslagen zijn, volstaat niet, aangezien steeds een overboeking naar een wallet van de overheid zal moeten plaatsvinden). Maar – om misbruik te vermijden – wordt het beheer van de in beslag genomen bitcoins dankzij de hervorming van de COIV-wet in 2018, voorbehouden voor het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring («COIV»), een onderdeel van het openbaar ministerie (art. 4 COIV-wet; https://www.om-mp.be/nl/article/persbericht-coiv-eerste-publieke-veiling-van-cryptomunten; J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 43-44; S. Royer, o.c., 128, 277, met verwijzing naar Omz. College Procureurs-generaal 26 februari 2018; wet houdende de opdrachten van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, nr. COL 9/2018, www.om-mp.be, 3, 15, 18). In tegenstelling tot de inbeslagname zelf, is er voor het beheer van virtuele valuta, zoals bitcoins, binnen een strafrechtelijk kader met art. 7, § 1, 1o COIV-wet wel in een juridische grondslag voorzien. Voorts bepaalt art. 18, § 1, van dezelfde wet dat dit orgaan de gegevens verzamelt, beheert en verwerkt van bepaalde in beslag genomen en verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen, waaronder virtuele valuta. Binnen een strafrechtelijke context lijkt de wetgever aldus duidelijk aan te geven dat virtuele munten, zoals bitcoin, te kwalificeren zijn als vermogensbestanddelen, deel uitmakend van het vermogen (cf. supra, nr. 5) van de bitcoin-gebruiker en vatbaar voor inbeslagname. De concrete wijze waarop het beheer door het COIV vervolgens dient te gebeuren, wordt echter niet in de COIV-wet bepaald, maar in de praktijk heeft dit orgaan de bevoegdheid tot het openen van een elektronische wallet waarnaar de bitcoins van de verdachten in kwestie kunnen worden overgeboekt en bewaard (https://www.koengeens.be/news/2019/01/14/justitie-vindt-uitweg-voor-criminele-bitcoins; P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, p. 163, nr. 269, met verwijzing naar wetsontwerp van 28 december 2017 van wet houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2732/003, p. 9; S. Royer, o.c., 128 en 277, met verwijzing naar Omz. College Procureurs-generaal 26 februari 2018: Wet houdende de opdrachten van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, nr. COL 9/2018, www.om-mp.be, 18). Wanneer er vervolgens een rechterlijke beslissing volgt tot vervreemding kunnen de bitcoins ook effectief worden verkocht (https://www.koengeens.be/news/2019/01/14/justitie-vindt-uitweg-voor-criminele-bitcoins; https://www.om-mp.be/nl/article/persbericht-coiv-eerste-publieke-veiling-van-cryptomunten: de verkoop van de eerste in Belgi? strafrechtelijk in beslag genomen cryptomunten gebeurde op 28 februari 2019 en 1 maart 2019 via een publieke veiling waarbij het Noord-Ierse veilinghuis Wilsons Auction van de Belgische overheid de overheidsopdracht toegewezen kreeg om de in beslag genomen virtuele valuta te verkopen). Op 14 maart 2019 berichtte het COIV bovendien dat de minister van Justitie Koen Geens en het College van procureurs-generaal een omzendbrief zullen ondertekenen die de praktische werkwijze, «vanaf het oprollen van cryptomunten tot de verkoop ervan, voor het hele Openbaar Ministerie en de politiediensten vastlegt» (https://www.om-mp.be/nl/article/persbericht-coiv-eerste-publieke-veiling-van-cryptomunten). Het probleem van gebrek aan duidelijke praktische richtlijnen voor de strafrechtelijke inbeslagneming van cryptomunten wordt op die manier verholpen. Helaas is de omzendbrief waarin vermoedelijk de concrete procedure voor inbeslagname wordt uiteengezet, vertrouwelijk (zie: COL.03/2019 https://www.om-mp.be/nl/meer-weten/omzendbrieven; S. Royer, o.c., 128, voetnoot 1052). Niettegenstaande op strafrechtelijk vlak aldus de nodige eerste stappen werden gezet om het beslag en de tegeldemaking van cryptomunten zoals bitcoins te verwezenlijken, blijft het tot op heden onduidelijk welke juridische grondslag hiervoor bestaat en welke werkwijze exact moet worden gevolgd.

Ook in Nederland is een strafrechtelijk beslag op bitcoins in de praktijk niet ongezien (hoewel eveneens onzekerheid bestaat over de juridische grondslag hiervoor; zie bv. M. Van Ingen en W.-J. Smits, «Beslag op bitcoin: (praktisch) onmogelijk?», BER 2018, nr. 2, 20-22; M. Schellekens, E. Tjong Tjin Tai, W. Kaufmann, F. Schemkes en Ronald Leenes, «Blockchain en het recht. Een verkenning van de reguleringsbehoefte», WODC-rapport (Tilburg University), juni 2019, 56-57, geconsulteerd via https://www.eerstekamer.nl/overig/20190828/blockchain_en_het_recht_een/meta). Het Nederlandse Openbaar ministerie aanvaardt reeds geruime tijd – op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad – dat bitcoins vatbaar zijn voor inbeslagname (S. Royer, o.c., RW 2016-17, 489-495, met verwijzing naar HR 31 januari 2012, NJ 2012, 535-536). Kort samengevat beschikt het Nederlands openbaar ministerie over een eigen wallet waarnaar de in beslag genomen bitcoins overgemaakt worden met het oog op verkoop ervan (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 44; S. Royer, o.c., RW 2016-17, 495). Wanneer de bitcoins succesvol zijn overgemaakt aan het openbaar ministerie, kunnen deze vervolgens zo snel mogelijk worden vervreemd (J. Janssens, S. Soetaert en A. De Vos, o.c., Panopticon 2017, 44). De Belgische werkwijze lijkt aldus ge?nspireerd op die van onze noorderburen. Het is echter in beide landen niet duidelijk op welke juridische grondslag de inbeslagname gebaseerd is en hoe deze concreet dient te gebeuren. Daarnaast rijzen ook soortgelijke praktische problemen, die verder in deze kanttekening aan bod komen.

11. Hoewel men binnen een strafonderzoek reeds succesvol is kunnen overgaan tot het leggen van beslag, verschilt dit uiteraard van een civielrechtelijk beslag. Er moet rekening worden gehouden met de autonomie van het strafrecht, dat een eigen finaliteit heeft, gericht is op het beschermen van de sociale orde en dus meer dan louter private belangen beschermt (P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, p. 157, nr. 259). Een van de meest opmerkelijke verschilpunten is vanzelfsprekend de aanwezigheid van een misdrijf dat bij een strafrechtelijk beslag de aanleiding vormt tot het nemen van de maatregel in het kader van criminele dossiers waarbij bitcoins opduiken, de maatschappijbeschermende functie van het strafrecht indachtig (voor een uitgebreide omschrijving van het begrip, zie: S. Royer, o.c., 1-2; P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 157; https://www.koengeens.be/news/2019/01/14/justitie-vindt-uitweg-voor-criminele-bitcoins). Vaak gaat het dan om situaties waarbij bitcoins het betaalmiddel vormen in het kader van criminele transacties, zoals drugstransacties via het internet (https://www.koengeens.be/news/2019/01/14/justitie-vindt-uitweg-voor-criminele-bitcoins). De inbeslagname, het beheer en de verkoop van de bitcoins zoals omschreven in randnr. 10, kadert dan ook specifiek binnen een «criminele» context.

Bij het privaatrechtelijk beslag daarentegen staat de verhouding tussen de schuldenaar en schuldeiser centraal (E. Dirix, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 22-23). Uit de artt. 7 en 8 Hypotheekwet volgt dat eenieder ertoe gehouden is zijn verbintenissen na te komen en met zijn gehele vermogen (d.w.z. al de in geld waardeerbare goederen en rechten) instaat ter voldoening van die verbintenissen. Het vermogen van de schuldenaar vormt als geheel het onderpand van diens schuldeisers, die als gevolg van een geldsomveroordeling de tenuitvoerlegging daarvan (kunnen) nastreven op dit vermogen (E. Dirix, o.c., 22). De regel luidt dat om beslagbaar te zijn, een goed in geld waardeerbaar moet zijn, zodat het kan deel uitmaken van het vermogen van de schuldenaar. Het goed moet ook afzonderlijk overdraagbaar zijn en mag geen persoonlijk karakter vertonen. Er mogen ook geen wettelijke beperkingen op de beslagbaarheid van het goed bestaan (J. Malekzadem, «Beslag op domeinnamen. Een eerste verkenning», RW 2009-10, 1503; J. Malekzadem, «Beslag en inpandgeving van onlichamelijke roerende goederen, in het bijzonder de intellectuele eigendomsrechten» in M.E. Storme, Insolventie- en beslagrecht, Brugge, die Keure, 2012, 80). Wanneer een goed «een economische waarde vertegenwoordigt en vatbaar is voor overdracht», is het in beginsel vatbaar voor beslag (E. Dirix, o.c., 131). Hierboven werd reeds de stelling ingenomen dat bitcoins beschouwd moeten worden als onlichamelijke roerende goederen. De vraag of die goederen in geld waardeerbaar zijn, kan positief beantwoord worden (dit wordt binnen de rechtsleer vrij algemeen aanvaard, zie: P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 161-162). Deze cryptomunten zijn ook afzonderlijk overdraagbaar, want dat is precies het doel van het bitcoin-systeem. Ze vertonen verder geen persoonlijk karakter, want bitcoins zijn niet nauw verbonden met de persoon van de debiteur (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1498). Aangezien in principe alle goederen van een schuldenaar door een schuldeiser in beslag genomen kunnen worden, zijn bitcoins in deze bijdrage te kwalificeren als goederen en vertegenwoordigen ze wel degelijk een economische waarde, zodat ze in beginsel vatbaar zijn voor beslag (E. Dirix, o.c., 132-133, 438; S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 23-24).

Het beslag wordt verricht door een gerechtsdeurwaarder, die op verzoek van de schuldeiser de vermogensbestanddelen van de schuldenaar aanduidt die zullen gelden tot delging van diens schuld (E. Dirix, o.c., 22). Het beslag kan bewarend of uitvoerend zijn. Het bewarend beslag strekt ertoe te vermijden dat de schuldenaar zijn goederen nog zou kunnen vervreemden en heeft dus tot gevolg dat hij er niet meer vrij over mag beschikken (artt. 1413-1480 Ger.W.; E. Dirix, o.c., 22; B. Maes, P. Vanlersberghe, N. Clijmans en S. Van Schel, Gerechtelijk privaatrecht ... na de hervormingen van 2017-2019, Brugge, die Keure / la Charte, 2019, 448). Het uitvoerend beslag is evenwel een middel tot tenuitvoerlegging; de schuldeiser zal krachtens een uitvoerbare titel de mogelijkheid verkrijgen om de goederen van de schuldenaar te gelde te maken (artt. 1494-1626 Ger.W.; P. Vanlersberghe e.a., o.c., 448). In wat volgt, zal de nadruk voornamelijk liggen op bewarende maatregelen, gelet op de snelheid en het gemak waarmee bitcoin-transacties worden verricht en het niet ondenkbaar is dat een schuldeiser in eerste instantie het risico wil vermijden dat zijn schuldenaar nog verdere transacties zal verrichten.

12. Samengevat lijkt het in theorie alvast mogelijk om ook op privaatrechtelijk vlak beslag te leggen op bitcoins wegens de hierboven onderzochte kwalificatie. Tot op heden zijn er echter geen gevallen van een dergelijk beslag gekend. Waarop het beslag specifiek betrekking moet hebben en of dat ook praktisch kan worden uitgevoerd, is in dit kader nog een prangende vraag. Hierna wordt dan ook geprobeerd om meer inzicht te bieden in de toepasselijke regels en komen ten slotte de praktische moeilijkheden aan bod die zich bij het leggen van het beslag op bitcoins kunnen voordoen.

IV. Beslag op roerend goed?

13. Net zoals de juridische kwalificatie, is ook het antwoord op de vraag naar de toepasselijke regels voor de inbeslagname van bitcoins niet voor de hand liggend. Er bestaan immers geen specifiek voor cryptomunten uitgewerkte beslagregels. Daardoor dient men terug te vallen op de in het Gerechtelijk Wetboek voorhanden zijnde algemene regels inzake beslag. Of de regels inzake beslag op roerende goederen, dan wel die van beslag onder derden toegepast moeten worden, hangt bovendien af van de juridische kwalificatie van bitcoins. Ervan uitgaande dat bitcoins behoren tot de categorie van onlichamelijke roerende goederen, lijkt het logisch om in eerste instantie terug te grijpen naar de regels inzake beslag op roerende goederen. Derdenbeslag onder de deelnemers van het bitcoin-systeem zal immers niet mogelijk zijn, aangezien – zoals reeds vermeld – de kwalificatie van bitcoins als schuldvordering uitgesloten is (E. Dirix, o.c., 437-438; S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 23; E. Callens en L. Van Coillie, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 47-50; M. Vanwynsberghe, o.c., RW 2014-15, 1442).

Volgens Dirix is ook een roerend beslag niet mogelijk omdat bitcoins niet in fysieke vorm bestaan, ervan uitgaande dat de regels inzake beslag op roerende goederen enkel van toepassing zijn op lichamelijke roerende goederen (zie infra). Het beslag zou volgens hem rechtstreeks aan de schuldenaar betekend moeten worden, waarbij het verbod wordt opgelegd om nog verdere transacties te verrichten (E. Dirix, o.c., 43). Een overboeking naar een sekwester is volgens Dirix noodzakelijk om de bewarende werking te verzekeren en bijgevolg te vermijden dat de schuldenaar nog bitcoin-transacties zou verrichten (E. Dirix, o.c., 438: vgl. met de bewaring van virtuele valuta door het COIV in het kader van een strafbeslag). Malekzadem argumenteert in haar bijdrage over beslag op domeinnamen – die eveneens als onlichamelijk worden beschouwd – dat beslag op onlichamelijke roerende goederen mogelijk is onder meer omdat het Belgische beslagrecht een open karakter vertoont (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1504). Zoals eerder aangegeven, volgt uit de artt. 7 en 8 Hypotheekwet dat beslag mogelijk is op alle goederen van de schuldenaar, met inachtneming van de wettelijke beperkingen. Als er geen specifieke regeling in de wet is opgenomen – zoals bij beslag op cryptomunten – kan men teruggrijpen naar de algemene regels van het beslagrecht (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1504). Zo zou het mogelijk zijn om, naar analogie met de redenering van Malekzadem inzake het domeinnaamrecht en andere intellectuele eigendomsrechten, de algemene regels inzake beslag op roerende goederen toe te passen op bitcoins (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1505; J. Malekzadem, o.c., in M.E. Storme, Insolventie-en beslagrecht, 80-85). Malekzadem verduidelijkt dat binnen de Belgische rechtsleer wordt aangenomen dat deze beslagregels enkel van toepassing zijn op lichamelijke roerende goederen, omdat wordt aangeknoopt bij de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek inzake roerende goederen waarbij de nadruk op lichamelijkheid ligt. In een meer moderne visie die aansluit bij de modernisering van het goederenrecht en de opkomst van diverse onlichamelijke (roerende) goederen, kan men argumenteren dat deze regels zowel op lichamelijke als op onlichamelijke roerende goederen van toepassing zijn (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1504-1505; M. Fierens, o.c., 49). Voorts vindt men in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake bewarend en uitvoerend beslag op roerende goederen geen onderscheid terug tussen lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen (J. Malekzadem, o.c., RW 2009-10, 1505: op art. 1422 na). Ook in de context van het beslag op aandelen – die eveneens een onlichamelijk karakter hebben – wijzen Vananroye, Van Baelen en Lindemans op het «verouderde» karakter van het huidige beslagrecht en het gebrek aan een adequate regeling, ondanks het toegenomen belang van onlichamelijke goederen (R. Lindemans, «Actuele ontwikkelingen en tendensen inzake beslagrecht (2015-2018)» in R. Lindemans, M.E. Storme, J. Vananroye, R. Verheyden, G. Van Calster, Themis 107 – Insolventie- en beslagrecht, Brugge, die Keure / la Charte, 2018, 66, voetnoot 79; B. Van Baelen en J. Vananroye, «Editoriaal: Beslag op aandelen: een stroef verhaal», TRV-RPS 2017, 391-392). Het staat in ieder geval vast dat in het kader van beslag op onlichamelijke goederen er enige onduidelijkheid heerst. Het valt bovendien te betreuren dat het beslagrecht de modernisering van het burgerlijk recht op dit punt niet volgt.

Ongeacht bovenstaande problematiek, lijkt de praktische uitvoering van het beslag op bitcoins in elk geval eerder moeilijk. Hieronder wordt daarom kort toegelicht waarom het m.i. tot op heden binnen het bestaande rechtskader onmogelijk is om het beslag op bitcoins ook effectief te realiseren. De praktische problemen die in dit verband rijzen, kunnen bovendien zowel in het kader van een strafrechtelijk als in het kader van een privaatrechtelijk beslag bestaan.

V. Praktische moeilijkheden

14. Zodra aanvaard kan worden dat het burgerrechtelijk beslag op bitcoins theoretisch denkbaar is, dient dit natuurlijk ook nog praktisch uitgevoerd te worden. Een eerste moeilijkheid die hierbij rijst, is het achterhalen of de schuldenaar in kwestie al dan niet over bitcoins beschikt en waar deze gelokaliseerd zijn (A.W. Jongbloed, «Bitcoins: virtueel geld, beslag op gebakken lucht?», Tijdschrift voor de Procespraktijk 2015-3, 2015, (77) 83). Er bestaan immers verschillende mogelijkheden om cryptomunten te bewaren. Een mogelijkheid is gebruik te maken van een virtuele wallet, aangeboden door een externe online wallet provider. De bitcoins zullen dan online op een server worden opgeslagen en zijn consulteerbaar via «eender welk informaticasysteem», zoals een smartphone of een computer (S. Royer, o.c., RW 2016-17, 485). Een andere optie is gebruik te maken van een eigen hardware device, zoals een USB-stick (S. Royer, o.c., RW 2016-17, 485).

Ongeacht de vorm van opslag – online of op een materi?le drager – de essentie van het verhaal blijft steeds dat het verrichten van transacties slechts mogelijk zal zijn mits men over een private sleutel beschikt (S. Royer, o.c., RW 2016-17, 485-486; S. Geiregat, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 8-9, 26; J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 36). In de veronderstelling dat het duidelijk is dat een schuldenaar over bitcoins beschikt en deze bovendien gelokaliseerd kunnen worden, is de volgende logische vraag die men zich aldus zou kunnen stellen: waarop moet precies beslag worden gelegd? Het gehele bitcoin-systeem is, zoals aangegeven, zeer complex. Zoals vermeld in randnr. 4 moet er een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de bitcoins zelf die een code vormen in de onderliggende blockchain en anderzijds de bitcoin wallet of drager die noodzakelijk is om toegang te verkrijgen tot de onderliggende bitcoin blockchain. Wanneer men dus enkel beslag zou leggen op de wallet, zal men nog geen effectieve toegang verkrijgen tot de bitcoins van de schuldenaar. De private sleutel, waarover enkel de schuldenaar beschikt, is hierbij essentieel (J.-L. Verhelst, o.c. , in M.E. Storme en F. Helsen (eds.), Innovatie en disruptie in het economisch recht , 36: bij verlies is het onmogelijk om nog bitcoins uit te geven). Zolang de schuldenaar over deze private sleutel beschikt, kan hij zich steeds via gelijk welke wallet toegang verschaffen tot zijn bitcoins en nog steeds transacties verrichten via digitale ondertekening met deze sleutel (zie ook: M. Van Ingen en W.-J. Smits, o.c., BER 2018, nr. 2, 20). Het zal m.a.w. noodzakelijk zijn om bij het leggen van beslag op de wallet ook de private sleutel van de schuldenaar te «bemachtigen». Zoals hieronder zal blijken, vormt dit tot op heden een grote beperking voor de inbeslagname van bitcoins.

15. Wanneer het risico bestaat dat de schuldenaar zijn goederen (lees: bitcoins) aan het verhaalsrecht van de schuldeiser zal onttrekken, kan deze laatste ervoor opteren om over te gaan tot het leggen van bewarend beslag (indien aan de voorwaarden hiervoor voldaan is). Bewarend beslag heeft, zoals eerder vermeld, tot gevolg dat de schuldenaar de beslagen goederen mag blijven gebruiken, maar er niet meer over mag beschikken. In het geval van bitcoins betekent dit dat de eigenaar de munten niet meer mag vervreemden, maar ze wel nog in zijn bezit mag hebben. De loutere toepassing van de regels inzake bewarend beslag houdt evenwel steeds een risico in dat de schuldenaar zijn bitcoins toch zou wegmaken via een overboeking naar een andere wallet. Zoals aangegeven, stelt Dirix voor – teneinde de bewarende werking te verzekeren – om (bijkomend) een sekwester aan te stellen die over een eigen wallet beschikt om een overboeking van de bitcoins naar deze wallet te realiseren en ze daar te bewaren en veilig te stellen voor latere uitwinning (art. 1395/1 Ger.W.; E. Dirix, o.c., 438). Op die manier kan men vermijden dat de schuldenaar nog transacties met zijn bitcoins zal verrichten. Wanneer men echter de private sleutel van de schuldenaar niet kan bemachtigen, is een overboeking naar de wallet van een sekwester niet mogelijk (M. Van Ingen en W.-J. Smits, o.c., BER 2018, nr. 2, 21).

Dit geldt overigens evenzeer in het kader van een strafrechtelijk beslag wat de overboeking naar de wallet van het COIV betreft (P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c., in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten, 163). Wat de gevallen betreft waarin reeds succesvol werd overgegaan tot het leggen van (strafrechtelijk) beslag, kan men ervan uitgaan dat de overheid over de private sleutel beschikte. Overigens rijst de vraag of er voor de bitcoin-gebruiker een verplichting bestaat om mee te werken en de private sleutel kenbaar te maken. Binnen een strafrechtelijke context werd hieromtrent reeds een standpunt ingenomen door het Hof van Cassatie met het recente cassatiearrest van 4 februari 2020 (Cass. 4 februari 2020, AR nr. P.19.1086.N/1, te consulteren via http://www.juridat.be, zie ook: P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c. , in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten , 163-166). Het Hof van Cassatie vernietigt in deze zaak het arrest van het Gentse Hof van Beroep (correctionele kamer) van 15 oktober 2019 waarbij de verweerder werd vrijgesproken nadat hij werd vervolgd voor o.m. de weigering tot medewerking om de toegangscode van zijn smartphone op bevel van de onderzoeksrechter vrij te geven. Dit werd volgens het Gentse Hof in strijd geacht met het zwijgrecht en het verbod op gedwongen zelfincriminatie, met verwijzing naar art. 6.2 EVRM en artt. 14.2 en 14.3.g IVBPR (p. 2 van het cassatiearrest). Het Hof van Cassatie zag dit echter anders en oordeelde dat voormelde artikelen niet verhinderen dat «een verdachte een strafrechtelijk gesanctioneerde informatieplicht wordt opgelegd met het oog op het verkrijgen van materi?le bewijselementen die, zoals hier, statisch zijn, onafhankelijk van zijn wil bestaan en als dusdanig geen zelf-incriminerende aard hebben» (p. 2 van het cassatiearrest). Het Hof verwijst naar art. 88quater Sv. om toe te laten degene te straffen die weigert om mee te werken zijn/haar toegangscode tot de smartphone te verlenen op bevel van de onderzoeksrechter (p. 2-3 van het cassatiearrest; https://www.knack.be/nieuws/belgie/straks-zijn-we-allemaal-verdacht-hof-van-cassatie-zet-deur-open-voor-privacy-misbruiken/article-opinion-1561609.html). Enige voorwaarde die hierbij wordt vermeld, is dat er geen dwang gebruikt mag worden en dat moet worden aangetoond dat «de bedoelde persoon zonder redelijke twijfel de toegangscode kent» (p. 3 van het cassatiearrest). Ook het Grondwettelijk Hof is deze mening toegedaan (P. Waeterinckx en K. De Schepper, o.c. , in M. Delanote en P. Waeterinckx (eds.), Cryptomunten juridisch ontsloten , 165, met verwijzing naar GwH 20 februari 2020, nr. 28/2020;

i.v.m. de informatieplicht bij verbeurdverklaring van bitcoins; zie S. Royer, o.c., RW 2016-17, 499-500). Het niet meedelen door de verdachte van informatie om de private sleutel te kunnen achterhalen, terwijl deze laatste wel degelijk deze sleutel kent, zou bestraft kunnen worden op grond van art. 88quater Sv. (gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en/of geldboete van 26 euro tot 20.000 euro). Gezien deze strafbaarstelling zou deze uitspraak in het kader van een strafbeslag er eventueel voor kunnen zorgen dat een verdachte sneller geneigd zal zijn om de private sleutel kenbaar te maken waardoor het beslag en de overboeking naar de wallet van het COIV kunnen plaatsvinden.

Gelet op de strafrechtelijke aard van bovenstaande zaak, zal deze uitspraak helaas minder relevant zijn binnen een burgerrechtelijke context. Zonder vrijwillige medewerking van de schuldenaar zal men de private sleutel niet kunnen achterhalen (zie ook: T.J. De Graaf en H.B. Krans, «Verhaal op bitcoins door gedwongen medewerking van de schuldenaar», WPNR 7217, 1 december 2018, 942). Wel zou men op basis van art. 507 Sw. een schuldenaar strafrechtelijk kunnen vervolgen ingeval deze de in beslag genomen bitcoins op bedrieglijke wijze wegmaakt. In ieder geval garandeert noch de strafbaarstelling op grond van art. 88quater Sv., noch die op grond van art. 507 Sw. dat de verdachte of schuldenaar geen transacties meer zal verrichten of zijn private sleutel met zekerheid zal vrijgeven, zodat een overboeking mogelijk wordt. Bovendien is de combinatie van een private sleutel veel complexer en langer dan de toegangscode van bijvoorbeeld een smartphone. De kans bestaat dat bij gebrek aan schriftelijke neerslag van deze code, de schuldenaar niet in staat zal zijn (of beweert niet in staat te zijn) om zich deze complexe combinatie te herinneren.

Het is tot slot vanzelfsprekend dat bovenstaande problematiek zich eveneens voordoet in de fase van tenuitvoerlegging. Ook een uitvoerend beslag zal praktisch gezien niet mogelijk zijn zolang de private sleutel niet gekend is.

16. Aangezien de toegang tot de private sleutel absoluut niet gegarandeerd kan worden en de medewerking van de schuldenaar niet kan worden verondersteld, lijken het bewarend beslag en de aanstelling van een sekwester aldus weinig zinvol. Enkel in het geval dat de schuldenaar ook effectief zijn private sleutel vrijgeeft, zal het nuttig zijn om de bitcoins over te boeken naar deze sekwester (zie: E. Dirix, o.c., 438). Deze sekwester zal daarenboven zelf over een wallet moeten beschikken. Om de kans op vrijgave van de sleutel te verhogen, zou men de beslagrechter wel kunnen vragen om de schuldenaar hiertoe te verplichten, gekoppeld aan een dwangsom (E. Dirix, o.c., 438). Wanneer de schuldenaar vervolgens overgaat tot bekendmaking van deze sleutel, kunnen de bitcoins worden overgeboekt naar de wallet van de sekwester. Maar wanneer de schuldenaar de vrijgave blijft weigeren en bovendien niet in staat is om de dwangsom te voldoen, zal het beslag de facto onmogelijk blijven. Het hacken van de private sleutel lijkt daarenboven, gezien de complexiteit en beveiliging van het systeem, eerder onmogelijk of ontzettend duur voor de schuldeiser (T.J. De Graaf en H.B. Krans, «Verhaal op bitcoins door gedwongen medewerking van de schuldenaar», WPNR 7217, 1 december 2018, 942). Het gebruik van dwang is tot slot uiteraard uitgesloten (zie ook het recente cassatiearrest van 4 februari 2020).

VI. Conclusie

17. Als conclusie geldt dat wegens de goederenrechtelijke kwalificatie van bitcoins als onlichamelijke roerende goederen, beslag theoretisch gezien mogelijk is. Wat de strafrechtelijke inbeslagname van bitcoins betreft enerzijds, werden alvast de eerste stappen gezet. Anderzijds is privaatrechtelijk beslag tot op heden eerder moeilijk wegens de praktische pijnpunten die in deze kanttekening werden geschetst. Het beslag op de wallet van de schuldenaar alleen, volstaat niet. De private sleutel is de sleutel tot succes. Bijkomend bij het bewarend beslag zal het nuttig zijn om een sekwester aan te stellen waarnaar de bitcoins vervolgens getransfereerd kunnen worden om op die manier de bewarende werking van het beslag te verzekeren en in een latere fase over te gaan tot tegeldemaking. Eventueel kan men de schuldenaar de verplichting laten opleggen tot vrijgave van de private sleutel, gekoppeld aan een dwangsom. Wanneer de schuldenaar echter weigert of niet in staat is de private sleutel bekend te maken (en ook de dwangsom geen soelaas biedt wegens diens insolvabiliteit), is het beslag de facto onmogelijk. Ook een uitvoerend beslag zal onmogelijk zijn zolang de private sleutel niet gekend is. Bij gebrek aan vrijwillige medewerking tot vrijgave van de private sleutel kan de schuldenaar uiteraard hiertoe niet fysiek gedwongen worden en ook het inschakelen van hackers is (budgettair) niet zinvol waardoor de schuldeiser m.i. tot op heden in de kou zal blijven staan.

Laura Maes, doctoraatsonderzoeker,
Instituut Financieel Recht UGent

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier