Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht.
- Jaargang
- Pagina
-
Auteur(s)
S. Mosselmans
-
Trefwoorden
Tussenvordering
TUSSENVORDERINGEN IN HET GERECHTELIJK PRIVAATRECHT
In deze bijdrage wordt een poging gedaan om de ietwat onvolkomen definitie van de tussenvordering in art. 13 Ger.W. te verfijnen. Een centraal criterium om, binnen de soorten tussenvorderingen, de toepasselijke regelgeving te onderscheiden, is de creatie van een nieuwe procesverhouding. Benevens de eiser op hoofdvordering, die per definitie een nieuwe procesverhouding creëert, doen hetzelfde: (1) de eiser op tussenvordering die vordert tegen een in het geding zijnde partij (die aldus te zijnen opzichte verweerder wordt) met wie hij voordien niet in procesverhouding verkeerde en (2) de eiser op agressieve tussenkomst. Hij die een nieuwe procesverhouding creëert, dit is het initiatief neemt om als eiser te vorderen tegen een verweerder (terwijl voordien tussen deze partijen geen procesverhouding voorlag), moet het kader scheppen waarbinnen hij dit doet. Dit geldt ook voor de tussenvordering waarbij een nieuwe procesverhouding wordt gecreëerd. De uitbreiding of wijziging van de (tussen)vordering kan slechts binnen bepaalde perken (art. 807 Ger.W.). Voorts kan de creatie van een nieuwe procesverhouding niet voor het eerst in hoger beroep (812, tweede lid, Ger.W.).
I. RECHTSVORDERING VERSUS VORDERING IN RECHTE
1. Een materieelrechtelijke aanspraak heeft weinig zin wanneer hij niet in rechte, dit wil zeggen «formeelrechtelijk», kan worden afgedwongen. Vandaar de frequente vereenzelviging van de materieelrechtelijke aanspraak (het subjectieve recht) 1 en de formeelrechtelijke aanspraak (de rechtsvordering). 2
De «rechtsvordering» is de door de wet bepaalde mogelijkheid voor een rechtssubject om een materieelrechtelijke aanspraak ten aanzien van een ander rechtssubject door een rechter te laten beoordelen via een wettelijk bepaalde rechtspleging. 3 Die rechter wordt bij wet aangeduid, desnoods wordt hij vervangen door een bij overeenkomst aangeduide arbiter. 4 De rechtsvordering vormt het corrolarium van een subjectief recht; het is de formeelrechtelijke verwoording van een materieelrechtelijke aanspraak; de rechtsvordering zit wezenlijk in die aanspraak begrepen. Eigenlijk is het een privilege 5 van het rechtssubject om zijn materieelrechtelijke aanspraken daadwerkelijk te laten gelden. Dit privilege raakt de openbare orde, 6 wat maakt dat een algemeen en onbeperkt beding dat de rechtsvordering uitsluit, absluut nietig is: de toegang tot het gerecht kan niet zonder meer worden verhinderd of beperkt (vgl.: art. 1023 Ger.W.). De uitoefening (legitimering) van de rechtsvordering is doelgebonden 7 en onderstelt de vervulling van voorwaarden van objectieve aard (het inroepen van een subjectief recht) en van subjectieve aard 8 (rechtspersoonlijkheid, procesbekwaamheid, hoedanigheid en belang). Het gaat over het recht om te vorderen (het ius agendi), het recht om zich tot een rechter (arbiter) te wenden, het recht om een rechterlijke (arbitrale) uitspraak te verkrijgen.
De «vordering in rechte», hetzij als «eis» hetzij als «verweer», is dan de effectieve uitoefening van die rechtsvordering. 9 Het gaat om de actualisering van een rechtsvordering die in se niet meer is dan een virtuele vordering. Het instellen van een vordering is een (processuele) rechtshandeling. 10
Gaat een materieelrechtelijke aanspraak niet (bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid, procesbekwaamheid, hoedanigheid of belang, of omdat het een van nature niet-afdwingbare verbintenis betreft) 11 of niet langer (ingevolge verjaring 12 of omdat er reeds gezag van gewijsde 13 is) gepaard met een rechtsvordering, dan is een vordering in rechte niet (meer) toelaatbaar, niet (meer) ontvankelijk.
II. HOOFDVORDERING VERSUS TUSSENVORDERING
2. Binnen de vorderingen in rechte kunnen de inleidende vorderingen van de tussenvorderingen worden onderscheiden.
3. De inleidende vordering of «hoofdvordering» opent het rechtsgeding. Het betreft de vordering waarmee de eiser de gerechtelijke procedure initieert. Die vordering vormt de kiem van de procedure, met alle gevolgen vandien. De eiser schept een kader waarbinnen hij de procedure ziet. Hij stelt een juridisch gekleurd verhaal voorop. 14 Hij moet zo nauwkeurig mogelijk de oorzaak en het voorwerp van zijn vordering aangeven. 15 De oorzaak betreft de (rechts)feiten en\of (rechts)handelingen tot staving van het gevorderde; het voorwerp is datgene wat wordt gevraagd, wat de eiser in het beschikkende gedeelte van de rechterlijke beslissing wil zien staan. In zijn verdere verhouding met de oorspronkelijke verweerder is hij hieraan gebonden. Wil hij (het voorwerp van) zijn vordering uitbreiden of wijzigen, dan moet de uitgebreide of gewijzigde vordering kunnen terugvallen op een feit of op een handeling in de gedinginleidende akte aangevoerd (art. 807 Ger.W.). De grondslag ligt in de vrijwaring van het recht van verdediging van de oorspronkelijke verweerder. Aan de hand van de gedinginleidende akte krijgt de verweerder kennis van de feiten en\of handelingen die aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag liggen; de eiser mag hem verder niet verrassen door bij conclusie zijn vordering uit te breiden of te wijzigen op basis van nieuwe feiten en\of handelingen die geen verband houden met die welke in de inleidende akte voorkomen. 16
4. Het aldus geschapen kader stuurt de rechterlijke tussenkomst. 17 Daar het privaatrechtelijke proces een partijactiviteit betreft, moet de rechter zich houden aan het voorwerp en de oorzaak van het voor hem gevorderde. Hij moet met andere woorden de partijautonomie eerbiedigen, en aldus het befaamde beschikkingsbeginsel (dat voortspruit uit art. 1138, 2o Ger.W.). De rechter mag het voorwerp van de vordering wijzigen noch uitbreiden, evenmin mag hij de oorzaak bijpassen. 18 Het komt de rechter wel toe de juridische gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen te onderzoeken, en, ongeacht de benaming die de partijen daaraan hebben gegeven, ambtshalve de door hen aangevoerde redenen aan te vullen, zij het op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen (bij conclusie) het bestaan hebben uitgesloten, 19 dat hij enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt. 20 Het enkele feit dat de door de rechter aangevulde reden door geen van de partijen (bij conclusie) was aangevoerd, betekent op zichzelf niet dat de rechter, door de vorderingen met toepassing van die reden te beoordelen, een betwisting opwerpt waarvan de partijen (bij conclusie) het bestaan hebben uitgesloten. Hierbij zij nog aangestipt dat, krachtens art. 774, tweede lid Ger.W., de rechter enkel verplicht is de heropening van het debat te bevelen «alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor (hem) niet hadden ingeroepen». Voor het overige «kan» de rechter, krachtens het eerste lid van de vermelde bepaling, de heropening van het debat bevelen, maar hij is hiertoe niet verplicht louter omdat hij ambtshalve redenen aanvult. 21 Een dergelijke verplichting vloeit voort uit art. 6.1 E.V.R.M. noch uit het algemene rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van het recht van verdediging. 22 5. Benevens zijn hoofdvordering kan de eiser een bijkomende (accessoire) vordering formuleren. Zo kan de eiser de rechter vragen de tegenpartij tot een dwangsom te veroordelen «voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan» (art. 1385bis, eerste lid Ger.W.). Hij kan ook een subsidiaire vordering instellen, voor zover de hoofdvordering niet zou slagen. Enkel in dit laatste geval zal de rechter zich over die subsidiaire vordering (kunnen) uitspreken. 23
Voorts kan de vordering provisioneel zijn, wat betekent dat zij (in een eerste fase) enkel strekt tot een deel van de totale vordering, dan wel provisoir, wat betekent dat zij enkel strekt tot voorlopige maatregelen (art. 19 en 584 Ger.W.).
6. De zaak wordt slechts bij de rechter aanhangig gemaakt voor zover zij wordt ingeschreven op de algemene rol vóór de zitting vermeld in de dagvaarding 24 (art. 716- 717 Ger.W.). De datum van de inleiding is hoe dan ook die van (de betekening) van de dagvaarding, niet deze van de inschrijving op rol. 25
7. De meest voorkomende gedinginleidende akten zijn de dagvaarding (art. 700 Ger.W.), het verzoekschrift op tegenspraak (art. 1034bis-1034sexies Ger.W.) en het proces- verbaal van vrijwillige verschijning (art. 706 Ger.W.). Alle in deze akten voorkomende vorderingen openen het rechtsgeding, ook in het geval van de vrijwillige verschijning. De vrijwillig verschijnende partijen zijn allen te beschouwen als «oorspronkelijke eiser» die voor de verdere uitbreiding of wijziging van hun vordering aan art. 807 Ger.W. zijn gebonden.
In de regel viseert de eiser (rechtstreeks) een tegenpartij, maar dit is niet noodzakelijk het geval. Zo is er de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift (art. 1025-1034 Ger.W.), zo zijn er ook de gevallen van zogeheten «willige rechtsmacht» (bv.: art. 410 B.W.). 26
III. TUSSENVORDERING VERSUS HOOFDVORDERING
8. Waar de inleidende vordering of hoofdvordering het rechtsgeding opent, vormt elke vordering die in de loop van het geding wordt ingesteld een «tussenvordering». Zij ent zich binnen een reeds hangende procedure.
IV. SOORTEN TUSSENVORDERINGEN
9. In wezen zijn er vier soorten tussenvorderingen te onderscheiden:
– de tussenvordering tot uitbreiding, wijziging of aanvulling van de hoofdvordering,
– de tegenvordering,
– de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd en
– de tussenkomst.
10. De eerste twee soorten tussenvorderingen betreffen een wijziging binnen een bestaande procesverhouding (art. 807-810 Ger.W.); zij bewerkstelligen geen nieuwe procesverhouding.
Een procesverhouding (een processuele band) ontstaat zodra een rechtssubject (als eiser) tegen een ander rechtssubject (als verweerder) vordert in rechte, 27 terwijl voordien tussen deze partijen geen procesverhouding voorlag. Een procesverhouding onderstelt derhalve een eiser en een verweerder: de ene die de veroordeling wil van de andere (condemnatoir), maar evengoed de ene die tegen de andere een constitutieve of een (louter) declaratieve rechterlijke beslissing nastreeft. Het gaat hoe dan ook om een agressief optreden. Zodra de ene vordert tegen de andere (terwijl zij voordien niet ten opzichte van elkaar vorderden), creëert hij een procesverhouding; hij eist iets tegen de andere die aldus te zijnen opzichte verweerder wordt. Het enkele gegeven dat partijen samen in hetzelfde geding fungeren, maakt niet dat tussen hen een procesverhouding onstaat. Dit is evenmin het geval omdat tussen die partijen een betwiste onderliggende rechtsverhouding (rechtsband) tot uiting komt, veelal doordat zij tegen elkaar conclusie nemen. Pas wanneer die rechtsband resulteert in een concrete (agressieve) vordering (in rechte), krijgen we een ware procesverhouding. Men wil dat de rechter omtrent die verhouding uitspraak doet, hetzij bij wijze van veroordeling van de ene ten opzichte van de andere, hetzij door middel van een constitutieve dan wel een (louter) declaratieve beslissing.
Zoals gezegd, onderstellen de eerste twee soorten tussenvorderingen een reeds bestaande procesverhouding. Die procesverhouding is dynamisch en variabel, waarbij de processuele goede trouw centraal staat. 28 Bij de eerste soort gaat het om de oorspronkelijke eiser die zijn hoofdvordering uitbreidt, wijzigt of aanvult (art. 807-808 Ger.W.); bij de tweede soort om een verweerder die op zijn beurt vordert tegen de eiser (art. 14 en 810 Ger.W.).
De derde soort tussenvordering betreft steeds de creatie van een nieuwe procesverhouding, zij het tussen reeds in het geding zijnde partijen (doordat de ene iets vordert tegen de andere).
De vierde soort tussenvordering brengt een derde (rechtssubject) als partij in het geding (art. 15-16 en 811- 814 Ger.W.). Zij betreft de creatie van een nieuwe procesverhouding met die nieuwe partij, althans wanneer de tussenkomst een agressief karakter heeft, meer bepaald wanneer de tussenkomst strekt tot veroordeling of tot het verkrijgen van een constitutieve of declaratieve uitspraak. Maar de tussenkomst kan ook een (louter) bewarend karakter hebben.
A. Tussenvordering tot uitbreiding, wijziging of aanvulling van de hoofdvordering
11. Allereerst hebben we de tussenvordering die ertoe strekt de hoofdvordering uit te breiden, te wijzigen (art. 807 Ger.W.) of aan te vullen (art. 808 Ger.W.). Deze tussenvordering gaat per definitie uit van de oorspronkelijke eiser, diegene die de procedure (mede) is begonnen. 29 De oorspronkelijke eiser past zijn hoofdvordering aan; hij sleutelt aan wat hij vraagt, aan wat hij in het beschikkende gedeelte van de rechterlijke beslissing wil zien staan.
Krachtens art. 807 Ger.W. kan de oorspronkelijke eiser zijn hoofdvordering uitbreiden of wijzigen in de verhouding met de oorspronkelijke verweerder. Dienaangaande moet zijn nieuwe, op tegenspraak genomen conclusie, berusten op een feit of op een handeling in de gedinginleidende akte aangevoerd, zelfs indien de juridische omschrijving van dit feit of die handeling verschillend is. De uitbreiding of wijziging kan ook al leidde de oorspronkelijke eiser uit dat feit of uit die handeling ab initio geen gevolg af nopens de gegrondheid van zijn vordering. Art. 807 Ger.W. laat de oorspronkelijke eiser toe, in de verhouding met de oorspronkelijke verweerder, het voorwerp van zijn hoofdvordering uit te breiden of te wijzigen, mits de oorzaak van die vordering niet (volledig) wordt gewijzigd. 30 Art. 807 Ger.W. speelt evengoed in hoger beroep. 31
Krachtens art. 808 Ger.W. kan de oorspronkelijke eiser zijn hoofdvordering aanvullen met de zogeheten accessoria. Dit zijn uitvloeisels van de hoofdvordering. De aanvulling tot de accessoria is toegestaan zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en zelfs bij verstek. De accessoria worden in art. 808 Ger.W. te exemplatieven titel opgesomd. Het gaat voornamelijk om interest, rentetermijnen, huurgelden, vergoedingen voor toegenomen schade en bij schuldvergelijking verschuldigde geldsommen. Aldus betreft art. 808 Ger.W. de aanvullende of additionele vordering die ten tijde van het instellen van de oorspronkelijke vordering nog niet kon worden ingesteld omdat het bedoelde bedrag nog niet opeisbaar of verschuldigd was. Niettemin ligt zij in de onmiddellijke lijn van de oorspronkelijke vordering: zij vormt er de logische en voorzienbare aangroei van. 32
De uitbreidende, de wijzigende en de aanvullende vorderingen worden ingesteld bij conclusie (art. 809 Ger.W.).
B. Tegenvordering
12. Ten tweede hebben we de tegenvordering. Dit is de tussenvordering uitgaande van een verweerder en die ertoe strekt tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken (art. 14 Ger.W.). Zuiverder gezegd gaat het om de tussenvordering waarbij een verweerder op zijn beurt vordert tegen de eiser: immers, niet alleen wanneer zij strekt tot veroordeling (condemnatoir) maar evengoed wanneer de verweerder tegen de eiser een constitutieve of een (louter) declaratieve rechterlijke beslissing nastreeft, gaat het om een tegenvordering. Wezenskenmerk van de tegenvordering is dat diegene die ze instelt, handelt vanuit zijn positie als verweerder en zodoende geen nieuwe procesverhouding creëert. De verweerder maakt de bestaande procesverhouding met de eiser wederkerig. Hij stelt een incidentele maar autonome vordering in met een uitgesproken agressief karakter. Op die manier overstijgt de tegenvordering de loutere ontkrachting van de tegen hem gerichte vordering. Die ontkrachting slaat op het klassieke verweer, hetzij bij wijze van exceptie hetzij ten gronde. Terwijl de exceptie 33 slaat op de procedure als zodanig (de rechtsmacht of de bevoegdheid van de rechter, de toelaatbaarheid van de vordering of de geldigheid van de rechtpleging) en doelt op een al dan niet definitief uitstel van het inhoudelijke debat (de grond van de zaak), handelt het verweer ten gronde over de materieelrechtelijke kant van de vordering van de eiser. 34 De tegenvordering ontspringt evenwel de dans van het klassieke verweer en leidt een eigen agressief leven.
Het moet hierbij niet per se gaan om de oorspronkelijke verweerder en meer bepaald diegene tegen wie de oorspronkelijke eiser zijn hoofdvordering heeft gericht. 35 Het kan dus ook gaan om de verweerder op tussenvordering die zich keert tegen de eiser op tussenvordering.
Daar de verweerder met zijn tegenvordering geen nieuwe procesverhouding creëert, is hij voor de uitbreiding of wijziging van zijn tegenvordering niet gebonden aan art. 807 Ger.W. De toelaatbaarheidsvoorwaarden van art. 807 Ger.W. betreffen meer bepaald, althans volgens een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, 36 niet de in eerste aanleg ingestelde tegenvordering. Zij gelden evenmin, ook al is die tegenvordering niet in de eerste conclusie ingesteld, maar in een latere conclusie. 37 De bedoelde toelaatbaarheidsvoorwaarden gelden wel (naar analogie) in hoger beroep met het oog op de wapengelijkheid en mede omdat, aldus VAN REEPINGHEN, «tegenvorderingen in de tweede graad van rechtsmacht niet mogen worden toegelaten op straffe van de oorspronkelijke eiser te zien beroven van het voordeel van de dubbele aanleg». 38 De verweerder kan het voorwerp en de oorzaak van zijn tegenvordering vrij invullen, voor zover de rechter bij wie de hoofdvordering aanhangig is, bevoegd blijft. Enig inhoudelijk verband met de hoofdvordering hoeft verder niet. Zodoende kan de verweerder in beginsel om het even welke tegenvordering instellen, ook al heeft deze niets te maken met het geschil dat de eiser bewerkstelligt. 39 Het is voldoende dat de tegenvordering beantwoordt aan de algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden van de artikelen 17- 18 Ger.W. Zij hangt geenszins af van de toelaatbaarheid van de hoofdvordering, noch van de wijze waarop de hoofdvordering is ingesteld. Het verloop en het verdere lot van de tegenvordering zijn volledig onafhankelijk van de hoofdvordering. 40
De tegenvordering wordt ingesteld bij conclusie (art. 809 Ger.W.).
Indien de tegenvordering de berechting van de hoofdvordering te zeer zou kunnen vertragen, worden de twee vorderingen afzonderlijk berecht (art. 810 Ger.W.).
C. Tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd
13. Ten derde hebben we de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene (als eiser) iets vordert tegen de andere (als verweerder). Evenals de tegenvordering gaat het om een (steeds) agressieve tussenvordering. Anders dan bij de tussenkomst, groeit het aantal in het geding zijnde partijen niet aan. Een partij stelt een vordering in tegen een andere partij in het geding, terwijl tussen die partijen voordien geen procesverhouding bestond. Vaak betreft het medeverweerders die zich (onderling) tegen elkaar richten (in vrijwaring). Het kan ook gaan om de oorspronkelijke eiser die zich rechtstreeks keert tegen een tussengekomen partij, bijvoorbeeld tegen de door de oorspronkelijke verweerder in tussenkomst geroepen partij.
14. Deze soort tussenvordering is in het Gerechtelijk Wetboek ietwat over het hoofd gezien. Zij valt als het ware tussen twee stoelen: eendeels de artikelen 807-810 Ger.W. en anderdeels de artikelen 811-814 Ger.W.
15. Daar de eiser op een dergelijke tussenvordering een nieuwe procesverhouding creëert door voor het eerst iets te vorderen tegen een andere partij, lijkt het logisch de verdere uitbreiding of wijziging van die (tussen)vordering aan art. 807 Ger.W. te binden. De eiser schept een kader waarbinnen hij de bedoelde procesverhouding ziet. Hij moet zo nauwkeurig mogelijk de oorzaak en het voorwerp van zijn (tussen)vordering aangeven. In zijn verdere verhouding met de verweerder op tussenvordering is hij hieraan gebonden. Wil hij zijn vordering uitbreiden of wijzigen, dan moet de uitgebreide of gewijzigde vordering kunnen terugvallen op een feit of op een handeling aangevoerd in de akte (de conclusie) die de procesverhouding creëert (art. 807 Ger.W.). De grondslag ligt in de vrijwaring van het recht van verdediging van de verweerder op tussenvordering. Aan de hand van de akte die de procesverhouding creëert, krijgt de verweerder kennis van de feiten en\of handelingen die aan de vordering van de eiser ten grondslag liggen: de eiser mag hem verder niet verrassen door bij conclusie zijn vordering uit te breiden of te wijzigen op basis van nieuwe feiten en\of handelingen die geen verband houden met die welke in de bedoelde akte voorkomen. In diezelfde optiek zou de eiser op dergelijke tussenvordering deze krachtens art. 808 Ger.W. kunnen aanvullen met de zogeheten accessoria.
De vraag rijst evenwel of het toepassingsgebied van art. 807 Ger.W. zich uitstrekt tot de eiser op tussenvordering die tussen reeds in het geding zijnde partijen een (nieuwe) procesverhouding creëert. Louter gelet op van de tekst speelt art. 807 Ger.W. immers enkel voor de oorspronkelijke eiser die zijn hoofdvordering uitbreidt of wijzigt. Daar komt bij dat de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een (nieuwe) procesverhouding wordt gecreëerd, steeds bij conclusie wordt ingesteld 41 (art. 809 juncto 813, tweede lid Ger.W.). Terwijl de oorspronkelijke eiser in de gedinginleidende akte «op straffe van nietigheid» de oorzaak en het voorwerp van zijn vordering moet aangeven (art. 702, 3o, 813, 1026, 3o, 1034ter, 4o en 1344bis, 4o Ger.W.), is dit niet met zoveel woorden het geval voor de conclusie 42 (art. 743-744 Ger.W.).
Niettemin kan het toepassingsgebied van art. 807 Ger.W. bezwaarlijk worden beperkt tot de bij «dagvaarding» geinitieerde (contradictoire) procedure, quod plerumque fit. Art. 807 Ger.W. strekt zich (in de regel) evenzeer uit tot de door middel van enige andere gedinginleidende akte 43 geïnitieerde (burgerrechtelijke) 44 procedure, 45 zoals het verzoekschrift op tegenspraak in de zin van onder meer de artikelen 704, 1034bis-sexies, 1253ter, 1320, 1344bis, 1371bis en 1454, tweede lid Ger.W. en het proces-verbaal van vrijwillige verschijning in de zin van art. 706 Ger.W.
De term «dagvaarding» omvat zodoende elke andere inleidende akte waarbij een geding wordt geïnitieerd. In diezelfde optiek kan worden aangevoerd dat de term «dagvaarding» elke andere akte omvat waarbij een (nieuwe) procesverhouding wordt gecreëerd.
16. Voorts leunt de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere, aan bij de bepalingen aangaande de tussenkomst. Enerzijds beantwoordt de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd niet aan de definitie van «tussenkomst» in art. 15 Ger.W.: deze bepaling omschrijft de tussenkomst als een tussenvordering waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Het gaat hier dus duidelijk om hetzij het louter tussenkomen van een derde als partij in het geding (bewarende tussenkomst), hetzij om de creatie van een nieuwe procesverhouding met een rechtssubject dat nog niet in het geding is (agressieve tussenkomst). Anderzijds lijken de artikelen 811-814 Ger.W. ook te zijn bedoeld voor de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd: art. 813, tweede lid Ger.W. bepaalt immers dat zulks bij conclusie kan gebeuren.
In diezelfde optiek betreft het aan art. 812, tweede lid Ger.W. ten grondslag liggende principe niet alleen de (agressieve) «tussenkomst» in de eigenlijke zin van het woord, 46 maar evenzeer de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd. 47 Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling, minstens tot vaststelling of erkenning van een eigen recht, een agressieve tussenkomst dus, kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep 48 (art. 812, tweede lid Ger.W.), zo evenmin de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere. 49 In die zin beslist het Hof van Cassatie in zijn arrest van 29 oktober 2004 dat uit de samenhang van de artikelen 13, 15, 813, tweede lid en 812, tweede lid Ger.W. volgt dat wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, art. 812, tweede lid Ger.W. uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld. 50 Op die manier sluit art. 812, tweede lid Ger.W. uit dat een verweerder op hoofdvordering voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere verweerder op hoofdvordering, wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren ingesteld. Dat het aan art. 812, tweede lid Ger.W. ten grondslag liggende principe ook de tussenvordering betreft waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere, blijkt mede uit de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens Koninklijk Commissaris VAN REEPINGHEN bepaalt art. 812, tweede lid Ger.W. dat de «tussenvordering» die ertoe strekt een veroordeling te verkrijgen, niet voor de eerste maal in beroep kan worden ingesteld. 51 Kortom, een tussenvordering kan er niet toe strekken voor het eerst in hoger beroep een nieuwe procesverhouding te creëren. Dit toestaan, zou al te zeer indruisen tegen het beginsel van de dubbele aanleg. 52
Het Hof van Cassatie bevestigt dit laatste in zijn arresten van 9 maart 1972, 53 24 november 1972 54 en 2 december 1982, 55 zij het niet steeds met eenduidige bewoordingen. In zijn arrest van 9 maart 1972 besliste het Hof dat een verhuurder niet voor het eerst in hoger beroep (mede) de veroordeling kan vragen ten laste van een (onder)huurder tegen wie hij in eerste aanleg niets heeft gevorderd. In zijn arresten van 24 november 1972 en 2 december 1982 beslist het Hof dat een schuldenaar niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring tegen een (beweerde) mede-schuldenaar kan instellen. 56
In zijn arrest van 9 maart 1972 oordeelt het Hof in de lijn van artikel 812, tweede lid Ger.W.: de «tussenkomst» van een derde partij tot het verkrijgen van een veroordeling, kan niet voor de eerste maal in hoger beroep plaatsvinden. In zijn arresten van 24 november 1972 en 2 december 1982 legt het Hof de link met art. 807 Ger.W. (dat krachtens art. 1042 Ger.W. ook van toepassing is in hoger beroep): de uitbreiding of de wijziging van een vordering in hoger beroep onderstelt dat de in hoger beroep uitgebreide of gewijzigde vordering reeds voor de eerste rechter aanhangig is gemaakt. 57 In wezen betreft de aan de bedoelde arresten ten grondslag liggende rechtsvraag de creatie van een nieuwe procesverhouding 58 in de lijn van de artikelen 811-814 Ger.W., veeleer dan een wijziging binnen een bestaande procesverhouding tussen de partijen in de zin van de artikelen 807-810 Ger.W. Het vereiste dat de voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering reeds voor de eerste rechter aanhangig moet zijn gemaakt, houdt verband met de (verboden) creatie, althans voor het eerst in hoger beroep, van een nieuwe procesverhouding. 59 Dit ligt in de lijn van de artikelen 811-814 Ger.W., welke bepalingen, zoals gezegd, ook de tussenvordering betreffen waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd. Het vereiste dat de voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering reeds voor de eerste rechter aanhangig moet zijn gemaakt, is eigenlijk vreemd aan de artikelen 807-810 Ger.W. 60 In die zin beslist het Hof van Cassatie in zijn arresten van 29 november 2002 61 dat uit de artikelen 807 en 1042 Ger.W. volgt dat de toepassing van art. 807 Ger.W. ook in hoger beroep enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd. Het is derhalve niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering tegen dezelfde partij waartegen de oorspronkelijke vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was noch reeds virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was. De extrapolatie van art. 807 Ger.W. in hoger beroep onderstelt dus niet dat de in hoger beroep uitbreidende of wijzigende vordering reeds voor de eerste rechter is aanhangig gemaakt. 62 In tegenstelling tot wat de lichtelijk verwarrende 63 formulering zou laten uitschijnen, heeft de voormelde rechtspraak van 1972 en 1982 veel minder te maken met art. 807 Ger.W. Het vermelde vereiste heeft eigenlijk niets te maken met een wijziging binnen de bestaande procesverhouding tussen de partijen (art. 807-810 Ger.W.) en kan in die context dan ook bezwaarlijk worden vooropgesteld. 64
D. Tussenkomst
17. De tussenkomst is de tussenvordering waarbij gebeurlijk een nieuwe procesverhouding wordt gecreëerd met een rechtssubject dat aldus partij wordt in het geding. Zij kan «voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging» (art. 812, eerste lid Ger.W.), dus ook in het raam van een kort geding 65 of een procedure op eenzijdig verzoekschrift. 66 De tussenkomst impliceert echter niet noodzakelijk een nieuwe procesverhouding: dit is enkel het geval voor de agressieve tussenkomst, niet voor de bewarende tussenkomst. Hoe dan ook neemt het aantal in het geding zijnde partijen toe met de tussenkomende partij.
Het initiatief moet van hen zelf uitgaan. Het beschikkingsbeginsel verbiedt de rechter ambtshalve te bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken (art. 811 Ger.W.).
18. Luidens art. 15, eerste lid Ger.W. is tussenkomst de «rechtspleging» (lees: tussenvordering) waarbij een derde partij wordt in een hangend geding. De derde kan niet in het geding worden betrokken wanneer de rechter zich over de zaak heeft uitgesproken, al was het met een voorbehoud voor een deel van de vordering. 67
Tussenkomst onderstelt een zekere band met de (hoofd)vordering 68 De bewarende tussenkomst heeft zelfs geen eigen voorwerp, maar strekt louter tot bescherming of ondersteuning van een reeds hangende vordering. De agressieve tussenkomst heeft wel een eigen voorwerp, zij het dat het recht van de derde reeds in het geding ter discussie staat of dat een partij de derde in het geding roept om hem in haar plaats te zien veroordelen, minstens om de tegen die partij hangende vordering nu tegen haar te zien uitspreken; 69 vandaar de vereiste samenhang tussen de hangende vordering en de tussenkomst, en dit bij toepassing van het belangvereiste in de zin van de artikelen 17-18 Ger.W. Zelfs de agressieve tussenkomst zou niet zo autonoom zijn als de tegenvordering. Zo zou de toelaatbaarheid van de agressieve tussenkomst afhangen van de toelaatbaarheid van de hoofdvordering, zoals dit het geval is voor de bewarende tussenkomst. 70 Enige nuance lijkt evenwel raadzaam: wanneer de (hoofd)vordering ontoelaatbaar is om redenen die de persoon van de eiser betreffen (inzonderheid het gebrek aan hoedanigheid en belang) en wanneer die eiser afstand doet van zijn vordering of berust, komt de toelaatbaarheid van de reeds gebeurde agressieve tussenkomst niet in het gedrang. 71 Dit is te verklaren door het eigen voorwerp (en het hieruit voortvloeiende autonome karakter) van de agressieve vordering tot tussenkomst. 72 De tussenvordering tot uitbreiding, wijziging of aanvulling van de hoofdvordering en de tegenvordering spelen zich uitsluitend af tussen reeds in het geding zijnde partijen. Hetzelfde geldt voor de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere. De tussenkomst onderstelt daarentegen een nieuwe procespartij. 73
19. De tussenkomst van de nieuwe partij gebeurt ten einde:
– de belangen van die partij te beschermen;
– de belangen van een reeds in het geding zijnde partij te beschermen;
– een veroordeling te doen uitspreken (of nog: een constitutieve dan wel declaratieve rechterlijke beslissingen te verkrijgen) of
– een vrijwaring te doen bevelen (art. 15, tweede lid Ger.W.).
In de eerste twee gevallen gaat het om een bewarende tussenkomst, die zelfs voor het eerst in hoger beroep mogelijk is. 74 Zij strekt er niet toe een nieuwe procesverhouding te creëren. Eigenlijk betreft het niet eens een (echte) vordering (in rechte). 75 De tussenkomende partij is geen eiser of verweerder op tussenkomst. De bewarende tussenkomst heeft tot gevolg dat de te wijzen beslissing ook ten aanzien van de nieuwe partij gezag van gewijsde zal hebben: de beslissing zal ook haar tegenwerpbaar zijn en derdenverzet wordt uitgesloten. 76 Gaat de vordering uit van een reeds in het geding zijnde partij, dan betreft het een vordering tot gemeen- en bindendverklaring van de te wijzen beslissing. 77 In zijn arrest van 16 november 2001 beslist het Hof van Cassatie omtrent deze specifieke vorm van tussenkomst dat, aangezien het doel louter bewarend is, het voldoende is (opdat een vordering tot gemeen- en bindendverklaring ontvankelijk zou zijn) dat er een loutere mogelijkheid bestaat dat de derde ooit in een ander geding zou trachten te ontsnappen aan het gezag van gewijsde van de beslissing. 78 De rechter aan wie de gemeen- en bindendverklaring van zijn beslissing wordt gevraagd, moet niet ingaan op de mogelijke betwistingen die in dat andere geding tussen de eiser tot gemeen- en bindendverklaring en de in het geding geroepen derde kunnen rijzen, ook al zou daaruit misschien blijken dat de eiser eigenlijk geen belang heeft bij de gemeen- en bindendverklaring. In zekere zin is het ontvankelijkheidscriterium er dus een van «mogelijk» belang veeleer dan «zeker en vaststaand» belang. 79
In de twee laatste gevallen gaat het om een agressieve tussenkomst, die niet voor het eerst in hoger beroep kan plaatsvinden 80 (art. 812, tweede lid Ger.W.).
20. De vordering tot tussenkomst is «vrijwillig» wanneer de derde op eigen initiatief partij wordt in een hangende procedure. Zij is «gedwongen» wanneer een of meerdere partijen de derde in het geding roepen. Beide vormen kunnen op hun beurt agressief of bewarend zijn. Een vordering tot tussenkomst is «agressief», wanneer zij er (tevens) toe strekt een veroordeling te doen uitspreken (of nog: een constitutieve dan wel declaratieve rechterlijke beslissing te verkrijgen) of vrijwaring te doen bevelen; op die manier creëert de tussenkomst een nieuwe procesverhouding. De vordering is daarentegen «bewarend», wanneer zij er enkel toe strekt de belangen van de tussen komende partij of van één van de partijen in het geding te beschermen. 81 Vrijwillige tussenkomst geschiedt bij een verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat (art. 813, eerste lid Ger.W.). Het gaat echter niet om een verzoekschrift in de zin van de artikelen 1034bis e.v. Ger.W., die enkel gelden voor het gedinginleidende verzoekschrift. Gedwongen tussenkomst geschiedt bij dagvaarding (art. 813, tweede lid Ger.W.).
21. Daar de eiser op vrijwillige of gedwongen agressieve tussenkomst een nieuwe procesverhouding creëert door voor het eerst iets te vorderen, lijkt het logisch de verdere uitbreiding of wijziging van die vordering tot tussenkomst aan art. 807 Ger.W. te binden. 82 De eiser schept een kader waarbinnen hij de bedoelde procesverhouding ziet. Hij moet zo nauwkeurig mogelijk de oorzaak en het voorwerp van zijn vordering tot tussenkomst aangeven. In zijn verdere verhouding met de verweerder op tussenkomst is hij hieraan gebonden. Wil hij zijn vordering uitbreiden of wijzigen, dan moet de uitgebreide of gewijzigde vordering kunnen terugvallen op een feit of op een handeling aangevoerd in de akte (het verzoekschrift of de dagvaarding) die de procesverhouding creëert (art. 807 Ger.W.). De grondslag ligt in de vrijwaring van het recht van verdediging van de verweerder op tussenkomst. Aan de hand van de akte die de procesverhouding creëert, krijgt de verweerder kennis van de feiten en\of handelingen die aan de vordering tot tussenkomst ten grondslag liggen: de eiser mag hem verder niet verrassen door bij conclusie zijn vordering uit te breiden of te wijzigen op basis van nieuwe feiten en\of handelingen die geen verband houden met die welke in de bedoelde akte voorkomen. In diezelfde optiek zou de eiser tot tussenkomst deze krachtens art. 808 Ger.W. kunnen aanvullen met de zogeheten accessoria.
22. De tussenkomst doet hoofdzakelijk vragen rijzen omtrent de invulling van het belang als toelaatbaarheidsvereiste in de zin van art. 18 Ger.W. en omtrent de bescherming van het recht van verdediging van de tussenkomende partij. Art. 812, eerste lid Ger.W. preciseert dienaangaande dat reeds bevolen «onderzoeksverrichtingen» geen afbreuk mogen doen aan het recht van verdediging. 83
Bevoegdheidsincidenten doen zich nauwelijks voor, omdat art. 564 Ger.W. bepaalt dat de rechtbank waarvoor een vordering aanhangig is gemaakt ook bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot tussenkomst.
23. Het voormelde vereiste van samenhang tussen de hangende vordering en de tussenkomst betekent niet dat de tussenkomst de berechting van de hoofdvordering mag vertragen (art. 814 Ger.W.). 84 Hierbij geniet de rechter een vrij ruime appreciatiebevoegdheid. 85 De tussenkomst die de vlotte afhandeling van de hoofdvordering hindert, dient na splitsing afzonderlijk te worden berecht, 86 naar analogie met de al te vertragende tegenvordering, die met toepassing van art. 810 Ger.W. kan worden afgesplitst. De sanctie is dus niet per se de niet-toelaatbaarheid van de vordering tot tussenkomst. 87 Gezien de aard van de tussenkomst zal dit veelal een louter theoretische mogelijkheid zijn. De rechter kan ook beslissen geen rekening te houden met een door de tussenkomende partij te laat in het debat neerlegde conclusie, zo deze tot doel zou hebben de uitspraak over de hoofdvordering uit te stellen. 88 De wering uit het debat is niet gebaseerd op art. 814 Ger.W., maar veeleer op het verbod van procesrechtsmisbruik. De toetssteen van art. 814 Ger.W. is evenwel ruimer en onderstelt niet noodzakelijk misbruik. 89
V. TEKST VAN ARTIKEL 13 GER.W.
24. Volgens de tekst van art. 13 Ger.W. zouden er slechts drie soorten tussenvorderingen bestaan:
– de tussenvordering die ertoe strekt de oorspronkelijke vordering te wijzigen;
– de tussenvordering die ertoe strekt een «nieuwe» vordering tussen de partijen in te stellen, en
– de tussenvordering die ertoe strekt personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken.
25. «De tussenvordering die ertoe strekt de oorspronkelijke vordering te wijzigen» zou dan slaan op de tussenvordering die ertoe strekt de hoofdvordering uit te breiden, te wijzigen (art. 807 Ger.W.) of aan te vullen (art. 808 Ger.W.).
26. «De tussenvordering die ertoe strekt een nieuwe vordering tussen de partijen in te stellen» zou dan slaan op eensdeels de tegenvordering en anderdeels de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere. 90
Het is evenwel raadzaam om de tegenvordering af te bakenen van de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd.
Net omdat (enkel) in dit laatste geval een nieuwe procesverhouding wordt gecreëerd, spelen andere regels. Aldus is de eiser in dit laatste geval wel gebonden aan art. 807 Ger.W. voor de uitbreiding of wijziging van de respectieve vordering; de verweerder die een tegenvordering instelt is niet (op dezelfde manier) gebonden aan art. 807 Ger.W. Zelfs in hoger beroep speelt art. 807 Ger.W. niet zonder meer voor de aldaar (voor het eerst) ingestelde tegenvordering. Zoals vermeld, zijn er wel grenzen ingevolge het (algemeen rechts)beginsel van de wapengelijkheid 91 (alsook o.w.v. het vereiste van loyale procesvoering).
Voorts geldt het aan art. 812, tweede lid Ger.W. ten grondslag liggende principe enkel voor de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd, niet voor de tegenvordering. Hoewel beide soorten tussenvorderingen (per definitie) een agressief karakter vertonen, creëert de tegenvordering geen nieuwe procesverhouding. Zoals voormeld, doet de verweerder die een tegenvordering instelt niet meer dan de bestaande procesverhouding met de eiser wederkerig maken. De creatie van een nieuwe procesverhouding vormt de essentie van art. 812, tweede lid Ger.W.: die creatie kan niet voor het eerst in hoger beroep. Artikel 812, tweede lid Ger.W. betekent dus niet dan men niet voor het eerst in hoger beroep agressief mag zijn; het gaat er enkel om dat men niet oor het eerst in hoger beroep een nieuwe procesverhouding mag creëren door als eiser iets te vorderen van een verweerder.
Jammer genoeg schiet de wetgever tekort bij een verdere uitwerking in het Gerechtelijk Wetboek van de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd doordat de ene iets vordert tegen de andere. Het lijkt alsof de wetgever die tussenvordering, zij het ten onrechte, gelijkstelt nu eens met de tegenvordering dan weer met de tussenkomst.
27. «De tussenvordering die ertoe strekt personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken» zou dan slaan op de tussenkomst. Maar ook hier zit een onvolkomenheid. Zoals gezegd, kan de tussenkomst eensdeels hetzij vrijwillig hetzij gedwongen zijn en anderdeels hetzij bewarend hetzij agressief. «De tussenvordering die ertoe strekt personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken» dekt slechts een gedeelte van wat onder tussenkomst kan vallen. Aldus geformuleerd, bedoelt de wetgever blijkbaar enkel de gedwongen tussenkomst; de vrijwillige tussenkomst valt uit de boot.
VI. BESLUIT
28. In de lijn van het bovenstaande zou een meer omvattende definitie van de tussenvordering in het gerechtelijk privaatrecht kunnen zijn: een tussenvordering is iedere vordering die in de loop van het geding wordt ingesteld en die ertoe strekt (1) hetzij een hangende vordering uit te breiden, te wijzigen of aan te vullen, (2) hetzij als eiser een nieuwe procesverhouding te creëren (en dit met een reeds in het geding zijnde partij of ingevolge een tussenkomst), (3) hetzij als verweerder de bestaande procesverhouding wederkerig te maken (door middel van een tegenvordering). Daarnaast hebben we nog de bewarende tussenkomst, maar, in tegenstelling tot voormelde tussenvorderingen, vertoont zij geen agressief karakter; de bewarende tussenkomst onderstelt geen (echte) vordering in rechte (in de enge zin van het woord).
Sven MOSSELMANS
Referendaris bij het Hof van Cassatie
#1. W. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch privaatrecht, I, Algemeen deel, Antwerpen, Standaard, 1969, p. 87 e.v., nrs. 30 e.v.
#2. P. VAN ORSHOVEN, «Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht», in P. VAN ORSHOVEN (red.), Gerechtelijk privaatrecht, Themis-cahier 1, K.U. Leuven, Brugge, Die Keure, 2001, p. 27-28, nr. 5; P. VAN ORSHOVEN en K. WAGNER, «De wet van 3 augustus 1992 en de sancties in het burgerlijk procesrecht. Terug naar af?», in P. TAELMAN en M. STORME (red.), Tien jaar toepassing Wet 3 augustus 1992 én haar reparatiewetgeving – Evaluatie en toekomstperspectieven, Brugge, Die Keure, 2004, p. 109-110, nr. 31. Zo schrijft Maes, ietwat ongenuanceerd, dat de termen «vorderingsrecht» en «rechtsvordering» eenzelfde lading dekken (B. MAES, Overzicht van het gerechtelijk privaatrecht, Brugge, Die Keure, 2001, 111).
#3. Zie ook, zij het vrij onvolkomen: Ch. VAN REEPINGHEN, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 21: «De rechtsvordering is het rechtsmiddel door hetwelk er van een gerecht kan worden gevraagd een wet toe te passen op een bepaalde aangelegenheid».
#4. J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 107-111, nrs. 173-176. Een rechterlijke tussenkomst is hoe dan ook niet uitgesloten (J. LAENENS, «De arbiter en zijn uitspraak», R.W. 2004-2005, 886-890).
#5. W. VAN GERVEN, «Een nieuwe analyse van het begrip Recht – De «Juristic Conceptions»-theorie», R.W. 1960-61, kol. 2045, nr. 7.
#6. J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 73-75, nrs. 111- 113.
#7. Zie ook: L. LAMINE, B. SCHOENAERTS en C. VAES, Het tergend en roekeloos geding, Antwerpen, Intersentia, 2003, p. 20-23, nrs. 18-23.
#8. Zie dienaangaande o.m.: E. BREWAEYS, «De ontvankelijkheid van de rechtsvordering», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer, 2000, Titel I, De rechtsvordering, Hoofdstuk 2, 18 p.
#9. Waar de wetgever de concretisering van de rechtsvordering veelal betitelt als «vordering», verkiezen bepaalde auteurs duidelijkheidshalve de term «eis» (R. DE CORTE, «Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen het materieel recht en het gerechtelijk recht», T.P.R. 1980, p. 3, nr. 7; J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 71-72, nr. 107). In voorliggende bijdrage wordt de «vordering in rechte» terminologisch bewust niet gelijkgesteld met de «eis», nu de vordering in rechte als «eis» van de vordering in rechte als «verweer» wordt onderscheiden.
#10. Zie voorts: P. VAN ORSHOVEN, l.c., p. 28-30, nrs. 6-7; P. VAN ORSHOVEN en K. WAGNER, l.c., p. 110-111, nrs. 32-33. VAN ORSHOVEN wijst op de veelvuldige begrippenverwarring, die mede door het onzorgvuldige taalgebruik van de wetgever in de hand wordt gewerkt.
#11. P. VAN ORSHOVEN, l.c., p. 27-28, nr. 5; P. VAN ORSHOVEN en K. WAGNER, l.c., p. 109, nr. 31.
#12. G. CLOSSET-MARCHAL, «Exceptions de nullité, fins de non- recevoir et violation des règles touchant à l‘organisation judiciaire» (noot onder Cass. 27 mei 1994), R.C.J.B. 1995, p. 650-651, nrs. 14- 15.
#13. G. CLOSSET-MARCHAL, l.c., p. 650, nr. 13.
#14. S. STIJNS, «Gedrag en wangedrag der partijen in het burgerlijk geding – spanningsverhoudingen met de bewijsvoering», R.W. 1989-90, 1007; M. STORME, De bewijslast in het Belgisch privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1962, p. 37 e.v., nrs. 16 e.v.
#15. Zie over de bestanddelen van de vordering o.m.: B. MAES, «Bestanddelen», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer, 2000, Titel II, De eis en het verweer, Hoofdstuk 1, De vordering in rechte of de eis, p. 2-7, nrs. 4000-4130.
#16. Cass. 26 mei 1976, Arr. Cass. 1976, 1067, waarin het Hof overweegt dat «zowel uit de tekst als uit de strekking van dit artikel blijkt dat het toepassingsgebied ervan beperkt is tot de tussenvorderingen welke door de oorspronkelijke eiser ingesteld worden en tot uitbreiding of wijziging van de door hem ingestelde vordering strekken».
#17. G. CLOSSET-MARCHAL, «Les pouvoirs respectifs du juge et des parties dans la détermination de l‘objet et de la cause de la demande», T.B.B.R. 2002, p. 448-451, nrs. 10-16.
#18. M. VAN QUICKENBORNE, Feit en recht of de rechter en de procespartijen – Polegomena, Brussel, Swinnen, 1987, p. 35 e.v., nrs. 29 e.v. en p. 96 e.v., nrs. 81 e.v.
#19. Zie o.m.: Cass. 3 maart 2005, inzake met A.R. nr. C.04.0389.F; H. BOULARBAH, «La cause – Le rôle respectif du juge et des parties dans l‘allégation des faits et de la détermination de la norme juridique», in J. LINSMEAU en M. STORME (red.), Le rôle respectif du juge et des parties dans le procès civil – De respectievelijke rol van rechter en partijen in het burgerlijk geding, Diegem, Kluwer, 1999, p. 142-145, nr. 56; W. RAUWS, «Het ambtshalve aanvullen van de rechtsgrond en de autonomie van de partijen», noot onder Cass. 10 mei 1985, R.W. 1985-86, kol. 2217-2219, nr. 2. Vgl.: E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, «De ambtshalve aanvulling of wijziging van rechtsgronden en de problematiek van de samenloop van de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid», R.W. 1985-86, kol. 907-909, nr. 8.
#20. J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 97-98, nr. 157; Ph. THION, «Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering – Mysteries uit het procesrecht», NjW 2003, 726-734.
#21. J. KIRKPATRICK, «Un principe général du droit plus fort que la loi: le respect du droit de défense en cas de décision judiciaire fondée sur un moyen pris d‘office», in Liber amicorum P. Marchal, Gent, Larcier, 2003, p. 290-291, nr. 12, die wijst op de cassatierechtspraak die vanaf het arrest van 29 februari 1980 (Pas. 1980, I, 805) herhaaldelijk, zij het contra legem, ingaat op een schending van het recht van verdediging los van art. 774, tweede lid, Ger.W. Anders: J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 98, nr. 158 en p. 394-395, nr. 831; P. LEMMENS, «De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en de rechten van verdediging», (noot onder Cass. 22 oktober 1982), R.W. 1982-83, kol. 2191, nr. 6; E. KRINGS, «Het ambt van de rechter bij de leiding van het rechtsgeding», Arr. Cass. 1983-84, p. 30-31, nr. 38; E. KRINGS en B. DE CONINCK, «Het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden», T.P.R. 1982, p. 674, nr. 25; L. VERHAEGEN, «Art. 774 Ger.W.», Comm. Ger. 1988, p. 4-6, nrs. 3-4.
#22. Ter verdere illustratie zij verwezen naar een vóór de invoering van het Ger.W. gewezen cassatiearrest van 28 januari 1969, waarin het Hof overweegt «dat de rechter de door de partijen voorgedragen middelen ambtshalve kan aanvullen, voor zover hij zijn beslissing grondt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn voorgelegd, en hij het voorwerp of de oorzaak van de vordering niet wijzigt; dat hij op onaantastbare wijze, op grond van zijn overtuiging oordeelt of het al dan niet geraden is het debat te heropenen zoals een partij het vraagt (en dus a fortiori ambtshalve – eigen toevoeging); dat het recht van verdediging van laatstgenoemde tegen het door de rechter ambtshalve aangevoerde middel of argument bevestigd zijn door de wettelijke rechtsmiddelen die voor haar openstaan tegen de beslissing van de rechter» (Cass. 28 januari 1969, Arr. Cass. 1969, (515), 516; zie bv. ook: Cass. 12 september 1980, Arr. Cass. 1981, 42; Cass. 29 oktober 1992, Arr. Cass. 1992, 1267). Die laatste zinsnede voelt natuurlijk «pover» aan wanneer de beslissing in laatste aanleg wordt gewezen...
#23. G. DE LEVAL, Éléments de procedure civile, Brussel, De Boeck & Larcier, 2003, p. 42, nr. 27, voetnoot 119.
#24. Cass. 1 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 111; Cass. 20 december 1991, Arr. Cass. 1991-92, 373; Cass. 4 maart 1994, R.W. 1994-95, 93.
#25. Anders: R. DE CORTE, «Zaak aanhangig bij de rechter», (noot bij Cass. 4 maart 1994), R. Cass. 1994, l.c., p. 150, nr. 8.
#26. S. MOSSELMANS, «Het machtigingsvereiste in de zin van art. 410 B.W.», Cahier ABG 2003/6, 111 p. Zie, wat betreft de term (oneigenlijke of) «willige rechtsmarkt» (tegenover de eigenlijke of contentieuze rechtsmarkt), de nuance bij (o.m.); J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 149, nr. 259.
#27. Zie in diezelfde zin: P. ROUARD, Traité élémentaire de droit judiciaire privé – La procédure civile, III, L‘instruction de la demande, Brussel, Bruylant, 1977, p. 283-284, nr. 347. Zie ook, zij het eerder impliciet: A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de Droit de Liège, 1987, p. 419, nr. 588, voetnoot 1. Zie voorts: Ph. THION, «De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst», in Goed procesrecht – Goed procederen, XXIXste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 2002-2003, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 262, nr. 3. Het in die zin bedoelde concept «procesverhouding» staat niet gelijk met de o.m. door BROECKX gehanteerde concepten «rechtsband» (de betwiste onderliggende rechtsverhouding) en «lien d‘instance» (een meer abstracte band ingevolge de hele processuele verhouding van het geding, los van de concrete vorderingen), (K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 216-219, nrs. 477- 482; zie voorts: G. DE LEVAL, o.c., p. 42-43, nr. 28; P. LEMMENS, Gerechtelijk privaatrecht, Leuven, Acco, 1995, p. 141, nr. 247; B. MAES, «De gevolgen van de vordering in rechte», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer, 2000, Titel II, De eis en het verweer, Hoofdstuk 1, De vordering in rechte of de eis, p. 14, nr. 4320; H. SOLUS en PERROT, Droit judiciaire privé, I, Parijs, Sirey, 1961, p. 110, nr. 110; P. TAELMAN en K. PITEUS, «Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep», in Goed procesrecht – Goed procederen, XXIXste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 2002- 2003, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 363-364, nr. 10, voetnoot 55. De oproeping in gemeen- en bindendverklaring van de tussen te komen rechterlijke beslissing creëert geen procesverhouding (Cass. 25 november 1996, Arr. Cass. 1996, 1081; B. ALLEMEERSCH en K. WAGNER, «Stand van zaken en actuele ontwikkelingen inzake het geding», R.W. 2003-04, p. 1137-1138, nr. 39). Wil men een procesverhouding creëren, dan moet men iets vorderen tegen een rechtssubject (veelal de veroordeling tot iets). De creatie van een procesverhouding gaat dus verder dan het bestaan van een rechtsband: die is er zodra partijen tegen elkaar conclusie nemen, zodra een betwiste onderliggende rechtsverhouding aan de orde is die in conclusie tot uiting komt (zie o.m.: S. MOSSELMANS, «Tegengestelde belangen in eerste aanleg als voorwaarde voor hoger beroep» (noot onder Cass. 10 oktober 2002), P & B 2003, p. 211, nr. 2). Trapsgewijs zijn de drie voormelde concepten als volgt te onderscheiden: waar de «lien d‘instance» niet meer is dan de abstracte, louter technische band die de gerechtelijke procedure voor alle partijen meebrengt, onderstelt de «rechtsband» een tussen de bedoelde partijen betwiste onderliggende rechtsverhouding. Pas wanneer deze laatste resulteert in een concrete (agressieve) vordering (in rechte), krijgen we een (ware) procesverhouding. Bepaalde auteurs beklemtonen dat ook de rechter noodzakelijkerwijs van die procesverhouding deel uitmaakt: hij moet niet alleen recht spreken en aldus het geschil beslechten (art. 5 Ger.W.), maar tevens in belangrijke mate het geding beheersen (R. DE CORTE, «Zaak aanhangig bij de rechter» (noot bij Cass. 4 maart 1994), R. Cass. 1994, p. 149, nr. 3; J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 96, nr. 154 en p. 123-124, nr. 203).
#28. M.E. STORME, «De goede trouw in het geding? De invloed van de goede trouw in het privaat proces- en bewijsrecht», T.P.R. 1990, p. 376, nr. 12.
#29. S. MOSSELMANS, «De aanpassing van de vordering in de zin van art. 807 Ger.W.», in Goed procesrecht – Goed procederen, XXIXste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 2002-2003, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 319, nr. 19.
#30. Cass. 11 maart 2004 (verder in dit nummer opgenomen); Cass. 26 maart 2004 (verder in dit nummer opgenomen).
#31. Cass. 19 april 2002, R.W. 2003-04, 419; Arbh. Luik 3 september 2003, Soc. Kron. 2004, 257.
#32. Gent 12 november 2003, P & B 2004, 79.
#33. D. SCHEERS, Excepties – Over toelaatbaarheid, nietigheid en bevoegdheid, Antwerpen, Kluwer, 1995, p. 2, nr. 5.
#34. J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, o.c., p. 98-101, nrs. 159- 162.
#35. Anders, bv.: M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht: algemene beginselen, bevoegdheid en burgerlijke rechtspleging, Gent, Academia Press, 2004, p. 38, nr. 66.
#36. Cass. 31 maart 2003, R.W. 2003-04, 1378; zie ook: B. ALLEMEERSCH en K. WAGNER, l.c., p. 1136, nr. 38. Vgl. inzake hoger beroep: Cass. 10 april 1978, Arr. Cass. 1978, 917; Cass. 4 oktober 1979, R.W. 1979-80, 2007; Cass. 10 september 1982, Arr. Cass. 1983, 55; Cass. 4 december 1989, Arr. Cass. 1989- 90, 467; Cass. 4 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1138; Cass. 18 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 525; Cass. 22 januari 2004, inzake met A.R. nr. C.02.0123.N en inzake met A.R. C.02.0506.N. Zie voor een evaluatie van deze cassatierechtspraak, o.m.: K. BROECKX, o.c., p. 295-299, nrs. 649-657; G. CLOSSET-MARCHAL, «Demande principale et demande incidente: Dépendance ou autonomie?», in M. STORME en P. TAELMAN (red), Het proces in meervoud – Le procès au pluriel, Diegem, Kluwer, 1997, p. 33, nr. 11; J. LAENENS, «Een nieuwe tegeneis in hoger beroep» (noot onder Cass. 26 mei 1981), R.W. 1981-82, 2178-2179.
#37. Anders: A. FETTWEIS, o.c., p. 96-97, nr. 86. Zie ook: B. MAES, «De bepaling van het voorwerp», in J. LINSMEAU en M. STORME (red.), Le rôle respectif du juge et des parties dans le procès civil – De respectievelijke rol van rechter en partijen in het burgerlijk geding, Diegem, Kluwer, 1999, p. 69-71, nr. 19.
#38. Ch. VAN REEPINGHEN, o.c., 335. Zie ook: B. ALLEMEERSCH en K. WAGNER, l.c., p. 1137, nr. 38, die zulks mede vastknopen aan het vereiste van loyale procesvoering. Vgl.: Brussel 27 juni 2003, J.L.M.B. 2004, 872.
#39. Deloyale procesvoering is hoe dan ook uit den boze, aldus de op de valreep ingestelde tegenvordering derwijze dat de eiser niet meer kan repliceren (H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, «L‘abus du droit de conclure: vivacité d‘une théorie», in Mélanges Philippe Gérard, Brussel, Bruylant, 2002, p. 489, nr. 23; Ph. THION, «Deloyale procesvoering – Een toetssteen bij het concluderen», NjW 2002, p. 52-53, nr. 10).
#40. Zie voorts: J. DE MOT en Ph. THION, «Effect van de tegenvordering op het procesverloop», NjW 2004, 434-441.
#41. Rb. Verviers 10 november 2003, J.L.M.B. 2004, 116.
#42. Ph. THION, «De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst», l.c., p. 275-277, nrs. 24-25.
#43. Zie bv.: Cass. 3 mei 1978, R.W. 1978-79, 1378 (verzoekschrift inzake de werkloosheidsreglementering).
#44. Zo ook voor de voor de strafrechter ingestelde burgerrechtelijke vordering: Cass. 22 mei 1980, Arr. Cass. 1979-80, 1179; Cass. 1 maart 1988, Arr. Cass. 1987-88, 850; Cass. 13 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, 521; Cass. 23 december 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1467. Zie wel inzake fiscaalrechtelijke geschillen, bepaalde arbeidsrechtelijke geschillen en de procedure in kort geding: S. CNUDDE, «Tussengeschillen voortvloeiend uit de wijziging van de partijen en hun aanspraken», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer, 2004, Titel VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 3, p. 17-19, nr. 26.520; aldus bv.: Cass. 10 april 1995, Arr. Cass. 1995, 395.
#45. A. FETTWEIS, o.c., p. 92-93, nr. 78; E. GUTT en J. LINSMEAU, «Examen de jurisprudence (1971-1978): Droit judiciaire privé», R.C.J.B. 1983, p. 107-108, nr. 91; P. ROUARD, o.c., III, p. 264, nr. 319.
#46. Zie reeds: Cass. 4 maart 1955, Arr. Verbr. 1955, 567.
#47. M. CASTERMANS, o.c., p. 461, nr. 861.
#48. Brussel 4 september 2003, Rev. not. b. 2003, 658.
#49. Cass. 29 oktober 2004, (verder in dit nummer opgenomen); J.-F. VAN DROOGHENBROECK, «Interventions forcées et droits de la défense», in M. STORME en P. TAELMAN (red.), Het proces in meervoud – Le procès au pluriel, Diegem, Kluwer, 1997, p. 148, nr. 10. Zie bv.: Rb. Leuven 27 juni 1990, T.B.B.R. 1991, 401.
#50. Cass. 29 oktober 2004 (verder in dit nummer opgenomen). Zie in diezelfde zin: Cass. 16 december 2004, in zaken met A.R. nr. C.02.0212.N en C.02.0251.N (vierde middel)
#51. Ch. VAN REEPINGHEN, o.c., 336; het zij wel opgemerkt dat de originele (Franstalige) tekst spreekt van «l‘intervention».
#52. Dat nochtans geen algemeen rechtsbeginsel is (Cass. 21 januari 1983, Arr. Cass. 1982-83, 675; Cass. 3 oktober 1983, Arr. Cass. 1983-84, nr. 103; Cass. 4 juni 1986, Arr .Cass. 1985-86, nr. 1353; Cass. 9 september 1986, Arr. Cass. 1986-87, nr. 467; Cass. 11 maart 1987, Arr. Cass. 1986-87, 912; Cass. 10 december 1987, Arr. Cass. 1987-88, nr. 467; Cass. 2 november 1989, Arr. Cass. 1989-90, nr. 298; Cass. 16 mei 2001, inzake met A.R. nr. P.01.0305.F; Cass. 27 februari 2002, inzake met A.R. nr. P.02.0164.F).
#53. Cass. 9 maart 1972, Arr. Cass. 1972, 650.
#54. Cass. 24 november 1972, Arr. Cass. 1973, 298.
#55. Cass. 2 december 1982, Arr. Cass. 1982-83, 454.
#56. Zie bv. ook: Luik 27 februari 2001, J.T. 2001, 614.
#57. Zie ook reeds: Cass. 8 mei 1967, Arr. Cass. 1967, 1089.
#58. Vgl.: K. BROECKX, o.c., p. 317, nr. 703.
#59. M. CASTERMANS, o.c., p. 458, nr. 854; B. MAES, «De bepaling van het voorwerp», l.c., p. 80, nr. 29; J. VAN COMPERNOLLE, «Examen de jurisprudence (1971-1985): Droit judiciaire privé – Les voies de recours», R.C.J.B. 1987, p. 178, nr. 46.
#60. S. MOSSELMANS, l.c., p. 331-332, nr. 50.
#61. Cass. 29 november 2002, inzake met A.R. nrs. C.00.0156.N en C.00.0729.N. Het arrest inzake met A.R. nr. C.00.0729.N is gepubliceerd in het R.W. 2002-03, 1299, met noot S. MOSSELMANS.
#62. Cass. 11 februari 2005 (verder in dit nummer opgenomen).
#63. Zie ook: G. CLOSSET-MARCHAL, l.c., p. 48, nr. 40; A. FETTWEIS, o.c., p. 92, nr. 77.
#64. G. CLOSSET-MARCHAL en J. VAN COMPERNOLLE, «Examen de jurisprudence (1985-1996): Droit judiciaire privé», R.C.J.B. 1997, p. 546, nr. 62. Vgl.: K. BROECKX, o.c., p. 316-319, nrs. 701-707. Vgl. nog: Cass. 18 mei 2000, R.W. 2000-01, 482.
#65. Kort ged. Brussel 7 februari 1997, Rev. trim. dr. fam. 1997, 424; Kort ged. 8 oktober 2003, I.R. 2003, 297.
#66. A. FETTWEIS, o.c., p. 409, nr. 563.
#67. Cass. 6 mei 1991, Arr. Cass. 1990-91, 895.
#68. Ph. THION, «De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst», l.c., p. 283-284, nr. 34. Zie bv. Rb. Tongeren 6 maart 1991, T.B.B.R. 1991, 663.
#69. G. CLOSSET-MARCHAL, «Demande principale et demande incidente: Dépendance ou autonomie?», l.c., p. 37-38, nr. 17.
#70. G. CLOSSET-MARCHAL, «Demande principale et demande incidente: Dépendance ou autonomie?», l.c., p. 38, nr. 18 en p. 41, nr. 24; A. FETTWEIS, o.c., p. 413, nr. 470.
#71. G. CLOSSET-MARCHAL en J. VAN COMPERNOLLE, l.c., p. 553, nr. 77; A. KOHL, «De l‘incidence de l‘irrecevabilité de la demande principale sur la recevabilité de la demande en intervention» (noot onder Brussel 10 oktober 1991), J.L.M.B. 1992, 1382; P. VANLERSBERGHE, «Het belang als toelaatbaarheidsvereiste voor het instellen van tussenvorderingen», in M. STORME en P. TAELMAN (red.), Het proces in meervoud – Le procès au pluriel, Diegem, Kluwer, 1997, p. 65, nr. 18.
#72. Ph. THION, «De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst», l.c., p. 291-292, nr. 46. Zie ook: Brussel 4 september 2003, Rev. not. b. 2003, 658.
#73. Zie in die optiek bv.: Vred. Westerlo 29 juni 2001, A.J.T. 2001- 02, 560 (met noot), waarin wordt overwogen dat «een vrijwillige tussenkomst slechts ontvankelijk is wanneer zij uitgaat van een partij die vreemd is aan het geding». Dit moet worden genuanceerd in geval de formele en de materiële procespartij niet samenvallen: «vreemd zijn aan het geding» mag dan niet letterlijk worden opgevat. Zie bv. ook: Bergen 22 november 1999, J.T. 2000, 187, waarin wordt overwogen «que de la seule circonstance qu‘elle a été convoquée par le greffe en vue de faire valoir ses observations et/ou de participer au vote, il ne peut être déduit que la S.A. X fut partie au jugement entrepris».
#74. Cass. 28 oktober 1994, Arr. Cass. 1994, 894. Zie ook: Arbitragehof nr. 47 van 18 april 2001, B.S. 2001, 18.592: «De wetgever vermocht te oordelen dat, om tegenstrijdigheid in opeenvolgende beslissingen te vermijden, het kon worden verantwoord dat de tussenkomende partij nog voor het eerst kan worden gedagvaard in hoger beroep, zelfs als die partij het voordeel van de dubbele aanleg verliest.».
#75. M. CASTERMANS, o.c., p. 40, nr. 71.
#76. Zie ook: Rb. Namen 4 november 2003, J.T. 2004, 162, met noot.
#77. Cass. 18 oktober 1979, Arr. Cass. 1980, 211; Cass. 9 november 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1287.
#78. Cass. 16 november 2001, inzake met A.R. nr. C.00.0139.F.
#79. B. ALLEMEERSCH en K. WAGNER, l.c., p. 1137-1138, nr. 39.
#80. Cass. 11 januari 2001, inzake met A.R. nr. C.99.0388.Fv.
#81. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake tussenkomst zijn, behoudens afwijking op grond van een bijzondere wet, niet van toepassing op de strafgerechten (Cass. 10 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 163; Cass. 24 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 224; Cass. 31 juli 1995, Arr. Cass. 1995, 711; Cass. 23 april 1997, P.&B. 1998, 78; Cass. 3 september 1998, Arr. Cass. 1998, 376; Cass. 22 januari 2003, inzake met A.R. nr. P.03.0081.F). Zie ook: Arbitragehof nr. 75 van 30 juni 1999, B.S. 1999, 42.853. Zie inzake de procedure tot jeugdbescherming: Cass. 10 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 163. De bedoelde artikelen vinden evenmin toepassing in de rechtspleging voor het Arbitragehof wanneer zij onverenigbaar zijn met de bepalingen van de Wet op het Arbitragehof (Arbitragehof nr. 52 van 30 maart 1988, A.A. 1988, 295; Arbitragehof nr. 51 van 29 juni 1994, B.S. 1994, 18.544).
#82. Zie ook: Ph. THION, «De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst», l.c., p. 293, nr. 48 en p. 301, nr. 59.
#83. Cass. 3 maart 1980, Arr. Cass. 1980, 821; Cass. 4 januari 1984, Arr. Cass. 1983-84, 498; Cass. 25 november 1992, Arr. Cass. 1991- 92, 1348.
#84. Zie bv.: Kort ged. Luik 30 juni 1993, J.L.M.B. 1993, 1282.
#85. Zie ook: Cass. 19 april 1979, Arr. Cass. 1979, 976, met noot F.D.
#86. Brussel 6 augustus 1992, T.B.H. 1992, 789; Kort ged. Luik 29 maart 1984, De Verz. 1995, 157; P. TAELMAN en P. THION, «Bundeling van vorderingen», T.P.R. 2003, p. 1507, nr. 22.
#87. S. CNUDDE, l.c., p. 40, nr. 26.970; P. ROUARD, o.c., III, p. 296- 298, nrs. 359-361.
#88. Brussel 24 januari 1997, Eur. Vervoerr. 1997, 449, met noot, J.L.M.B. 1997, 332.
#89. Zie ook: Ch. VAN REEPINGHEN, o.c., 337: «Normaal zal de rechter, in het belang van de partijen, het uitstel toestaan dat mogelijkheid zal geven om de tussenvordering te onderzoeken, wanneer er reden is om te vrezen dat, door de afwijzing ervan, de partijen worden blootgesteld aan derdenverzet.».
#90. Vgl.: P. ROUARD, o.c., III, p. 283-284, nr. 347.
#91. Zie bij toepassing van dit algemeen rechtsbeginsel bv. nog: Cass. 22 maart 1993, Arr. Cass. 1993, 316; Cass. 18 juni 2003, inzake met A.R. nr. P.03.0719.F.