JustJudgment, het centraal register van beslissingen van de rechterlijk orde: een beknopte bespreking en analyse

  • Jaargang 87

    2023 - 2024


  • Nummer

    1


  • Pagina

    3


  • Auteur(s)

    M. Van Der Haegen, J. Van Doninck


  • Trefwoorden

    RECHTSVINDING

Op 16 oktober 2022 zag de wet op het centraal register van de beslissingen van de rechterlijke orde het levenslicht. Deze wet beoogt de creatie van een algemene rechtspraakdatabank voor intern gebruik en voor de publicatie van vonnissen en arresten. Deze bijdrage bespreekt in hoofdlijnen de belangrijkste elementen van deze wet en plaatst enkele kritische kanttekeningen.
Rechtskundig Weekblad

JustJudgment, het centraal register van beslissingen van de rechterlijk orde: een beknopte bespreking en analyse

Matthias Van Der Haegen en Jachin Van Doninck

Gastprofessor Vrije Universiteit Brussel en magistraat in opleiding; Docent Vrije Universiteit Brussel1 en advocaat

Op 16 oktober 2022 zag de wet op het centraal register van de beslissingen van de rechterlijke orde het levenslicht. Deze wet beoogt de creatie van een algemene rechtspraakdatabank voor intern gebruik en voor de publicatie van vonnissen en arresten. Deze bijdrage bespreekt in hoofdlijnen de belangrijkste elementen van deze wet en plaatst enkele kritische kanttekeningen.

1. Inleiding1

1. De digitalisering van Justitie is een verhaal met veel goede wil en ambitieuze plannen. Phenix, Cheops en JustX volgden elkaar op, zonder ooit te leiden tot de beloofde resultaten. In 2017 onthulde Koen Geens zijn ideeën omtrent de Court of the Future, maar ook hier werden dromen geen werkelijkheid.2 Laatst beloofde de wet van 5 mei 20193 de totstandkoming van een nieuwe rechtspraakdatabank, maar de inwerkingtreding ervan werd herhaaldelijk op de lange baan geschoven.4 Het ontbreken van een duidelijk wettelijk kader voor deze databank was daar niet vreemd aan. In de schaduw werd evenwel onverdroten gewerkt aan dit regelgevend kader. Deze werkzaamheden materialiseerden in de wet van 16 oktober 2022 op het centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde (hierna: wet op het centraal register).5 De eerste stap was reeds vóór de indiening van het wetsontwerp gezet: in februari 2022 werd een openbare aanbesteding uitgeschreven met het oog op het opzetten, hosten en beheren van een publieke rechtspraakdatabank.6 Het heeft veel voeten in de aarde gehad, maar de trein op weg naar een digitale Justitie lijkt definitief vertrokken te zijn.7

2. Het centraal register, dat als naam JustJudgment zal krijgen in lijn met andere recente applicaties van Justitie, zal een cruciale rol spelen in de (toekomstige) dagelijkse werking van Justitie. Conceptueel bestaat het centraal register uit twee onderscheiden delen: een intern deel met alle beslissingen in origineel formaat met een hoofdzakelijk administratieve finaliteit, en een extern deel met gepseudonimiseerde beslissingen ter realisatie van de grondwettelijk gewaarborgde openbaarheid van de rechtspraak. De wet vormt zo een belangrijke stap in de verdere digitalisering van Justitie en stelt ook de algemene publicatie van de Belgische rechtspraak in het vooruitzicht. Het hoeft geen betoog dat deze externe databank gegevens zal bevatten die in het licht van de AI-evolutie erg waardevol zijn en dus op veel (commerciële) interesse zullen kunnen rekenen.8 Dit noodzaakt ook een adequate bescherming van de privacy. De wetgever heeft evenwel gekozen voor een voorzichtige aanpak en maakte slechts een beperkte opening naar de toepassing van AI-technieken op de data die het centraal register zal bevatten.

3. Deze bijdrage bespreekt de meest relevante elementen van de wet op het centraal register. Daarbij wordt, waar relevant, het onderscheid gemaakt tussen het interne deel en het externe deel van het centraal register. Eerst komen de doelstellingen van het centraal register en het beheer ervan aan bod. Vervolgens worden de wijzigingen voor de totstandkoming van vonnissen en arresten besproken, gevolgd door de bepalingen omtrent de raadpleging en verwerking van de gegevens vervat in het centraal register. Daarna wordt dieper ingegaan op de (strafrechtelijke) beperkingen die aan het gebruik van deze gegevens worden opgelegd, om af te sluiten met de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Bij alle verwijzingen naar de artikelen 782 en 782bis Ger.W. in de tekst geldt dat deze van toekomstig recht zijn.

2. Doelstellingen & beheer

2.1 Doelstellingen

4. De wetgever beoogde verschillende onderscheiden doelstellingen door het centraal register te verwezenlijken (art. 782, § 4, tweede lid Ger.W.). Het centraal register zal een privaat of intern luik bevatten, en een publiek of extern luik. In het interne luik worden alle rechterlijke beslissingen in hun originele vorm opgenomen. Het externe luik omvat daarentegen de vonnissen en arresten in een gepseudonimiseerde vorm. Beide delen kennen verschillende finaliteiten. De opsomming hiervan is limitatief en daarom niet zonder belang: de gegevens vervat in het centraal register kunnen alleen voor deze doelen verwerkt worden. Het interne luik zal eerst in werking treden, kort nadien gevolgd door het externe luik (zie hoofdstuk 6).

2.1.1 Extern luik

5. Het externe luik van het centraal register heeft als doel gepseudonimiseerde vonnissen aan het publiek ter beschikking te stellen. Deze opname van rechterlijke beslissingen geldt als hun openbare bekendmaking in de zin van artikel 149 Gw., en moet transparantie garanderen en controle op de werking van de rechterlijke orde mogelijk maken (art. 782, § 4, tweede lid, 9° Ger.W.).

Het externe luik moet ook de publieke overheden9 de mogelijkheid geven om de gepseudonimiseerde vonnissen - en de gegevens die deze bevatten - statistisch te analyseren (art. 782, § 4, tweede lid, 10° Ger.W). Een dergelijke analyse mag niet plaatsvinden op de (metagegevens van) niet-gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in artikel 782, § 5, eerste lid, 1°- 3° Ger.W. Ter illustratie van deze doelstelling verwijst de Memorie van toelichting naar het opsporen van bepaalde tendensen in de rechtspraak om het preventieve en repressieve strafrechtelijk beleid richting te geven, en naar de noodzaak om te kunnen voldoen aan evaluatieclausules die vaak opgenomen worden in EU-verordeningen.10

2.1.2 Intern luik

6. Het interne luik zal dienen als authentieke bron van de erin opgenomen vonnissen en moet de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde vergemakkelijken door het gecentraliseerd bewaren van alle rechterlijke beslissingen in gedematerialiseerde vorm (art. 782, § 4, tweede lid, 1° en 2° Ger.W.). Deze digitalisering van de authentieke bron in het centraal register heeft een belangrijke impact op de wijze van totstandkoming van rechterlijke beslissingen (zie hoofdstuk 3).

Via het centraal register kunnen leden van de rechterlijke orde, maar ook partijen en hun advocaten, langs elektronische weg de beslissingen raadplegen waarvan ze krachtens de wet kennis mogen nemen (art. 782, § 4, tweede lid, 3° Ger.W.). Ook wetenschappers, historici en journalisten kunnen toegang krijgen tot de gegevens vervat in het interne luik en mogen deze ook verwerken (art. 782, § 4, tweede lid, 7° en 8° Ger.W.). De beperkingen die bij deze raadpleging en verwerking gelden, komen verder aan bod (zie hoofdstuk 4).

Een in het oog springende bijkomende doelstelling is de verwerking van de gegevens van het centraal register «voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken» (art. 782, § 4, tweede lid, 5° Ger.W.). De verzameling van alle rechterlijke beslissingen moet met andere woorden de weg effenen naar een datagedreven beheer van de rechtsbedeling in al haar facetten, zowel inhoudelijk - wat de toepassing van de wet betreft - als (personeels)beleidsmatig.

7. Het centraal register moet er ook toe dienen de leden van de rechterlijke orde te ondersteunen in de uitoefening van hun wettelijke opdrachten (art. 782, § 4, tweede lid, 6° Ger.W.). Hier wordt gedacht aan informaticatoepassingen die door middel van AI de magistraten en hun medewerkers kunnen ondersteunen. De Memorie van toelichting vermeldt onder andere de mogelijkheid van case law enhancement, waarbij gegevens uit het centraal register kunnen worden gelinkt aan gegevens uit wetgevings- of rechtsleerdatabanken, en de mogelijkheid tot het automatisch creëren van samenvattingen van rechterlijke beslissingen.11

De wet laat dus alleen de ontwikkeling van AI-applicaties met gebruik van de gegevens vervat in het centraal register toe voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde. De advocatuur riep de wetgever verbolgen op om deze beperking te schrappen.12 Zij meenden dat ook de advocatuur en de rechtzoekenden AI-applicaties toegepast op rechtspraak moeten kunnen ontwikkelen en gebruiken. Bovendien zou er sprake kunnen zijn van wapenongelijkheid wanneer de magistraten van het openbaar ministerie wel gebruik kunnen maken van deze toepassingen, maar de advocaten van de verdediging niet. Deze beperking tot de magistratuur zou volgens de advocatuur daarnaast strijdig zijn met de recente Europese datagovernanceverordening.13 Verschillende parlementsleden volgden de zienswijze van de balies en legden amendementen in die zin neer.14 De minister van Justitie hield evenwel voet bij stuk, niet om principiële, maar wel om pragmatische redenen: een ruimere ontwikkeling van AI-toepassingen geënt op de gegevens vervat in het centraal register is volgens de minister pas mogelijk nadat een werkgroep zich gebogen heeft over de nodige veiligheidswaarborgen en ethische aspecten die daarmee gepaard gaan.15 De ordes van advocaten zullen volgens de minister deel uitmaken van deze werkgroep. Tot dan wordt de miskenning van deze beperking indirect strafrechtelijk beteugeld (zie hoofdstuk 5).

2.2 Beheer: samenstelling & rol van het beheerscomité

8. Binnen de schoot van de FOD Justitie zal een beheerscomité worden opgericht dat instaat voor de inrichting en het beheer van het centraal register (art. 782, § 6, negende lid Ger.W.). Daaronder wordt in het bijzonder begrepen het bewaken van de maximale afwezigheid van ongemachtigde scraping (zie hoofdstuk 5), het toezicht op het toegangsbeleid en controle hierop, het machtigen van derden om de gegevens vervat in het centraal register te verwerken voor de bij wet toegestane doelen, het bewaken van de instroom van rechterlijke beslissingen in het centraal register en het toezien op de technische infrastructuur ervan. Het beheerscomité dient regelmatig verslag uit te brengen over de werking van het centraal register en over de uitoefening van zijn opdrachten.

9. De samenstelling van het beheerscomité had heel wat voeten in de aarde, wat geen verbazing wekt, gelet op zijn belangrijke rol. Het beheerscomité is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van het College van hoven en rechtbanken, en telkens twee vertegenwoordigers van het College van het openbaar ministerie, van het Hof van Cassatie16 en van de FOD Justitie (art. 782, § 6, tweede lid Ger.W.). Een vertegenwoordiger van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding en van de beleidscel van de minister van Justitie zetelen als waarnemer. De vertegenwoordigers van de rechterlijke macht hebben volwaardig stemrecht; de vertegenwoordigers van de FOD Justitie hebben daarentegen slechts een partieel stemrecht: zij zetelen als waarnemer wat betreft beslissingen die betrekking hebben op «de interne werking van de rechterlijke orde», maar hebben daarentegen wel stemrecht in aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen, de technische aspecten en de voor het publiek toegankelijke onderdelen van het centraal register, in zoverre deze laatste geen invloed hebben op de inhoud of begrijpelijkheid van de gepseudonimiseerde vonnissen en arresten (art. 782, § 6, derde lid Ger.W.). De voorzitter en ondervoorzitter van het beheerscomité maken deel uit van de zittende magistratuur.

10. Het wetsontwerp liet aanvankelijk geen vertegenwoordigers van de balie toe tot het beheerscomité. De Memorie van toelichting verdedigde die afwezigheid op twee manieren: het eerste argument luidde dat de rechterlijke beslissingen die in het Centraal Register worden opgenomen, niet van advocaten uitgaan. Dat geldt ook voor de magistraten van het openbaar ministerie, maar zij krijgen wel een plaats aan de tafel omdat zij het algemeen belang vertegenwoordigen en dus meer zijn dan louter een procespartij. Het tweede argument tegen de opname van vertegenwoordigers van de advocatuur in het beheerscomité was het verzekeren van een werkbaar beheer van het centraal register, wat door een te omvangrijk orgaan zou bemoeilijkt worden.17 Deze argumenten vonden geen genade in de ogen van de Raad van State, die oordeelde dat advocaten als justitiële actoren een wezenlijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van rechterlijke beslissingen.18 Het wetsontwerp werd uiteindelijk in die zin geamendeerd.19 De wet bepaalt dat telkens één vertegenwoordiger van de OVB, de OBFG en de orde van advocaten bij het Hof van Cassatie deel uitmaakt van het beheerscomité, zij het met een raadgevende stem.

Er moet aldus een onderscheid worden gemaakt tussen de in het beheerscomité vertegenwoordigde entiteiten met een volledig en volwaardig stemrecht (magistratuur), zij met een beperkt maar volwaardig stemrecht (FOD Justitie), de entiteiten met een louter raadgevende en dus niet-beslissende stem (advocatuur) en de entiteiten met een waarnemersrol (IGO en de beleidscel van de minister van Justitie). Alleen de entiteiten in de eerste en de tweede categorie treden op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 26 van de algemene verordening gegevensbescherming (art. 782, § 7 Ger.W.).

11. Het beheerscomité wordt opgericht binnen de schoot van de FOD Justitie (art. 782, § 6, eerste lid Ger.W.).20 Die keuze wordt verdedigd door het feit dat de gegevens die het centraal register zal bevatten, gegenereerd worden door de rechterlijke orde.21 Vraag is of het centraal register in dat geval niet beter beheerd wordt door een orgaan van de rechterlijke orde zelf, eerder dan door een orgaan van de uitvoerende macht.22 De samenstelling van en de stemrechtmodaliteiten binnen het beheerscomité garanderen evenwel dat de rechterlijke orde het laatste woord heeft, los van de vraag in welke schoot het beheerscomité functioneert. Functionele onafhankelijkheid is op die manier alvast gewaarborgd.

3. Digitale opmaak, uitspraak en pseudonimisering van vonnissen

3.1 Opmaak van vonnissen

12. De wet verheft digitale vonnissen tot de norm: artikel 782, § 1 Ger.W. bepaalt dat elke rechterlijke beslissing in gedematerialiseerde vorm wordt opgesteld. Het voorziet in een uitzondering in geval van technische problemen met dossierbeheerapplicaties of in geval van beslissingen «à l’hôtel du président» (art. 584 Ger.W.), door te bepalen dat beslissingen ook in niet-gedematerialiseerde vorm kunnen worden opgesteld (lees: op papier) wanneer een digitale opmaak onmogelijk is. De digitale vonnissen worden elektronisch ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening (art. 782, § 2, derde lid Ger.W.).

Deze digitale vonnissen worden, na ondertekening, automatisch opgenomen in het centraal register via een rechtstreekse koppeling met de dossierbeheerapplicatie. De minuut van deze digitale vonnissen is dus digitaal. Voor de papieren vonnissen wordt een door de griffier eensluidend verklaard gedematerialiseerd afschrift van die vonnissen opgenomen in het centraal register (art. 782, § 5, eerste lid, 2° Ger.W.).23 De vonnissen en arresten worden voor onbepaalde duur bewaard in het centraal register (art. 782, § 9 Ger.W.). Op heden worden de minuten van rechterlijke beslissingen slechts gedurende dertig jaar bewaard door de rechterlijke macht, waarna ze aan het Rijksarchief worden overgedragen.24 De wet op het centraal register brengt daar dus verandering in, al is het de vraag of deze bepaling de toets van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan doorstaan.25

13. De Memorie van toelichting maakt duidelijk dat élke rechterlijke beslissing in dit register zal worden opgenomen: tussen- en eindvonnissen en beslissingen alvorens recht te doen, maar ook beschikkingen in kort geding en op eenzijdig verzoekschrift, en beslissingen van de tuchtrechtscolleges in de zin van artikel 409 Ger.W. e.v. Volgens de Memorie omvat de term «vonnis» in artikel 782, § 1-3 Ger.W. eveneens beslissingen van de tuchtraden en van arbiters,26 die dus in gedematerialiseerde vorm worden opgemaakt (§ 1), elektronisch ondertekend worden (§ 2) en vervolgens worden opgenomen in het centraal register (§ 3). Later houdt diezelfde Memorie echter voor dat alleen beslissingen die uitgaan van rechtscolleges van de rechterlijke orde, kunnen en mogen worden opgenomen in het centraal register.27 Dat laatste lijkt ons terecht. Tuchtgerechten doen geen uitspraak over burgerlijke en politieke rechten, zodat zij niet tot de rechterlijke orde worden gerekend.28 Kenmerkend voor arbitrage is dan weer dat die wordt georganiseerd buiten de overheidsrechter. De arbitrale uitspraak wordt door de voorzitter enkel neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg (art. 1702 Ger.W.), maar de partijen kunnen de arbiters hiervan vrijstellen en een gebrek aan neerlegging levert geen grond tot vernietiging op.29

3.2 Uitspraak en openbaarheid van vonnissen

14. De wet op het centraal register wijzigt ook de wijze van uitspraak van vonnissen en arresten. In 2019 werd artikel 149 van de Grondwet herzien.30 Waar deze grondwetsbepaling voordien stipuleerde dat rechterlijke beslissingen in het openbaar werden uitgesproken, legt zij nu op dat rechterlijke beslissingen openbaar worden gemaakt op de wijze die de wet bepaalt; in strafzaken wordt echter steeds het beschikkend gedeelte mondeling uitgesproken. Artikel 782bis Ger.W. vormt de neerslag van deze delegatie aan de wetgever, en schrijft voor dat rechterlijke beslissingen schriftelijk of mondeling worden uitgesproken door de voorzitter van de kamer die de beslissing heeft gewezen. In het geval van een mondelinge uitspraak wordt minstens het beschikkende gedeelte voorgelezen. Ambtshalve of op verzoek van een van de partijen kan de rechter evenwel beslissen om de mondelinge uitspraak niet tot het beschikkende gedeelte te beperken. Gelet op artikel 149 Gw. kan een schriftelijke uitspraak dus alleen in burgerlijke zaken. Het zittingsblad moet de uitspraak, evenals de wijze van uitspreken vermelden.31 Op het moment van ondertekening wordt de beslissing opgenomen in het centraal register en kunnen de partijen langs deze weg de (niet-gepseudonimiseerde) beslissing in het interne luik raadplegen.

15. Openbaarheid van rechtspraak wordt door de nieuwe wet verwezenlijkt en gewaarborgd door de opname van de beslissing in gepseudonimiseerde vorm in het centraal register. Volgens de wet moet dit binnen een redelijke termijn gebeuren (art. 782bis, tweede lid Ger.W.). Volgens de minister van Justitie zal ongeveer een week voorbijgaan tussen de uitspraak van het vonnis en de opname ervan in gepseudonimiseerde versie in het centraal register.32 Indien de publieke bekendmaking via het centraal register onmogelijk zou zijn, bv. wegens technische problemen, dient de voorzitter het vonnis integraal mondeling uit te spreken, dan wel het vonnis ter beschikking van het publiek in de zittingszaal te stellen tot aan het einde van de zitting.33 Wanneer die onmogelijkheid ophoudt te bestaan, volgt alsnog de bekendmaking via het centraal register. Een schriftelijke uitspraak is alleen mogelijk indien de beslissing nadien openbaar wordt gemaakt via het publieke luik van het centraal register: het wetsontwerp verduidelijkt immers dat in burgerlijke zaken de mogelijkheid tot schriftelijke uitspraak pas kan ontstaan wanneer dit publieke luik operationeel is.34

Artikel 6 EVRM schrijft voor dat de uitspraak van een rechterlijke beslissing openbaar moet zijn. Volgens het EHRM kan de wijze waarop die openbare uitspraak vorm wordt gegeven, ingevuld worden door het nationale recht met oog voor de doelstellingen van artikel 6 EVRM, waarbij de rechtsgang in zijn geheel moet worden bekeken.35 Volgens het Hof voldoet de opname van de beslissing in een voor het publiek toegankelijk (offline) register aan de vereisten van artikel 6 EVRM.36 Of de publicatie via het internet ook voldoet, heeft het Hof nog niet expressis verbis gezegd, hoewel er indicaties zijn dat het Hof hiervan uitgaat.37

16. Welke rechterlijke beslissingen zullen gepubliceerd worden op het externe luik van het centraal register? Vonnissen in zowel burgerlijke zaken als strafzaken, en arresten van het hof van assisen en van het Hof van Cassatie,38 zullen in gepseudonimiseerde vorm voor het publiek consulteerbaar zijn (art. 782, § 5, eerste lid, 4° Ger.W).39 De wetgever had blijkbaar niet de bedoeling om publicatie te beperken tot eindvonnissen in de zin van die vonnissen die de rechtsmacht over alle processtof uitputten. Voor de invulling van de notie vonnis in artikel 782, § 5, eerste lid, 4° Ger.W. lijkt immers slechts de formele aanknoping met artikel 782bis Ger.W. relevantie te hebben, zodat naast eindbeslissingen ook beslissingen alvorens recht te doen onder die noemer vallen. De wet behoudt het stilzwijgen omtrent beslissingen van de onderzoeksgerechten. Het principe van de openbaarheid vervat in artikel 149 Gw. geldt evenwel niet ten aanzien van de onderzoeksgerechten,40 zodat deze beslissingen niet hoeven opgenomen te worden. Dat ligt evenwel anders wanneer de onderzoeksgerechten uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.41 Beslissingen tot opschorting of internering dienen dus wel publiek consulteerbaar te zijn, alhoewel de wet daar niet uitdrukkelijk in voorziet.

De rechter kan daarnaast steeds bevelen dat zijn beslissing in gepseudonimiseerde vorm moet worden bekendgemaakt via het centraal register (art. 782, § 5, eerste lid, 4° Ger.W). Het omgekeerde kan evenwel ook: de rechtbank kan de bekendmaking van een beslissing verbieden of bepaalde onderdelen van de motivering ervan weglaten uit de publiek consulteerbare versie. De rechter kan dit ambtshalve doen of op verzoek van een partij, en na de partijen gehoord te hebben, wanneer de publicatie van het gepseudonimiseerde vonnis of bepaalde onderdelen ervan het recht op privacy van de partijen of andere bij de zaak betrokken personen onevenredig aantast. Deze beslissing moet gemotiveerd zijn en wordt opgenomen in het vonnis (art. 782bis, vijfde lid Ger.W.). Een louter akkoord van de partijen om de beslissing (of een bepaald onderdeel ervan) niet te publiceren, kan de publicatie dus niet verhinderen.

3.3 Pseudonimisering van vonnissen

17. De publiek consulteerbare beslissingen moeten gepseudonimiseerd zijn (art. 782, § 5, derde lid Ger.W.).42 Deze pseudonimisering dient te gebeuren in de zin van artikel 4, 5) AVG, wat betekent dat de in de beslissing vervatte persoonsgegevens niet aan een specifiek individu kunnen worden gekoppeld, zonder dat daartoe aanvullende gegevens noodzakelijk zijn. Pseudonimisering houdt in dat de persoonsgegevens versleuteld worden, zodat ze niet langer tot identificatie van de betrokken persoon leiden. Alleen wie de sleutel heeft, kan te weten komen welke persoon achter de versleutelde gegevens schuilgaat. In rechterlijke beslissingen kan de versleuteling concreet gebeuren door namen om te zetten in procesrollen («eiser», «bouwheer», «beklaagde», etc.) of te verkorten tot hun initialen, of nog door bv. adresgegevens simpelweg te verwijderen. Bij gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen is de sleutel tot re-identificatie dan de oorspronkelijke beslissing met de ongewijzigde persoonsgegevens. Pseudonimisering moet onderscheiden worden van anonimisering. Bij anonimisering zijn de persoonsgegevens evenzeer versleuteld, maar bestaat er geen sleutel die tot re-identificatie kan leiden. De band tussen de publiek beschikbare, geanonimiseerde beslissing en de voor het publiek afgeschermde, originele beslissing wordt dan doorgeknipt zodat - in de veronderstelling dat iemand volledige toegang heeft tot het centraal register - de ene niet langer met de andere in verband kan worden gebracht. Dat is in de praktijk onmogelijk voor rechterlijke beslissingen, omdat elke specificiteit van de casus uit de publiek beschikbare beslissing zou moeten worden verwijderd, waardoor deze quasi alle betekenis zou verliezen. Waar de AVG niet van toepassing is op anonieme gegevens, is ze dat echter wel op gepseudonimiseerde gegevens.43 De bepalingen van de AVG zijn dus onverkort van toepassing op het centraal register, zowel op het interne als op het externe deel. Dat heeft belangrijke juridische implicaties.

18. Hoe ziet die pseudonimisering er concreet uit? De wet bepaalt dat de identiteitsgegevens van de natuurlijke personen vermeld in het vonnis of in het arrest moeten worden gepseudonimiseerd. Hetzelfde geldt voor elk element in de beslissing dat toelaat om de natuurlijke personen rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren, evenwel binnen de limieten van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de beslissing.44 De mogelijkheid tot een goed begrip van de beslissing krijgt dus voorrang op de privacybescherming van de partijen, althans wat betreft de mogelijkheid tot identificatie via andere elementen dan de identiteitsgegevens. De vraag rijst of iemand anders dan de rechter beter geplaatst is om in te schatten of de leesbaarheid en begrijpelijkheid van zijn beslissing door te verregaande pseudonimisering in het gedrang komt.45 Een toekomstig KB zal de nadere regels voor de pseudonimisering binnen de hierboven geschetste krijtlijnen uitzetten.

Deze pseudonimiseringsvereiste geldt niet voor de juridische actoren zoals de magistraten, griffiers en advocaten: hun identiteitsgegevens worden wel integraal opgenomen in de beslissingen. De korpschef van het gerecht kan hier evenwel een uitzondering op maken, na advies van het openbaar ministerie, indien de verspreiding van die gegevens hun veiligheid of die van hun omgeving in gevaar kan brengen. De pseudonimisering van de identiteitsgegevens van de juridische actoren geschiedt evenwel van rechtswege indien het een strafzaak betreft inzake terroristische misdrijven of georganiseerde criminaliteit (art. 782, § 5, derde lid, 3° en 4° Ger.W.).

19. Het is evident dat een verplichte pseudonimisering van de persoonsgegevens vervat in alle beslissingen die gepubliceerd worden op de publieke databank, een bijzonder tijdsintensief karwei is dat daarom enkel haalbaar is indien het (in belangrijke mate) geautomatiseerd gebeurt. De wet maakt dit mogelijk, maar bepaalt dat bij een geautomatiseerde pseudonimisering het resultaat aan menselijke controle moet onderworpen zijn (art. 782, § 5, vierde lid Ger.W.). Het gebruik van AI-toepassingen zoals machine learning, waarbij door feedbackloops46 de automatische pseudonimisering steeds efficiënter zal functioneren, zal menselijk ingrijpen na verloop van tijd steeds minder noodzakelijk maken. De vraag is hoe ver de wettelijke vereiste van menselijke controle reikt: volstaat nazicht van de automatische aanpassingen, of is het noodzakelijk dat de beslissing steeds integraal wordt nagelezen? Opnieuw zal een toekomstig KB meer duidelijkheid moeten verschaffen. Deze menselijke controle op de pseudonimisering dient te gebeuren door een orgaan dat rechtstreeks afhangt van de rechterlijke macht of onder haar controle staat.47 Het is tot ditzelfde orgaan dat elke belanghebbende zich via een schriftelijk verzoek kan wenden wanneer hij meent dat bepaalde niet-gepseudonimiseerde persoonsgegevens in een gepubliceerde beslissing dienen gepseudonimiseerd te worden (art. 782, § 5, vijfde lid Ger.W.). De gevolmachtigde van de minister verklaarde dat indien deze menselijke controle zou toevertrouwd worden aan de griffies van de hoven en rechtbanken, eerder dan aan een nieuw op te richten orgaan, de impact daarvan op de werklast gemonitord zal worden.48

20. De pseudonimisering van de identiteitsgegevens van natuurlijke personen, zoals bv. namen, rijksregisternummers en adressen, kan relatief eenvoudig op geautomatiseerde wijze geschieden. Dat ligt heel wat moeilijker voor die elementen van een vonnis die onrechtstreekse identificatie toelaten. Vandaar is het opvallend dat de wet de pseudonimisering van zowel de rechtstreekse als de onrechtstreekse identificatiemogelijkheden voor elk vonnis of arrest voorschrijft. Een soepelere pseudonimiseringsvereiste met een gelaagde aanpak afhankelijk van de aard van de zaak zou het pseudonimiseringsproces in het algemeen een stuk eenvoudiger hebben gemaakt. Het ligt voor de hand dat de gevolgen van een mogelijke re-identificatie op het vlak van de privacy schadelijker zijn in zedenzaken dan in bv. (de meeste) verkeersdelicten. De pseudonimisering van de elementen uit een beslissing die onrechtstreeks identificatie toelaten, zou dan pas moeten gebeuren wanneer de aantasting van de privacy na een mogelijke identificatie in casu zwaarder doorweegt dan de inspanning die de pseudonimisering van die elementen vergt. In Frankrijk is dit het geval. Daar worden de namen van partijen of van derden steeds weggelaten uit gepubliceerde beslissingen, maar worden die elementen van een beslissing die onrechtstreekse identificatie mogelijk maken, slechts weggelaten na beslissing daartoe door de rechter die het vonnis heeft gewezen.49

21. Om de leesbaarheid en dus de begrijpelijkheid van de gepseudonimiseerde beslissingen te vrijwaren, verdient het aanbeveling om bij de redactie van vonnissen en arresten de namen van natuurlijke personen te vervangen door hun procesrechtelijke rol (eiser, verweerder, appellant, geïntimeerde, beklaagde, opposant, etc.) of door hun specifieke rol in het onderzoek (verbalisant, getuige, etc.).50 Ook het standaardiseren en opleggen van vormvereisten aan vonnissen zou een automatische pseudonimisering kunnen vooruithelpen, maar botst - onterecht - wellicht op argumenten gestoeld op de onafhankelijkheid van de rechter.51

22. De identiteitsgegevens van rechtspersonen worden niet gepseudonimiseerd. In het voorontwerp van wet was voor privaatrechtelijke rechtspersonen aanvankelijk bepaald dat hun identiteitsgegevens ook gepseudonimiseerd moesten worden, voor zover hun naam verwees naar een nog levend natuurlijk persoon (art. 13). In het wetsontwerp en de uiteindelijke wet is deze vereiste verdwenen. Het Hof van Cassatie had terecht gewezen op de praktische moeilijkheden die hieruit zouden volgen: het is immers niet eenduidig op te maken om welke natuurlijke persoon het zou gaan, en of deze nog in leven zou zijn.52 Bovendien komt deze regeling nogal arbitrair over: ook bij rechtspersonen wier naam niet verwijst naar een nog levende natuurlijke persoon, is vaak algemeen bekend of minstens gemakkelijk vindbaar welke natuurlijke persoon achter deze of gene rechtspersoon schuilgaat: de vermelding in het vonnis van het ondernemingsnummer van een rechtspersoon die optreedt als partij, is immers voorgeschreven op straffe van nietigheid (art. 780, eerste lid, 2° Ger.W.). Via dit ondernemingsnummer wordt snel duidelijk wie bv. de bestuurders van een onderneming zijn. Alhoewel de identiteitsgegevens van rechtspersonen volgens de wet niet gepseudonimiseerd hoeven te worden, lijkt het aannemelijk dat de natuurlijke personen die achter een rechtspersoon schuilgaan, belang kunnen hebben om alsnog om pseudonimisering te verzoeken na publicatie van de beslissing. Of dat ook kan vóór de publicatie van de beslissing op grond van artikel 782bis, vijfde lid Ger.W.53, is onduidelijk, aangezien die bepaling enkel spreekt van het schrappen van elementen uit de motivering van een beslissing, naast de mogelijkheid om de publicatie van de volledige beslissing te verbieden.

4. Raadpleging en verwerking van de gegevens vervat in het centraal register

23. Het hoeft geen betoog dat het centraal register gevoelige gegevens bevat. De toegang tot deze gegevens is dan ook gereglementeerd. Niemand heeft ongebreidelde toegang, en sommigen hebben voorafgaande machtiging van het beheerscomité nodig. Schending van de vertrouwelijkheid van deze raadplegingen wordt gesanctioneerd door artikel 458 Sw. (art. 782, § 8, vijfde lid Ger.W.). De raadpleging en verwerking van de gegevens vervat in het interne luik van het centraal register zijn strenger gereglementeerd dan deze van de gegevens van het externe luik.

4.1 Raadpleging en verwerking binnen het interne luik

24. De niet-gepseudonimiseerde beslissingen in het centraal register kunnen slechts door welbepaalde categorieën van personen worden geraadpleegd en/of verwerkt. De leden van de rechterlijke orde54 kunnen hun eigen beslissingen in het centraal register raadplegen, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten. Op gemotiveerde aanvraag kunnen zij ook andere specifieke vonnissen raadplegen, met het oog op een noodzakelijke opzoeking in het kader van een onderzoek dat door de aanvrager wordt gevoerd of in het kader van een zaak die voor de aanvrager aanhangig is of waarin de aanvrager beroepshalve optreedt, en waarin de debatten nog niet zijn gesloten. Ook de partijen kunnen, net als hun advocaten, de in hun zaak gewezen beslissingen raadplegen. Dit geldt ook voor deskundigen of anderen die overeenkomstig de wet toegang moeten hebben tot een beslissing (art. 782, § 8, eerste lid, 2°, e) Ger.W.).

De advocatuur waarschuwde voor de praktijk dat magistraten eerdere beslissingen inzake hun cliënten zouden raadplegen, zonder dat zij daaromtrent tegenspraak kunnen voeren.55 Dit zou de wapengelijkheid tussen het openbaar ministerie en de verdediging en de tegensprekelijkheid van alle aan de rechter voorgelegde bewijselementen ondermijnen. Deze opmerkingen vonden weerklank in parlementaire amendementen.56 De wet voorziet in een verplichting om de partijen in kennis te stellen wanneer iemand die een gerechtelijk ambt uitoefent57 of een magistraat in opleiding in het kader van een onderzoek of in het kader van een aanhangige zaak een raadpleging deed van het (interne luik van het) centraal register en die raadpleging een positief resultaat opleverde (art. 782, § 8, derde lid juncto art. 315ter Ger.W.). Wanneer de magistraat in een hangende zaak eerdere vonnissen of arresten inzake een partij consulteert, worden de partijen daarvan op de hoogte gebracht. Deze kennisgeving moet de partijen in staat stellen om hieromtrent tegenspraak te voeren. Het is onduidelijk hoe deze kennisgeving vorm moet krijgen in de praktijk. Eenmaal de debatten gesloten zijn, mag de magistraat geen opzoekingen meer doen in het interne luik met betrekking tot die zaak. Een dergelijke kennisgeving is uiteraard niet vereist wanneer de magistraat het externe luik van de databank met gepseudonimiseerde beslissingen consulteert.

25. Ook derden kunnen - steeds mits machtiging van en onder de voorwaarden bepaald door het beheerscomité - toegang krijgen tot het centraal register (art. 782, § 8, eerste lid, 5° Ger.W.). Zo kunnen wetenschappers en historici toegang krijgen en overgaan tot verwerking van individuele of van een geheel van beslissingen (art. 782, § 4, tweede lid, 7° Ger.W.).58 Journalisten kunnen toegang krijgen tot individuele, niet-gepseudonimiseerde beslissingen (art. 782, § 4, tweede lid, 8° Ger.W.). Legal techs kunnen voor de ontwikkeling van informaticatoepassingen op vraag van de magistratuur gegevens van het centraal register verwerken (art. 782, § 4, tweede lid, 7° Ger.W.).

4.2 Raadpleging en verwerking binnen het externe luik

26. Het externe luik van het centraal register zal alle gepseudonimiseerde vonnissen en arresten bevatten. Dit dient de transparantie van en controle op de rechterlijke macht als onderdeel van de grondwettelijk verankerde openbaarheid van rechtspraak (art. 782, § 4, tweede lid, 9° Ger.W.). De toegang tot het publieke luik met gepseudonimiseerde beslissingen is daarom logischerwijze vrij. Het gebruik van deze beslissingen is dat evenwel niet (zie hoofdstuk 5).

Artikel 782, § 8, eerste lid, 7° Ger.W. bepaalt dat de individuele gepseudonimiseerde beslissingen publiek zijn. In het omgekeerde geval zou het centraal register transparantie noch controle op de rechterlijke macht mogelijk maken. Uit deze wetsbepaling blijkt evenwel ook, a contrario, dat een geheel van gepseudonimiseerde beslissingen niet publiek is. De Memorie van toelichting plaatst die publieke, individuele gegevens immers tegenover «een geheel» van gepseudonimiseerde gegevens, waarvan de verwerking door derden enkel mag geschieden mits voorafgaande schriftelijke toestemming van de beheerder en onder de voorwaarden door hem bepaald, en met het oog op één van de doelen van de wet.59 Het is vreemd te moeten vaststellen dat beslissingen die op het internet vrij toegankelijk zijn, volgens de wet individueel beschouwd publieke informatie zijn, maar dat deze beslissingen als een «geheel» hun publieke karakter verliezen. Wat de precieze implicatie daarvan is, of vanaf hoeveel beslissingen er sprake is van een geheel, is onduidelijk. De strafrechtelijke beperkingen die de wet aan het gebruik van een geheel van gegevens uit het centraal register oplegt (zie hoofdstuk 5), vullen deze onduidelijkheid slechts voor een deel in.

27. Volgens de wet heeft het externe luik van het centraal register de bedoeling om de openbaarheid van de rechtspraak mogelijk te maken. In realiteit zal de burger dit externe luik evenwel niet raadplegen om, beslissing per beslissing, controle uit te oefenen op de rechterlijke macht. Hij zal daarentegen wel deze databank gebruiken om een antwoord te vinden op een concrete juridische vraag om zo zijn rechtspositie te kunnen bepalen. Het was beter geweest mocht deze finaliteit - toegang tot het recht - als een tweede doelstelling van het externe luik in de wet opgenomen zijn.60 Dat dit niet het geval is, heeft mogelijk belangrijke implicaties op het vlak van de persoonsgegevensbescherming. Persoonsgegevens, waaronder gepseudonimiseerde vonnissen vallen, mogen slechts zolang bewaard worden als noodzakelijk is voor het verwerkingsdoel (art. 5.1, e) AVG). Als het verwerkingsdoel voor het publieke luik louter de openbaarheid van de rechterlijke beslissingen is, rijst de vraag wanneer die openbaarheid bereikt is en de gepseudonimiseerde beslissing dus uit het publieke luik moet verdwijnen. Is dat pas na enkele maanden, na vele jaren, of reeds na 24 uur zoals de Codt schrijft?61 Het spreekt voor zich dat een publieke rechtspraakdatabank waaruit alle beslissingen na verloop van tijd opnieuw verdwijnen, los van de vraag naar hun geschiloverstijgende relevantie voor de rechtspraktijk, de toegang tot het recht allesbehalve verhoogt. Integendeel: belanghebbenden zoals advocatenkantoren en uitgeverijen zullen nieuw verschenen beslissingen snel downloaden (legaal of niet, zie hoofdstuk 5), maar de rechtzoekende blijft in de kou staan.

28. In het geval dat alle gepseudonimiseerde beslissingen toch in de rechtspraakdatabank beschikbaar blijven voor consultatie, dienen maatregelen genomen te worden om een effectieve toegang tot het recht te verzekeren. Een performante en gebruiksvriendelijke zoekmotor is hierbij een conditio sine qua non.62 Bij een algemene publicatie van rechtspraak, wat neerkomt op ongeveer 1,3 miljoen beslissingen per jaar,63 is het risico op informatiestress (beter gekend als information overload) al te reëel: de gezochte informatie gaat simpelweg verloren in de massa beschikbare informatie. Bijkomend bestaat ook het risico op foutieve informatie: de gebruiker kan stoten op oude rechtspraak die niet langer aanvaard wordt of op minoritaire rechtspraak die hem op het verkeerde been zet. In een dergelijke massa rechtspraak zullen juridische zoekopdrachten in elk geval veel ruis opleveren,64 wat de kosten voor het vinden van relevante rechtspraak zal verhogen.

29. Gerichte maatregelen kunnen het probleem van information overload minder nijpend maken,65 maar doen het niet teniet. Performante en intuïtieve zoekmotoren en uitvoerige metadatering66 kunnen het centraal register functioneel en gebruiksvriendelijk maken, maar de jurist of rechtzoekende zal het zoekwerk in de vingers moeten krijgen. De gebruiker kan de weg worden gewezen door gebruik van importantie-indicatoren voor domeinrelevantie,67 waarop zoekresultaten gefilterd kunnen worden. Ook moet zoveel als mogelijk gebruik worden gemaakt van linked data: zo moeten verschillende beslissingen in eenzelfde rechtsgang duidelijk met elkaar worden gelinkt om zichtbaar te maken of er al dan niet (met succes) een rechtsmiddel werd aangewend.68 Ook verwijzingen naar wetgeving en rechtspraak moeten in kaart worden gebracht, om zo soortgelijke beslissingen te kunnen identificeren. Alleen met deze en andere hulpmiddelen zal de publieke rechtspraakdatabank daadwerkelijk toegankelijk zijn voor de magistraat, de burger en de praktijkjurist.69 Als deze de databank niet voldoende functioneel maken, zal het centraal register eerder een vloek dan een zegen zijn voor de praktijk van het recht.

De openbare aanbesteding die werd uitgeschreven voor het opzetten en beheren van het centraal register, lijst een aantal vereisten op met het oog op een performante zoekmotor, o.a. automatische kernwoordextractie, het automatisch aanduiden van de belangrijkste passages in een vonnis of arrest en een indexeringsmechanisme.70 Deze tagging en indexering zijn nuttige instrumenten om tot een gebruiksvriendelijke zoekmotor te komen. Het lijkt er dus op dat de overheid beseft dat zonder een goede zoekmotor en begeleidende maatregelen, deze rechtspraakdatabank een lege doos zal zijn.

5. Publieke data, maar geen vrij gebruik

30. De wet op het centraal register verzamelt een massale hoeveelheid gegevens die voordien verspreid en disparaat opgeslagen waren bij de verschillende hoven en rechtbanken van het land. Bovendien maakt de wet een aanzienlijk deel van die gegevens (zij het individueel beschouwd) publiek. Op die manier wordt een schat aan informatie bijeengebracht, die via data mining-technieken71 veel inzicht kan bieden in de rechtspraktijk en daarom ook financieel erg interessant is. De wet kiest ervoor om beperkingen op te leggen aan het gebruik dat van deze gegevens mag worden gemaakt. In de eerste plaats verbiedt de wet het massief downloaden en verwerken van de gegevens van het centraal register. In de tweede plaats wordt het verboden om (het gedrag van) juridische actoren te analyseren. Deze beperkingen zijn zowel van toepassing op de niet-gepseudonimiseerde als op de gepseudonimiseerde beslissingen.

5.1 Verbod op scraping en verwerking

31. De wet verbiedt het massief downloaden en de verwerking van een geheel van in het centraal register opgenomen gegevens (art. 782, § 8, tweede lid Ger.W.). Het verbod is niet van toepassing op hen die krachtens de wet, en onder de voorwaarden daarin bepaald, toestemming hebben tot verwerking van de gegevens van het centraal register (zie hoofdstuk 4.1). Dit verbod kwam er op verzoek van de gegevensbeschermingsautoriteit.72 Overtreders worden bestraft met een geldboete van 250 tot 15.000 euro.73 De wetgever heeft evenwel weinig vertrouwen in het afschrikwekkend effect van deze strafbaarstelling: de Memorie van toelichting maakt duidelijk dat er geavanceerde middelen zullen worden ingezet om massaal downloaden of scraping zoveel als mogelijk ook technisch te verhinderen.74 Scraping is het in bulk downloaden of op andere wijze kopiëren van gegevens van een website. Via scraping kan de inhoud van het centraal register, althans de delen waartoe de gebruiker toegang heeft, relatief snel worden gekopieerd op een eigen gegevensdrager of naar een onlineopslagcapaciteit.

32. De precieze grenzen van dit nieuwe misdrijf zijn niet duidelijk bepaald. Ten eerste is onduidelijk wat de wetgever precies bedoelt met een «geheel van in het Centraal Register opgenomen gegevens». Vanaf hoeveel gedownloade of verwerkte beslissingen valt de bijl van de strafbaarstelling? Ten tweede is de strafbare gedraging ook onduidelijk. Waar het begrip «downloaden» in zijn gewoonlijke betekenis kan begrepen worden, is de precieze omschrijving van het begrip «verwerking» minder eenduidig. De definitie vervat in artikel 3, 2) van de Europese verordening 2018/1807 van 14 november 2018 inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie biedt verduidelijking. Daar wordt het begrip verwerking omschreven als «een bewerking of een geheel van bewerkingen die al dan niet op geautomatiseerde wijze met betrekking tot gegevens of een geheel van gegevens in elektronische vorm zijn uitgevoerd, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaken door middel van doorzending, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen, op een lijn brengen of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens». Verwerken is dus een zeer ruim begrip waar de loutere raadpleging onder zou kunnen vallen. Waar de verwerking van een individueel vonnis of arrest toegelaten is, is de verwerking van een geheel van vonnissen of arresten daarentegen strafbaar, waarbij onduidelijk is vanaf welk aantal er sprake is van een geheel en wat precies onder het begrip verwerking valt. Het valt af te wachten of deze strafbepaling de toets van het legaliteitsbeginsel zal doorstaan.75

33. Naast haar precieze afbakening roept deze strafbepaling ook andere vragen op. Dit verbod richt zich wellicht in de eerste plaats tot de juridische uitgeverijen76 en legal techs die van het nieuwe centraal register zouden willen gebruikmaken om grote databanken met rechtspraak aan te leggen, om die vervolgens te analyseren en commercieel uit te baten. Vanuit die optiek is dit verbod begrijpelijk, omdat de minister van Justitie de bedoeling heeft om de ontwikkeling van bv. AI-toepassingen door de private markt pas in een later stadium toe te staan (zie hoger).77 De omschrijving van de verboden gedraging is evenwel zo ruim dat zij zich ook kan uitstrekken tot de advocaat of magistraat die een (groot?) aantal (al dan niet gepseudonimiseerde) vonnissen raadpleegt, deze bewaart op zijn lokale pc en de relevante overwegingen van deze beslissingen markeert en kopieert naar een ander document om zijn persoonlijke documentatie aan te vullen. Dit kan toch geenszins de bedoeling zijn?

Bovendien rijst de vraag of de uitgeverijen en legal techs deze strafbepaling niet eenvoudigweg kunnen omzeilen. Het volstaat om het centraal register beslissing per beslissing (indien scraping technisch bemoeilijkt wordt) vanuit een derde land dat niet aan de AVG onderworpen is, te downloaden om er een volledige kopie van te kunnen maken. Wie zal de link leggen met een Belgische of Europese opdrachtgever? Via VPN-verbindingen hoeft men niet eens zich tot een buitenlandse medeplichtige te wenden. De aldus verkregen data kunnen verwerkt worden, en zolang dit op een heimelijke manier gebeurt, hoeft de overtreder weinig te vrezen. Indien en wanneer het strafrechtelijk verbod zou worden opgeheven, liggen de erop gebaseerde toepassingen klaar om de markt te veroveren. Het lijkt er dus op dat deze strafbaarstelling afschrikwekkend bedoeld is, zonder evenwel tanden te hebben.

34. Het contrast met Nederland kan moeilijk groter zijn. Onze noorderburen kennen geen algemene, maar een selectieve publicatie van rechtspraak, die evenwel in omvang een stuk verdergaat dan de huidige situatie in België. Zo publiceerde de Nederlandse rechtspraak in 2021 7,8% van de relevant78 geachte uitspraken van de rechtbanken, of in totaal 45.100 vonnissen, en 26,7% van de relevant geachte uitspraken van de gerechtshoven, of in totaal 10.100 arresten.79 De Nederlandse rechtspraak heeft evenwel de intentie om binnen tien jaar tot de publicatie van minstens 75% van haar beslissingen te komen.80 Nederlandse rechterlijke beslissingen worden gepubliceerd op de website Rechtspraak.nl. De Raad voor de Rechtspraak hanteert de principes van open data, wat betekent dat iedereen deze data mag consulteren, gebruiken en delen. Rechtspraak.nl maakte het tot voor kort bovendien mogelijk om alle beslissingen die deze databank bevat, in een enkel zip-bestand te downloaden.81 In Nederland dus geen technische hinderpalen voor scraping, laat staan een strafrechtelijk verbod. Integendeel, het downloaden en benutten van deze gegevens wordt er net gefaciliteerd.82

Ook in Frankrijk is de verwerking van gegevens uit rechterlijke beslissingen toegestaan. De algemene publicatie van rechtspraak werd voorgeschreven door de loi pour une République numérique.83 Bij onze zuiderburen is een project lopende met als titel «open data des décisions judiciaires». Onder leiding van de Cour de cassation heeft het project als doel om alle rechterlijke beslissingen online te publiceren volgens een gefaseerde uitrol.84 Deze verwerking van de aldus gepubliceerde beslissingen kent slechts twee beperkingen. Ten eerste mag de verwerking niet tot doel hebben om de in de beslissing betrokken personen te identificeren.85 Ten tweede is het verboden om de werking van magistraten en griffiers te analyseren (zie verder). Voor het overige is de verwerking van de beslissingen vrij.

35. Deze strafbepaling uit de wet op het centraal register gaat ook in tegen de Europese aanbevelingen ter zake. Een best practices-gids van de Raad van Ministers omtrent de publicatie van rechtspraak op het internet beveelt aan om gepubliceerde beslissingen zo veel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik in machineleesbare formaten en om in adequate downloadmogelijkheden te voorzien voor hergebruikers.86 Ook de Europese Opendatarichtlijn lijkt - afhankelijk van de interpretatie die eraan gegeven wordt - zich te verzetten tegen deze strafbepaling.87 Deze richtlijn, die het hergebruik van overheidsdata voor commerciële en niet-commerciële doeleinden tot de norm verheft, lijkt op grond van overwegingen 8 en 43 van toepassing te zijn op de beslissingen van de rechterlijke macht. Het hergebruik van de gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen kan wel onderworpen worden aan voorwaarden.88 Documenten die persoonsgegevens bevatten waarvan het hergebruik strijdig zou zijn met de AVG of waarvan het hergebruik wettelijk is aangemerkt als een ondermijning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, worden echter uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn.89 Het is aannemelijk dat het hergebruik van vonnissen en arresten, zelfs gepseudonimiseerd, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan ondermijnen gelet op het risico op re-identificatie.90 In dat geval is de richtlijn niet van toepassing op rechterlijke beslissingen.

5.2 Verbod op analyse van juridische actoren

36. In de via het centraal register openbaar gemaakte beslissingen worden de namen van juridische actoren niet gepseudonimiseerd, tenzij in welbepaalde gevallen (zie hoger). Dat is principieel de juiste keuze.91 Rechtspraak van anonieme rechters is moeilijk te verzoenen met het principe van openbaarheid van rechtspraak en ondermijnt het maatschappelijke vertrouwen in de rechtsbedeling. De massale publicatie van vonnissen en arresten maakt het evenwel mogelijk om met gebruik van AI juridische actoren het voorwerp te maken van diepgravende analyses.92 Zo kunnen de schrijfstijl, de verwijzingspraktijk, de expertise, maar ook de beslissingspatronen van individuele rechters in kaart worden gebracht,93 of de mate waarin hun beslissingen in hoger beroep hervormd of gecasseerd worden. Het valt moeilijk te ontkennen dat dergelijke analyse forum shopping of het ontwerpen van conclusies op maat van een bepaalde rechter in de hand kan werken. Profilering kan echter ook inzicht verschaffen in de eigen beslissingspraktijk en aanzetten tot reflectie.

37. De wet op het centraal register verbiedt het hergebruik van de identiteitsgegevens van magistraten, leden van de griffie en advocaten om hun werkelijke of veronderstelde professionele praktijken te evalueren, analyseren of vergelijken. Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een geldboete van 100 tot 20.000 euro.94 Het gebruik van AI-technieken om dieper te graven in de vonnissen en arresten om zo te weten te komen in welke zin een bepaalde rechter dikwijls oordeelt, wordt op die manier verboden. De vraag rijst in welke mate deze strafbaarstelling nodig was: het uitvoeren van dergelijke analyses vereist het massief downloaden of minstens de verwerking van een groot aantal beslissingen uit het centraal register, wat de wet reeds verbiedt.

Het verbod viseert evenwel enkel het gebruik van de identiteitsgegevens. Het lijkt dus wel toegestaan om een dergelijke analyse uit te voeren met behulp van andere gegevens van de beslissingen die onrechtstreeks toelaten om rechterlijke beslissingen aan één of meer magistraten toe te wijzen, bv. door de analyse uit te voeren op de rechtspraak van een vredegerecht van een specifiek kanton, een welbepaalde politierechtbank of een kamer binnen een rechtbank of hof. Deze strafbepaling kent overigens geen uitzonderingen: het is dus de FOD Justitie of de rechterlijke macht zelf ook niet toegelaten om rechters te analyseren op grond van hun beslissingen bv. in het kader van een werklastmeting.

38. De Belgische wetgever haalde de mosterd in Frankrijk, waar een soortgelijk verbod bestaat waarvan de overtreding bestraft wordt met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar.95 Aan deze strafbepaling ging in juridische middens een lange discussie vooraf wat betreft de pseudonimisering van de namen van magistraten in gepubliceerde beslissingen.96 De aanleiding hiervoor was een artikel uit 2016 waarbij de beslissingen van administratieve rechtscolleges inzake het beroep tegen een bevel om het Franse grondgebied te verlaten, werden vergeleken van rechtbank tot rechtbank en belangrijke verschillen werden vastgesteld tussen de verschillende rechtscolleges.97 De publicatie van deze (ongenuanceerde) vaststellingen leidde toen tot heel wat consternatie bij onze zuiderburen.

6. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

39. De wet bepaalt een strakke timing voor de totstandkoming van het centraal register (art. 22). In een eerste fase, die ten laatste op 30 september 2023 een aanvang neemt, moet het centraal register zijn functie van authentieke bron vervullen voor wat betreft de integrale, niet-gepseudonimiseerde uitspraken.98 In een tweede fase, ten laatste op 31 december 2023, moet ook het publieke luik met gepseudonimiseerde beslissingen rond zijn. Er is aldus een termijn van drie maanden tussen de inwerkingtreding van het interne en het externe luik van het centraal register. Wat betreft de schriftelijke uitspraak van vonnissen in burgerlijke zaken en de mondelinge uitspraak van het beschikkende gedeelte in strafzaken, lijkt het aannemelijk dat in afwachting van de inwerkingtreding van het publiek toegankelijke deel van het centraal register de rechter de beslissing ofwel integraal voorleest, dan wel - wat in de praktijk waarschijnlijker is - het vonnis ter beschikking stelt van het publiek tot aan het einde van de zitting (art. 782bis, derde lid Ger.W.).

De wet voorziet in een krappe timing om het centraal register in zijn twee facetten uit te bouwen, uitvoerig te testen en over het hele land uit te rollen. De wetgever geeft blijk van veel ambitie, die ook bij de minister van Justitie terug te vinden was: in de pers verkondigde de minister dat een onlinedatabank met alle vonnissen en arresten in 2023 het levenslicht zou zien.99 In de Kamercommissie Justitie bevestigde de minister op 17 mei 2023 dat de inwerkingtreding volgens het vooropgestelde schema zal gebeuren.100 Dat is ook noodzakelijk wil België de ertoe voorziene aanzienlijke fondsen uit het EU-herstelplan niet mislopen: het Belgische nationale herstelplan voorzag immers het vierde kwartaal van 2023 als deadline om in totaal 75% van de rechterlijke beslissingen publiek te maken via het centraal register.101 Het is de bedoeling dat tegen 1 januari 2024 de publicatie van de rechterlijke beslissingen via het publieke luik op punt staat, waarbij de gepseudonimiseerde beslissingen eenvoudigweg in pdf-formaat worden gepubliceerd. Dit betekent dat de vereiste KB’s om het reglementaire kader van het centraal register te vervolledigen, ook tegen die deadline klaar dienen te zijn. De verdere uitbouw van het centraal register, met onder andere een performante zoekmotor en publicatie van beslissingen in legal xml-formaat, staat pas voor later gepland: de aanbesteding om dit alles uit te bouwen, gepubliceerd in februari 2022, verduidelijkt dat het eindproduct opgeleverd moet zijn binnen een termijn van 48 maanden, maximaal verlengbaar met drie termijnen van telkens 12 maanden. Op een voor de praktijk bruikbare rechtspraakdatabank is het dus wellicht nog wat langer wachten.

40. Artikel 20 van de wet voorziet in een overgangsmaatregel voor de periode tussen de inwerkingtreding van de wet en de datum waarop het beheerscomité operationeel wordt. Voordien kan het beheerscomité immers geen machtigingen verstrekken. De wet bepaalt daarom dat in die overgangsperiode aan derden niet de toegang tot vonnissen kan worden geweigerd krachtens een bepaling van de wet, wanneer zij toegang vragen om historische, wetenschappelijke of journalistieke doeleinden of om de rechterlijke macht te ondersteunen. In die overgangsperiode dienen deze derden als een goede huisvader te waken over de persoons- en privégegevens vervat in de vonnissen.

7. Conclusie

41. De wet op het centraal register bevat een duidelijk wettelijk kader en biedt een antwoord op de verschillende vragen die rijzen bij de ontwikkeling van een rechtspraakdatabank. De doelstellingen van het centraal register, de toegang ertoe, het beheer van de databank en de pseudonimisering van de gepubliceerde beslissingen kennen een wettelijk kader, dat echter op verschillende vlakken nog verdere invulling door de Koning behoeft.102 In die zin zal deze wet en haar uitvoeringsbesluiten het regelgevend kader bieden waar het de wet van 5 mei 2019 aan ontbrak.

Toch zijn er enkele vraagtekens te plaatsen bij de keuzes die de wetgever maakte. De wet beperkt zonder duidelijke reden de doelstelling van het externe luik tot de maatschappelijke controle op de rechterlijke macht, terwijl het voornaamste gebruik ervan wellicht de toegang tot het recht zal zijn. Deze officieuze finaliteit kan enkel bereikt worden indien de gebruiker een voldoende performante en gebruiksvriendelijke zoekmotor tot zijn beschikking krijgt. De wet maakt het de private markt immers onmogelijk om zelf analysetools te ontwikkelen om het bos door de bomen te kunnen zien. De rechtzoekende zal zich moeten behelpen met wat Justitie hem ter beschikking stelt. Dit creëert weliswaar een gelijk speelveld tussen partijen onderling, maar legt een grote verantwoordelijkheid bij de overheid. De openbare aanbesteding lijkt aan te geven dat de overheid dit beseft.

42. Het valt af te wachten of het strafrechtelijk verbod dat het overheidsmonopolie beschermt, de toets van het legaliteitsbeginsel zal doorstaan. Dit verbod op scraping en verwerking van «een geheel» van gegevens uit het centraal register roept ook meer fundamentele vragen op. Het is strijdig met de geest van de wet en meer algemeen met de tijdsgeest. Enerzijds worden gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen massaal vrij toegankelijk gemaakt voor de rechtzoekende in de geest van openbaarheid en transparantie van rechtspraak, anderzijds worden de mogelijkheden die technologie en digitalisering bieden om inzicht te verwerven in deze informatie, in de ban geslagen. Controle op de rechtspraak mag, maar dient dus te gebeuren met kaars en bril. Data worden op het internet gepubliceerd, maar wat de burger met deze data mag doen, wordt strafrechtelijk beperkt. Dit is moeilijk verzoenbaar met de principes van open data die ook door publieke overheden meer en meer worden omarmd.103

Deze strafbepaling kadert in de voorzichtige aanpak die genoodzaakt werd doordat de beslissing van de wetgever voor een algemene rechtspraakpublicatie niet voorafgegaan werd door een grondige bezinning omtrent de noodzakelijkheid en wenselijkheid daarvan, en de aanzienlijke gevaren op het vlak van privacy en AI-toepassingen.104 Tijd voor reflectie werd gekocht door de ontwikkeling van AI-toepassingen op rechtspraak enkel mogelijk te maken voor de rechterlijke orde en door het massaal downloaden en verwerken (symbolisch) strafbaar te stellen. In Nederland en Frankrijk gaat reflectie de uitrol van een ruimere rechtspraakpublicatie vooraf. In België zullen de rechterlijke beslissingen eerst massaal worden gepubliceerd om dan pas na te denken over de mogelijke juridische en maatschappelijke gevolgen en gevaren. De tijd zal uitwijzen of de voluntaristische weg die de wetgever nam, de juiste was. Het Grondwettelijk Hof zal zich in de nabije toekomst in ieder geval moeten buigen over verschillende keuzes die de wetgever maakte, aangezien vier vernietigingsberoepen tegen verschillende bepalingen van de wet werden ingesteld door de OVB, de OBFG, de Duitstalige gemeenschap105 en een aantal magistraten.

43. Op de keper beschouwd zet deze wet een belangrijke stap voorwaarts in het digitaal beheer van de rechterlijke beslissingen en in de publicatie ervan. Dit laatste aspect maakt een einde aan de huidige praktijk waarbij hoogstens het beschikkende gedeelte wordt uitgesproken en de burger aldus geen enkele controle op de rechterlijke macht kan uitoefenen. Dat is een goede zaak. De toegang tot het recht kan er alleen wel bij varen, als die toegang tenminste efficiënt wordt georganiseerd.

De wet van 5 mei 2019 die de algemene publicatie van rechtspraak in het vooruitzicht stelde, zij het met een zeer korte deadline, zal na veelvuldig uitstel uiteindelijk nooit in werking treden. Zo komt een einde aan een wet die, met veel goede wil maar met weinig zin voor realiteit, de zaken in beweging zette en zo de aanzet gaf tot de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het centraal register. Binnen afzienbare tijd zal die wet een nieuw tijdperk van omgang met (gepubliceerde) rechtspraak inluiden. In de tussentijd is het cruciaal dat er een diepgravend maatschappelijk debat plaatsvindt over de mogelijkheden die het gebruik van AI in de rechtspraak biedt ten bate van iedereen die recht zoekt. Wat wenselijk is, moet worden omarmd, wat onwenselijk is, moet worden geweerd. Laten we in ieder geval hopen dat de nieuwe wet niet eindigt zoals de vorige. Daarvoor is die eenvoudigweg te belangrijk.

1  Beide auteurs zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Dikè (digitalisation and access to justice), https://dike.research.vub.be/. De auteurs danken raadsheren Michel Oosterlinck en Jos Decoker voor hun nuttige opmerkingen op de tekst.

2  K. Geens, Court of the future, 25 oktober 2017, www.koengeens.be/policy/court-of-the-future.

3  Wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, BS 19 juni 2019.

4  De inwerkingtreding van deze wet was initieel voorzien voor 1 september 2020. Deze datum werd door de wet van 31 juli 2020 houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie (BS 7 augustus 2020) uitgesteld naar 1 september 2021, en vervolgens opnieuw verschoven naar 1 september 2022 door de wet van 12 juli 2021 houdende dringende bepalingen inzake justitie (BS 20 juli 2021). De wet van 30 juli 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II (BS 8 augustus 2022) stelde de inwerkingtreding een laatste maal uit tot 30 september 2023. Een dag eerder zal echter de bepaling van de wet op het centraal register in werking treden die de relevante bepaling van de wet van 5 mei 2019 opheft. Zie over de wet van 5 mei 2019 de overzichtsbijdrage van S. Van Veen, «Openbare databank voor Belgische rechtspraak», NJW 2022, 342.

5  De wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen, BS 24 oktober 2022.

6  Zie https://ted.europa.eu/udl?uri=TED:NOTICE:076310-2022:TEXT:FR:HTML.

7  Inmiddels ook over de gestage uitrol van een digitaal dossier R. Boone, «JustView brengt justitie weer stap dichter bij digitaal dossier», Juristenkrant 2022, afl. 460, 6.

8  Recent was er de nodige aandacht voor Chat Generative Pre-trained Transformer (afgekort ChatGPT), een chatbot die met behulp van artificiële intelligentie (AI) getraind wordt en antwoorden genereert door grootschalig gebruik van via het internet toegankelijke bronnen (situerend met vele verwijzingen o.m. J. Struiksma, «ChatGPT en het wetenschappelijk onderwijs», https://www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7014635558744244224/, 30 december 2022, die het als een «stugge gesprekspartner» omschrijft en wijst op het caveat van toegankelijke data, wat bv. haaks staat op literatuur achter paywalls (betaalmuren); E. Hulstaert, «Artificiële intelligentie. De intelligentiewedloop tussen mens en machine: ChatGPT en de evolutie van chatbots», Knack 2023, nr. 5, 66)).

9  Zie art. 782, § 8, eerste lid, 6° Ger.W. De wet definieert niet wat precies onder een publieke overheid moet worden begrepen, noch biedt de parlementaire voorbereiding enige houvast.

10  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 27. Die evaluatieclausules verplichten nationale overheden om bepaalde informatie omtrent de toepassing van de verordening in de praktijk over te maken aan de Europese Commissie opdat die o.a. de doeltreffendheid en efficiëntie van Europese wetgeving zou kunnen analyseren.

11  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 14-15.

12  P. Callens, «Databank vonnissen en arresten: liever vandaag dan morgen, maar dan wel zonder misprijzen voor de balie», https://www.advocaat.be/nl/nieuws/databank-vonnissen-en-arresten-liever-vandaag-dan-morgen-maar-dan-wel-zonder-misprijzen-voor-de-balie, 1 juli 2022.

13  Verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (Datagovernanceverordening). Deze verordening is evenwel niet van toepassing in casu aangezien de rechterlijke macht geen openbaar lichaam is, zoals gedefinieerd in artikel 2 van de verordening, waartoe deze verordening zich uitstrekt.

14  Amendementen (V. Matz en N. Boukili) op het wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/2; amendement (M. Dillen) op het wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/6.

15  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, verslag van de tweede lezing, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/7, 7. Deze multidisciplinaire werkgroep werd intussen opgericht, onder het voorzitterschap van raadsheer Geneviève Vanderstichele.

16  De Memorie van toelichting lijkt aan te geven dat het hier om raadsheren van het Hof van Cassatie dient te gaan, en niet om leden van het parket bij het Hof. Zij stelt althans dat «in deze context ook niet wordt ingegaan op de suggestie van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State om in het beheerscomité een vertegenwoordiger van het OVB, OBFG en het parket bij het Hof van Cassatie op te nemen». (Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 19). Wellicht gaat het hier om een vergissing, aangezien het advies van de Raad van State het heeft over de balie bij het Hof van Cassatie en niet over het parket.

17  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 18-19.

18  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 85.

19  Amendement (V. MATZ) op het wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/2.

20  Het voorontwerp van wet houdende organisatie van zittingen per videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures stelt de oprichting van een «beheerscomité voor het videoconferentiesysteem» in het vooruitzicht, waarvan de samenstelling identiek is aan deze van het beheerscomité voor het centraal register. Wellicht is het de bedoeling om beide beheerscomités te laten samensmelten.

21  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 13.

22  Zie het opiniestuk van Pierre Thiriar, die vooral het feit dat het centraal register als authentieke bron van rechterlijke beslissingen zal gelden, onverenigbaar vindt met deze plaatsing van het beheerscomité binnen de FOD Justitie. P. Thiriar, «Databank van vonnissen en arresten - de olifant heeft een doodgeboren muis gebaard», Juristenkrant 2022, afl. 456, 11.

23  Dit maakt het mogelijk om ook de historische vonnissen, nl. zij die dateren van voor de inwerkingtreding van het centraal register, erin op te nemen. De openbare aanbesteding die reeds werd uitgeschreven om het centraal register uit te bouwen, stelt zulks ook in het vooruitzicht.

24  Zie artikel 1 van de Archiefwet van 24 juni 1955 (BS 12 augustus 1955), zie ook Omz. nr. 258 van 1 augustus 2017 betreffende de selectielijst voor de archieven van de rechterlijke macht.

25  Een dergelijke bewaartermijn is op grond van artikel 89, eerste lid AVG slechts toegelaten voor verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang en mits passende waarborgen die de inachtneming van het beginsel van minimale gegevensverwerking waarborgen. Pseudonimisering is volgens diezelfde bepaling een passende waarborg.

26  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 10.

27  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 13.

28  J. Du Jardin, «Rechtspraak in tuchtzaken door de beroepsorden: toetsing van de wettigheid door het Hof van Cassatie», RW 2000-01, (785) 793.

29  H. Van Houtte, K. Cox en S. Cools, «Overzicht van rechtspraak: arbitrage (1972-2006)», TBH 2007, (111) 145, nr. 118.

30  Herziening van artikel 149 van de Grondwet wat de openbaarheid van de vonnissen en arresten betreft, BS 2 mei 2019. Zie voor een bespreking van deze grondwetswijziging en wat eraan vooraf ging: C. Behrendt en A. Jousten, «La révision de l’article 149 de la Constitution: la publicité des décisions judiciaires à l’ère du numérique», JT 2020, 2-8. Deze grondwetswijziging moest een einde maken aan de anachronistische verplichting om elke rechterlijke beslissing integraal uit te spreken, een verplichting die evenwel in de praktijk zelden gevolgd werd en reeds gemilderd was door een cassatiearrest uit 2011 (Cass. 29 november 2011, AR nr. P.10.1766.N, Arr.Cass. 2011, 2444, concl. M. Timperman: de verplichting om het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, strekt ertoe een voor het publiek toegankelijk toezicht op rechterlijke beslissingen mogelijk te maken. Die doelstelling vereist in de regel de voorlezing op de openbare terechtzitting van zowel de motieven als het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing. Zij kan echter ook worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing met in elk geval het beschikkend gedeelte, samen met het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de rechterlijke beslissing door verspreiding via andere publicatievormen zoals het internet. Voor het Grondwettelijk Hof bestond dergelijke verplichting niet: publicatie van zijn rechtspraak op de website werd gelijkgesteld met openbare uitspraak (zie art. 110 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zoals aangepast door de bijzondere wet van 4 april 2014).

31  In deze wijze van uitspraak was reeds voorzien door de wet van 5 mei 2019, die evenwel nooit in werking is getreden en dat ook niet meer zal doen (zie voetnoot 3).

32  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 13.

33  De beslissing niet ter beschikking van het publiek stellen, en ook niet integraal voorlezen ter zitting, is strijdig met artikel 6 EVRM. Zie EHRM 17 januari 2008, nr. 14810/02, Buryukov/Rusland en EHRM 15 januari 2015, nr. 23045/05, Malmberg e.a./Rusland.

34  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 87.

35  EHRM 8 december 1983, nr. 7984/77, Pretto/Italië, §§ 25-26; EHRM 8 december 1983, nr. 8273/78, Axen/Duitsland, §§ 30-32; EHRM 22 februari 1984, nr. 8209/78, Sutter/Zwitserland, §§ 32-33.

36  EHRM 8 december 1983, nr. 7984/77, Pretto/Italië, § 27.

37  In zijn arrest in de zaak Nikolova plaatste het EHRM de publicatie via het internet op gelijke voet met een publieke uitspraak en de opname in een door het publiek raadpleegbaar register (EHRM 17 december 2013, nr. 20688/04, Nikolova & Vandova/Bulgarije, § 84; zie ook Guide on article 6 of the European Convention on Human Rights. Right to a fair trial (civil limb), Straatsburg, Council of Europe, 2022, 104, nr. 472).

38  Op heden worden niet alle arresten van het Hof van Cassatie gepubliceerd. Artikel 28 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken schrijft voor dat de arresten van het Hof van Cassatie vertaald worden. In de praktijk worden enkel de gepubliceerde arresten vertaald (dit is een derde tot de helft van de arresten). De wet op het centraal register houdt rekening met een mogelijke overbelasting bij de dienst vertalingen van het Hof en wijzigt artikel 28 van de taalwet in gerechtszaken: nu alle cassatiearresten gepubliceerd zullen worden, dient de vertaling enkel te geschieden van die arresten die het Hof, overeenkomstig de criteria die de Koning na advies van het Hof heeft bepaald, voldoende relevant acht voor de eenheid van de rechtspraak of de ontwikkeling van het recht.

39  Artikel 782, § 5, eerste lid, 4° Ger.W. verwijst naar de artikelen 782bis (vonnissen en arresten) en 1109 (Hof van Cassatie) Ger.W. en naar de artikelen 163 (politierechtbank), 176 (vonnissen hoger beroep politierechtbank), 190 (correctionele vonnissen), 209 (correctionele arresten) en 337 en 346 (hof van assisen) Sv.

40  Cass. 31 maart 2009, P.09.0352.N, www.juportal.be.

41  Zie artikel 6 Probatiewet en artikel 13, § 4 Interneringswet.

42  De wet neemt als uitgangspunt de pseudonimisering van de namen van partijen, en trekt daardoor voluit de kaart van de bescherming van de privacy. Zij volgt hierin de aanbeveling nr. 3/2021 van 8 februari 2012 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Er zijn evenwel ook auteurs die menen dat een dergelijke algemene pseudonimisering te ver gaat en er eerder casus per casus moet geoordeeld worden of pseudonimisering wenselijk dan wel noodzakelijk is. Zie J. De Wit, «Openbare databank van vonnissen en arresten: nood aan een echt debat», Juristenkrant 2021, afl. 422, 12; P. Thiriar, «Openbaarheid van rechtspraak - van real-timetransparantie naar meer informatietransparantie», Juristenkrant 2021, afl. 440, 10.

43  Zie overweging 26 van de AVG.

44  In Frankrijk liggen de zaken iets anders. Zie randnummer 20.

45  J. de Codt, «La parole du juge sous le boisseau de sa quantification numérique», JT 2021, (22) 23-24.

46  Een feedbackloop is een mechanisme waarbij de outputgegevens van een bepaald procedé geheel of gedeeltelijk worden gebruikt als toekomstige inputgegevens, waardoor het procedé zijn taak na verloop van tijd beter uitvoert.

47  De Raad van State benadrukte het belang van deze controle of dit toezicht van de rechterlijke macht, omdat de beslissingen inzake pseudonimisering de begrijpbaarheid en dus de betekenis van de rechterlijke beslissingen mogelijk in het gedrang brengen, wat de scheiding der machten raakt (Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 78).

48  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 73.

49  Zie de artikelen L111-13, tweede lid en R111-12 van de Code de l’organisation judiciaire.

50  Zie de anonimiseringsrichtlijnen die gelden bij de publicatie van rechtspraak in Nederland: https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken/Paginas/Anonimiseringsrichtlijnen.aspx.

51  Hieromtrent R. Van Ransbeeck, «Standaardisatie van vonnissen en arresten: opportuniteiten en valkuilen bij de digitalisering van justitie», Orde van de Dag 2014, (49) 54-56. Zie bv. J. de Codt, «La parole du juge sous le boisseau de sa quantification numérique», JT 2021, (22) 24.

52  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 77.

53  Zie randnr. 16.

54  De wet verwijst naar de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel van het Gerechtelijk Wetboek en de magistraten in opleiding, zoals opgenomen in de elektronische lijst bedoeld in artikel 315ter, § 1, eerste lid Ger.W. Dit omvat dus niet alleen de eigenlijke (al dan niet plaatsvervangende) magistraten en magistraten in opleiding, maar ook de kandidaat-magistraten, referendarissen, parketjuristen, criminologen, griffiers en personeelsleden van niveau A, parketsecretarissen, assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank, rechters in sociale zaken, rechters en assessoren in de tuchtrechtbanken.

55  P. Callens, «Databank vonnissen en arresten: liever vandaag dan morgen, maar dan wel zonder misprijzen voor de balie», https://www.advocaat.be/nl/nieuws/databank-vonnissen-en-arresten-liever-vandaag-dan-morgen-maar-dan-wel-zonder-misprijzen-voor-de-balie, 1 juli 2022.

56  Amendement (V. Matz) op het wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/2.

57  Zie voetnoot 53.

58  Als wetenschappers of historici analyses willen uitvoeren op een geheel van gepseudonimiseerde beslissingen, is een machtiging nodig van het beheerscomité. Dat geldt uiteraard des te meer indien zij analyses willen uitvoeren op niet-gepseudonimiseerde beslissingen. Zonder deze machtiging vallen zij onder de strafbaarstelling voorzien in artikel 782, § 8, tweede lid Ger.W. (zie hoofdstuk 5).

59  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 30-31.

60  Zie omtrent de twee doelstellingen van rechtspraakpublicatie M. van Opijnen, «Court Decisions on the Internet: Development of a Legal Framework in Europe», Journal of Law, Information & Science 2016, (26) 34.

61  J. de Codt, «La parole du juge sous le boisseau de sa quantification numérique», JT 2021, (22) 22.

62  Zie overweging 15 en 16 van de Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over beste praktijken voor de onlinepublicatie van rechterlijke beslissingen (2018/C 362/02), 8 oktober 2018, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A52018XG1008%2801%29.De doelstelling om de toegang tot het recht te verhogen is volgens gezaghebbende stemmen zelfs beter geholpen met een ruime maar gerichte publicatie van rechtspraak, eerder dan met een volledige publicatie. Zie M. van Opijnen, «Court Decisions on the Internet: Development of a Legal Framework in Europe», Journal of Law, Information & Science 2016, (26) 34 en de aanbeveling nr. R(95)11 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over «The Selection, Processing, Presentation, and Archiving of Court Decisions in Legal Information Retrieval Systems».

63  P. Taelman en M. Van Der Haegen, «Recht op recht! Publicatie van rechtspraak» in R. De Corte, M. De Vos, P. Humblet, F. Kéfer en E. Van Hoorde (eds.), De taal is gans het recht. Liber Amicorum Willy van Eeckhoutte, Mechelen, Kluwer, 2018, (257) 273 .

64  D. Kahneman, o. sibony en C.R. Sunstein, Noise. A flaw in human judgment, Londen, William Collins, 2022, 17.

65  Zie o.a. M. van Opijnen, «Alle uitspraken online? Hoe dan? Noodzakelijke ingrediënten voor een wettelijke regeling», Ars Aequi 2021, (127) 131-135.

66  Metadata zijn gegevens over een ander gegeven. Bij rechterlijke beslissingen zijn metadata dus o.a. informatie over het rechtscollege dat de beslissing wees, de datum van de beslissing, hoeveel partijen er in de zaak optraden, de rechtstak waarin de beslissing zich situeert, de wetsartikelen waarop de beslissing steunt, etc.

67  Het EHRM gebruikt importantie indicatoren om een onderscheid te maken tussen richtinggevende beslissingen en bulkuitspraken. Dit zijn, met een dalend niveau van belang voor de rechtspraak van het Hof: key cases, high importance, medium importance en low importance. Zie hieromtrent ook M. van Opijnen, Op en in het web. Hoe de toegankelijkheid van rechterlijke uitspraken kan worden verbeterd, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2014, 395-457.

68  Liefst maakt men daarvoor gebruik van de European Case Law Identifier (ECLI), waarvan de implementatie in België tot nog toe erg moeilijk verloopt. Zie https://e-justice.europa.eu/content_european_case_law_identifier_ecli-175-en.do.

69  De praktijkjurist zal wellicht, vaker dan nu het geval is, een beroep moeten doen op rechtsleer om de stand van de rechtspraak met betrekking tot een juridisch probleem te kennen (bv. de gekende overzichten van rechtspraak in het Tijdschrift voor Privaatrecht). In zoverre deze rechtsleer achter een paywall zit, kan de publicatie van alle rechtspraak de toegang tot het recht net ondermijnen en het verdienmodel van de juridische uitgeverijen versterken.

70  Zie https://ted.europa.eu/udl?uri=TED:NOTICE:76310-2022:TEXT:FR:HTML&tabId=1&tabLang=nl.

71  Data mining-technieken leggen patronen en correlaties bloot in grote hoeveelheden gegevens en bieden zo een inzicht dat via andere manieren niet of veel moeilijker te verwerven is.

72  Zie Aanbeveling nr. 98/2022 van 13 mei 2022, overweging 19 en 23.

73  De wet verwijst naar de staf die is bepaald in artikel 222 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018.

74  Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 21.

75  Zie o.m. Cass. 27 mei 2014, AR nr. P.13.1420.N, Arr.Cass. 2014, 1334: Het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn; in diezelfde zin GwH 20 oktober 2004, nr. 158/2004.

76  De minister van Justitie verklaarde het verbod uitdrukkelijk van toepassing op juridische uitgeverijen. Zie Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, verslag van de tweede lezing, Parl.St. 2021-22, nr. 2754/7, 13. Niets belet de uitgeverijen evenwel om hun huidige praktijk, waarbij via allerhande wegen rechterlijke beslissingen worden verkregen, voort te zetten.

77  Dit verbod contrasteert overigens met de mededeling in de regelgevingsimpactanalyse van het wetsontwerp dat legaltechs gebaat zouden kunnen zijn bij de publicatie in gepseudonimiseerde vorm van een aanzienlijk deel van de rechterlijke beslissingen en dat zij gebruik kunnen maken van de in het centraal register opgenomen publieke gegevens. Zie Wetsontwerp tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en arresten, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 2754/1, 64.

78  Als niet-relaevante beslissingen gelden onder andere zaken zonder uitspraak of uitspraken bij verstek.

79  Raad voor de Rechtspraak, Jaarverslag 2021, 63, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Jaarverslag-Rechtspraak-2021.pdf.

80  H. Naves, S. Sicking en L. van der Wees, «Meer én verantwoord publiceren van gerechtelijke uitspraken», NJB 2021, 3258-3263.

81  Zie https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken/Paginas/Open-Data.aspx. Sinds 10 januari 2023 werd deze mogelijkheid afgeschaft, dit omdat er slechts zelden van deze mogelijkheid gebruik werd gemaakt en omdat ze technisch minder wenselijk zou zijn. Het blijft evenwel mogelijk om alle beslissingen te verkrijgen.

82  De vraag rijst evenwel of deze politiek zal voortgezet worden wanneer veel meer rechterlijke beslissingen zullen worden gepubliceerd.

83  Wet nr. 2016-1321 van 7 oktober 2016 pour une République numérique, JORF nr. 235 van 8 oktober 2016. Zie omtrent de voorgeschiedenis van rechtspraakpublicatie in Frankrijk E. Serverin, «De l’informatique juridique aux services de justice prédictive, la longue route de l’accès du public aux décisions de justice dématérialisées» in R. Sève, La justice prédictive, Parijs, Dalloz, 2018, 23-47.

84  Op heden is de rechtspraak van de Cour de cassation en de beroepshoven reeds volledig gepubliceerd. Ten laatste in december 2025 zou dat voor alle rechterlijke beslissingen het geval moeten zijn. Zie voor een overzicht van het project, de verwezenlijkingen en het stappenplan voor de toekomst: www.courdecassation.fr/la-cour-de-cassation/demain/lopen-data-des-decisions-judiciaires.

85  Zie artikel 44 van de wet nr. 78-17 van 6 januari 1978 relative à l’informatique, aux fichiers et aux libertés.

86  Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over beste praktijken voor de onlinepublicatie van rechterlijke beslissingen (2018/C 362/02), 8 oktober 2018, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A52018XG1008%2801%29.

87  Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (herschikking), PbEU 2918, L 271.

88  Zie artikel 8 en overweging 44.

89  Artikel 1, 2, h).

90  Zie verder, voetnoot 103.

91  In 2012 adviseerde de Gegevensbeschermingsautoriteit evenwel om ook de namen van juridische actoren uit gepubliceerde rechtspraak weg te laten. Zie Aanbeveling nr. 3/2021 van 8 februari 2012, 4 en 8. Zie in dezelfde zin J. Mont, «RGPD: faut-il anonymiser la jurisprudence publiée?», JT 2019, (442) 446.

92  Zie bv. H. Surden, «Machine Learning and the Law», Washington Law Review 2014, vol. 89, 87-115; M. Van Der Haegen, «Quantitative Legal Prediction: the Future of Dispute Resolution?» in J. De Bruyne en C. Vanleenhove (eds.), Robots, A.I. and the Law in Belgium, Antwerpen, Intersentia, 2023, 83-110.

93  In de Verenigde Staten geeft LexMachina gebruikers de mogelijkheid om alle beschikbare beslissingen van een specifiek rechtscollege te analyseren om te weten hoe lang een zaak doorgaans behandeld wordt door een rechter, wat de grootte is van toegekende schadevergoedingen, etc. Zie https://lexmachina.com/legal-analytics/.

94  De wet verwijst naar artikel 227 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018.

95  In Frankrijk is een analyse op advocaten daarentegen wel toegestaan. Zie artikel L111-13, derde lid Code de l’organisation judiciaire, zoals ingevoerd door de wet nr. 2019-222 van 23 maart 2019 de programmation 2018-2022 et de réforme pour la justice , JORF nr. 0071 van 24 maart 2019.

96  Zie voor een discussie van argumenten voor en tegen de pseudonimisering van juridische actoren: L. Cadiet, L’Open Data des décisions de justice. Mission d’étude et de préfiguration sur l’ouverture au public des décisions de justice, 2017, https://www.justice.gouv.fr/publication/open_data_rapport.pdf, 43-52.

97  Zie https://www.village-justice.com/articles/impartialite-certains-juges-mise,21760.html.

98  Een dag eerder, op 29 september 2023, wordt de wet van 5 mei 2019 opgeheven.

99  M. Verbergt, «Databank met alle vonnissen en arresten in 2023», De Standaard 31 maart 2022, www.standaard.be/cnt/dmf20220330_97712372.

100  Commissie voor Justitie, Integraal Verslag woensdag 17 mei 2023, Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 1089, 13.

101  Nationaal plan voor herstel en veerkracht, https://dermine.belgium.be/sites/default/files/articles/NL%20-%20Nationaal%20plan%20voor%20herstel%20een%20veerkracht_1.pdf, 186.

102  Wat evenwel nog ontbreekt, zijn minimumnormen om ervoor te zorgen dat de enorme massa aan rechtspraak daadwerkelijk toegankelijk is voor de jurist en de rechtzoekende. Zie de vereisten besproken in M. van Opijnen, «Alle uitspraken online? Hoe dan? Noodzakelijke ingrediënten voor een wettelijke regeling», Ars Aequi 2021, 127-135.

103  Zie bv. het G8 Open Data Charter (https://opendatacharter.net/) en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (herschikking), PbEU 2918, L 271.

104  Zo bestaat er een reëel gevaar op re-identificatie van natuurlijke personen in gepseudonimiseerde beslissingen. In Zwitserland slaagden onderzoekers erin - met een succesratio van 84% - om de gepseudonimiseerde persoonsgegevens in rechterlijke beslissingen te re-identificeren. Ze deden dit door gebruik te maken van data linkage, waarbij informatie uit verschillende publieke databanken met elkaar gekoppeld wordt. Dat re-identificatie zo succesvol was, was deels te wijten aan het feit dat specifiek beslissingen inzake bedrijven in de farmaceutische sector werden onderzocht en er gepoogd werd deze bedrijven te re-identificeren. Het re-identificeren van natuurlijke personen is nog een stuk moeilijker, maar dit onderzoek illustreert alvast het risico. Zie K. Vokinger en U. Mühlematter, «Re-Identifikation von Gerichtsurteilen durch «Linkage» von Daten(banken)», Jusletter, 2 september 2019, https://jusletter.weblaw.ch. Zie hieromtrent ook G. Csányi, D. Nagy, R. Vági, J. Vadász en T. Orosz, «Challenges and Open Problems of Legal Document Anonymization», Symmetry 2021, 1490, https:// doi.org/10.3390/sym13081490. Zie omtrent re-identificatie in het algemeen L. Rocher, J. Hendrickx en Y.-A. de Montjoye, «Estimating the success of re-identifications in incomplete datasets using generative models», Nature Communications 2019, 3069, https://doi.org/10.1038/s41467-019-10933-3.

105  Wat betreft de wijzigingen aan de Taalwet in gerechtszaken, zie voetnoot 37.

Meldt u aan om verder te lezen

U krijgt zo toegang tot de belangrijkste rechtspraak en doctrine en blijft op de hoogte van ontwikkelingen op de verschillende juridische terreinen.

Aanmelden

Nog geen abonnee?

Abonneren

Favorieten raadplegen? Meld u aan.

U kunt artikels als favoriet markeren zodat u ze makkelijker kunt terugvinden.

Aanmelden

Nog geen abonnement? Abonneer u hier